In den molen.
«Wat gaat het toch wonderlijk bij de menschen toe!» zei de kamerkat
tegen de keukenkat. «Nu zijn zij weer van elkaar af, Babette en
Rudy. Zij weent, en hij denkt zeker niet meer aan haar.»
«Dat bevalt mij niet!» zei de keukenkat.
«Mij ook niet!» zei de kamerkat, «doch ik zal het mij maar niet
aantrekken! Babette kan zich immers met dien roodbaard verloven! Maar
die is hier ook niet meer geweest, sedert hij op het dak wilde
klimmen!»
Booze machten drijven haar spel om ons en in ons; dat had Rudy wel
eens gehoord en veel daarover nagedacht; wat was er in hem en om hem
heen gebeurd daar op den berg? Waren het spoken of koortsachtige
droomen? Hij had vroeger noch koorts, noch eenige andere ziekte
gekend. Maar toen hij Babette veroordeelde, had hij een blik in
zijn eigen binnenste geslagen. Hij had de wilde jacht in zijn hart,
den heeten orkaan, die daar huisgehouden had, nagespeurd. Zou hij aan
Babette ook alles kunnen biechten, iedere gedachte biechten, die in de
ure der verzoeking bij hem tot daad zou kunnen worden? Haar ring had
hij verloren, en juist door dit verlies had zij hem teruggekregen. Zou
zij hem alles kunnen opbiechten? Het was, alsof zijn hart zou breken,
als hij aan haar dacht; hoevele herinneringen rezen er niet bij
hem op! Hij zag haar, alsof zij bij levenden lijve voor hem stond,
lachend als een moedwillig kind; menig vriendelijk woord, dat zij
uit de volheid haars harten gesproken had, drong als zonnestralen in
zijn borst door, en al spoedig was alles daarin slechts zonneschijn
bij de gedachte aan Babette.
Ja, zij moest hem alles kunnen biechten, en zij zou dit ook doen.
Hij ging naar den molen toe en kwam tot de biecht. Deze begon met
een kus en eindigde daarmee, dat Rudy de zondaar bleef; het was
afschuwelijk van hem! Zulk een wantrouwen, zulk een heftigheid kon
hen beiden in het ongeluk storten. Ja zeker, dat kon! En daarom
hield Babette hem een kleine boetpredikatie, waarin zij zelf schik
had en die haar zeer goed afging, doch op één punt had Rudy gelijk:
de neef der petemoei van Babette was een lafbek; zij wilde het boek
verbranden, dat hij haar gegeven had, en zij wilde niet het minste
bezitten, dat haar aan hem kon herinneren.
«Nu is het gevaar voorbij!» zei de kamerkat. «Rudy is weer hier,
zij verstaan elkaar, en dat is toch het grootste geluk, zeggen zij.»
«Ik hoorde van nacht van de rotten,» zei de keukenkat, «dat het
grootste geluk is, vetkaarsen te eten en volop spek te hebben. Wie
moet men nu gelooven, de rotten of het verliefde paar?»
«Geen van beiden,» zei de kamerkat, «dat is altijd het veiligste!»
Het grootste geluk van Rudy en Babette, de schoonste dag, zooals zij
hem noemden, de trouwdag, was ophanden.
Maar niet in de kerk te Bex zou de trouwplechtigheid plaats hebben,
niet in den molen zou er bruiloft gehouden worden; de petemoei
wilde, dat de bruiloft in haar huis zou gevierd worden en dat de
trouwplechtigheid in de mooie kleine kerk te Montreux zou plaats
vinden. De molenaar stond er op, dat deze wensch zou vervuld worden;
hij alleen wist, wat de petemoei voor de jonggehuwden bestemd had;
zij zouden van haar een bruidsgeschenk krijgen, dat wel waard was,
dat men zich naar haar wil schikte. De dag was bepaald. Reeds den
avond te voren zouden zij naar Villeneuve vertrekken, om den daarop
volgenden dag tijdig naar Montreux te rijden, opdat de dochters der
petemoei de bruid aan haar toilet zouden kunnen helpen.
«Hier in huis zal er toch ook wel wat lekkers afvallen,» zei de
kamerkat; «als dit niet gebeurt, dan geef ik geen miauw voor de
heele geschiedenis!»
«Hier zal wel gesmuld worden!» zei de keukenkat. «Er zijn eenden
geslacht, duiven geplukt, en een heele reebok hangt er aan den muur. Ik
watertand er al van, als ik daaraan denk! Morgen begint de reis!»
Ja, morgen!--Op dezen avond zaten Rudy en Babette voor de laatste
maal als verloofden in den molen.
Buiten gloeiden de Alpen, luidden de avondklokken en zongen de
dochteren der zon: «Moge het beste geschieden!»