Ge zult toch wel weten, wat een vergrootglas is, zoo'n rond brilleglas,
dat alles honderdmaal grooter maakt dan het is? Als men het in de hand
neemt en voor zijn oog houdt en daardoor een droppel water uit den
vijver bekijkt, dan ziet men meer dan duizend zonderlinge diertjes,
die men anders nooit in het water waarneemt. Maar zij zijn er toch
in, en het is geen zinsbedrog. Het ziet er bijna uit als een bord vol
krabben, die door elkander rondspringen, en wat zijn zij woedend! Zij
rukken elkaar armen en beenen, stukken en brokken af, en toch zijn
zij op hun wijze vroolijk en vergenoegd.
Nu was er eens een oud man, dien alle menschen Kriebel-Krabbel noemden;
want zoo heette hij. Hij wilde altijd het beste van iedere zaak hebben,
en als dit volstrekt niet ging, dan nam hij het door tooverij.
Daar zit hij nu op zekeren dag en houdt zijn vergrootglas voor de oogen
en bekijkt een waterdroppel, die uit een waterput genomen was. Maar
wat kriebelde en krabbelde het daarin! Al de duizenden kleine diertjes
huppelden en sprongen, verscheurden en verslonden elkaar.
«Maar dat is toch afschuwelijk!» zei de oude Kriebel-Krabbel; «kan
men ze er dan niet toe brengen, in rust en vrede te leven, zoodat
iedereen zich slechts met zich zelf bemoeit?» Hij peinsde en peinsde,
maar het wilde niet gaan, en hij moest dus tooveren. «Ik moet hun
een kleur geven, zoodat zij duidelijker te zien zijn!» zeide hij,
en nu goot hij iets, dat er als een droppeltje rooden wijn uitzag,
in de waterdroppel; maar het was heksenbloed van de fijnste soort,
die er bestaat. En nu werden al de zonderlinge diertjes heelemaal
rozerood; het zag er uit als een stad vol naakte, wilde mannen.
«Wat heb je daar?» vroeg een andere oude toovenaar, die geen naam had;
en dat was juist het fijne van hem.
«Ja, als je kunt raden, wat dat is,» zei Kriebel-Krabbel, «dan zal
ik het je geven. Maar het is niet gemakkelijk te verklaren, als men
het niet weet.»
En de toovenaar, die geen naam had, keek door het vergrootglas. Het
zag er daarin werkelijk uit als een stad, waarin al de menschen zonder
kleeren rondliepen! Het was afgrijselijk! Maar nog afgrijselijker
was het, te zien, hoe de een den ander duwde en stiet, trapte en
beet. Wat beneden was, moest naar boven, en wat boven was, moest
naar beneden. Zie, zie! Zijn been is langer dan het mijne! Bah! Weg
daarmee! Daar is er een, die een puistje achter zijn oor heeft. Maar
dat doet hem zeer, en daarom moet het nog meer zeer doen. Zij hieuwen
op hem los, rukten aan hem, en verslonden hem om dat puistje. Daar
zat er een zoo stil als een meisje en wenschte slechts naar rust en
vrede. Maar nu moest zij voor den dag! Zij duwden haar, trokken haar
in de rondte en verslonden haar.
«Dat is kluchtig!» zei de toovenaar.
«Ja. Maar wat denk je wel, dat het is?» vroeg Kriebel-Krabbel. «Kan
je het verklaren?»
«Nu, dat kan men toch wel zien!» zei de ander. «Dat is immers Parijs
of een andere groote stad;--want ze gelijken allemaal op elkaar. Een
groote stad is het!»
«Het is putwater!» zei Kriebel-Krabbel.