De vloo, de sprinkhaan en de hup-op [19] wilden eens zien, wie van
hen wel het hoogst kon springen. Nu noodigden zij de heele wereld
uit en wie nog meer wilden komen, om die pracht mee aan te zien. Het
waren drie duchtige springers, die in de kamer bijeenkwamen.
«Ik geef mijn dochter aan hem, die het hoogst springt!» zei de
koning. «Want het zou te gierig zijn, als deze lui voor niet moesten
springen.»
De vloo kwam het eerst voor; zij had zeer beschaafde manieren en
groette naar alle kanten, want zij had damesbloed in haar aderen en
was er aan gewoon, slechts met menschen om te gaan; en dat deed zeer
veel af.
Toen kwam de sprinkhaan; deze was wel is waar veel zwaarder; maar hij
had toch een knappe figuur en droeg een groene uniform. Bovendien
beweerde deze persoon, dat hij in het land van Egypte tot een zeer
oude familie behoorde, en dat hij daar hooggeschat werd. Hij was
van het veld genomen en in een kaartenhuis van drie verdiepingen
gezet, alle samengesteld van kaartebladen, waarvan de bonte kant
naar binnen gekeerd was. Daar waren zoowel deuren als ramen, en wel
in het lichaam van hartenvrouw uitgesneden. «Ik zing zoo,» zeide hij,
«dat zestien inlandsche krekels, die van der jeugd af gezongen en toch
geen kaartenhuis gekregen hadden, van ergernis nog magerder werden,
dan zij al waren, toen zij mij hoorden!»
Allebei, de vloo en de sprinkhaan, deden behoorlijk uitkomen, wie zij
waren, en dat zij dachten, dat zij wel met een prinses konden trouwen.
De hup-op zei niets; maar men vertelde van hem, dat hij des te meer
dacht; en toen de bulhond hem alleen maar besnuffeld had, wilde hij
er wel voor instaan, dat de hup-op van eene goede familie en van
het borstbeen van een echte gans gemaakt was. De oude raadsheer,
die drie ridderordes voor zijn stilzwijgen gekregen had, verzekerde,
dat de hup-op met de gave der voorzegging bedeeld was; men kon aan
zijn been onderkennen, of men een zachten of een strengen winter
zou krijgen; en dat kan men niet eens aan het borstbeen van hem,
die den kalender schrijft, zien.
«Ik zeg maar niets!» zei de oude koning, «ik ga altijd maar stil mijn
gang en denk er het mijne van!»
Nu was het om den sprong te doen. De vloo sprong zoo hoog, dat niemand
het kon zien; nu beweerden zij, dat zij in 't geheel niet gesprongen
had. Dat was toch schandalig!
De sprinkhaan sprong maar half zoo hoog; maar hij sprong den koning
vlak in het gezicht, en deze zei, dat zoo iets afschuwelijk was.
De hup-op stond lang stil en bedacht zich: eindelijk begon men te
gelooven, dat hij niet kon springen.
«Als hij maar niet ongesteld geworden is!» zei de bulhond, en toen
besnuffelde hij hem weer. Ritsch! daar sprong hij met een kleinen
scheeven sprong op den schoot der prinses, die laag op een gouden
voetbankje zat.
Nu zei de koning: «De hoogste sprong bestaat daarin, naar mijn dochter
op te springen, want daarin ligt het fijne van de zaak. Maar er behoort
een goede kop toe, om daar op te komen. En de hup-op heeft getoond,
dat hij een goeden kop heeft.»
En daarom kreeg hij de prinses.
«Ik heb toch het hoogst gesprongen!» zei de vloo. «Maar dat doet
er niet toe! Laat haar het ganzebeen met het stokje en het pik maar
hebben. Ik heb toch het hoogst gesprongen! Maar er behoort in deze
wereld een groot lichaam toe, om gezien te kunnen worden.»
En daarop ging de vloo in vreemden krijgsdienst, waar zij, naar men
zegt, gedood moet zijn.
De sprinkhaan zette zich buiten in de sloot neer en dacht er over
na hoe het eigenlijk in de wereld toegaat. En hij zei ook: «Een
groot lichaam behoort daartoe! Een groot lichaam behoort daartoe!»
En toen zong hij zijn eigen, droefgeestig lied, en daaraan hebben wij
deze geschiedenis ontleend, die toch wel niet waar zou kunnen zijn,
al is zij ook gedrukt.