Hoog boven in de ijle, heldere lucht vloog een engel met een bloem uit
den tuin van den hemel. Terwijl hij de bloem kuste, viel er een heel
klein blaadje af, kwam in den weeken grond midden in het bosch neer,
schoot terstond wortelen en groeide tusschen andere planten op.
«Dat is een kluchtig ding, dat daar staat,» zeiden de planten. En
niemand wilde haar als zijn gelijke erkennen, noch distelen noch
brandnetels.
«Dat zal zeker een soort van tuinplant zijn,» zeiden zij, en nu werd
de plant als tuingewas bespot.
«Waar wil je naar toe?» vroegen de hooge distelen, wier bladeren
allemaal met stekels gewapend zijn.
«Je strekt je nog al ver in het rond uit. Dat is een dwaasheid! Wij
staan hier niet om je te dragen!»
De winter kwam, de sneeuw bedekte de plant; maar van haar kreeg
het sneeuwdek een glans, alsof zij ook van beneden door zonlicht
doorstroomd werd. Toen het voorjaar kwam, vertoonde zich een bloeiend
gewas, zoo heerlijk, als geen ander in het bosch.
Nu verscheen de botanische professor, die het zwart op wit had,
dat hij datgene was, waarvoor hij zich uitgaf. Hij bekeek de plant,
hij proefde haar; maar zij stond niet in zijn plantenleer; het was
hem niet mogelijk te ontdekken, tot welke soort zij behoorde.
«Dat is een bastaardsoort!» zei hij. «Ik ken haar niet. Zij is niet
in het systeem opgenomen.»
«Niet in het systeem opgenomen?» zeiden distelen en brandnetels. De
hooge boomen, die in de rondte stonden, zagen en hoorden het,
doch zeiden niets,--noch kwaad noch goed, en dat is altijd het
verstandigste, als men dom is.
Nu kwam er door het bosch een arm, onschuldig meisje: haar hart
was rein, haar verstand groot door het geloof; haar geheele erfdeel
was een oude bijbel; maar uit de bladen van dien bijbel sprak Gods
stem tot haar: «Als de menschen ons kwaad willen doen, dan heet
het immers van Jozef: «Gij hebt wel kwaad tegen mij gedacht, maar
God heeft het ten goede gedacht.» Als wij onrechtvaardig lijden,
als wij miskend en bespot worden, dan klinkt het woord van hem,
den reinste, den beste, van hem, dien zij bespotten en aan het kruis
nagelden, ons tegen: «Vader! vergeef het hun, want zij weten niet,
wat zij doen!»» Het meisje bleef voor de zonderlinge plant staan, wier
groene bladeren heerlijk en verkwikkend geurden, wier bloemen in den
helderen zonneschijn als een veelkleurig vuurwerk straalden, en uit
elke kwam een geluid, als verborg zij de diepe bron der melodieën,
die duizenden jaren niet vermogen uit te putten. Met vrome aandacht
bekeek zij al deze heerlijkheid Gods, zij boog een der takken naar
zich neer, om de bloem goed te kunnen bekijken en haar geur te kunnen
genieten. Het werd helder in haar verstand; het deed haar harte goed;
gaarne zou zij een bloem afgeplukt hebben; maar zij kon het niet van
zich verkrijgen, haar af te breken: zij zou immers spoedig bij haar
verwelken; het meisje nam slechts een enkel blaadje en legde dit te
huis in haar bijbel; daar lag het frisch, altijd groen en onverwelkt.
Tusschen de bladen van den bijbel lag het bewaard; met den bijbel
werd het onder het hoofd van het meisje gelegd, toen zij na verloop
van eenige weken in haar doodkist lag met den heiligen ernst des doods
op het vrome gezicht, alsof het zich in het aardsche stof afspiegelde,
dat zij nu voor haar God stond!
Maar buiten in het bosch bloeide de zonderlinge plant; zij zag er
bijna als een boom uit, en alle trekvogels bogen er zich voor.
«Wat zijn dat nu weer voor vreemde kunsten!» zeiden de distelen en
de klissen. «Zoo doen wij hier te lande toch nooit!»
De zwarte slakken uit het bosch spuwden op de bloem.
Toen kwam de zwijnenhoeder. Deze verzamelde distelen en struiken,
om daarvan asch te branden. De geheele zonderlinge plant met al haar
wortelen kwam in zijn bezit. «Zij moet ook nuttig worden,» zei hij,
en zoo gezegd, zoo gedaan!
Maar sedert jaar en dag leed de koning van het land aan de diepste
zwaarmoedigheid; hij was vlijtig en arbeidzaam, maar het hielp hem
niets; men las hem diepzinnige, geleerde geschriften voor, men las
de oppervlakkigste, de lichtzinnigste, die men maar vinden kon,--het
baatte niets! Nu zond een van de wijsten der wereld, tot wien men zich
gewend had, een bode af en liet zeggen, dat er toch een middel was, om
hem leniging te verschaffen en hem te doen herstellen: «In het eigen
rijk van den koning groeide in het bosch een plant van hemelschen
oorsprong; zoo en zoo zag zij er uit; men kon zich niet vergissen.»
«Zij is zeker door mij uitgetrokken,» zei de zwijnenhoeder, «en al
lang tot asch vergaan, maar ik wist niet beter!»
«Wist ge niet beter? O, welk een diepte van onkunde!» En deze woorden
kon de zwijnenhoeder in zijn zak steken; hem en geen ander golden zij.
Geen blad was er meer te vinden, het eenige lag in de doodkist der
overledene, en daarvan wist niemand iets.
En de koning zelf wandelde in zijn mismoedigheid naar de plaats in
het bosch toe.
«Hier heeft de plant gestaan!» zei hij. «Het is een heilige plaats!»
En de plaats werd met een gouden hek omgeven, en een schildwacht werd
er bij geposteerd!
De botanische professor schreef een lange verhandeling over de
hemelsche plant, en daarvoor werd hij in goud beslagen, en dit
verguldsel stond hem en zijn familie zeer goed; en dat was het
verblijdendste van de heele geschiedenis; want de plant was verdwenen,
en de koning bleef mismoedig en bedroefd,--«maar dat was hij vroeger
ook,» zei de schildwacht.