XIV.

Nachtelijke droomgezichten.

De zon was ondergegaan, de wolken daalden in het Rhônedal tusschen de

hooge bergen, de wind blies uit het Zuiden, een wind, die uit Afrika

kwam, streek over de hooge Alpen heen, een orkaan, die de wolken

scheurde, en toen de wind voorbijgespoed was, werd het een oogenblik

doodstil; de gescheurde wolken hingen in phantastische groepen tusschen

de met boomen begroeide bergen, over den snelvlietenden Rhônestroom;

zij hingen in gestalten als de dieren der voorwereld, als de zwevende

adelaar der lucht, als de huppelende kikvorschen der moerassen; zij

daalden op den snelvlietenden stroom neer, zij zeilden op dezen en

zeilden toch in de lucht. De stroom voerde een ontwortelden boom met

zich mee, in het water vertoonden zich wervelende kringen; het was

de duizeligheid, meer dan een, die er op den voortbruisenden stroom

draaiden; de maan verlichtte de sneeuw op de bergtoppen, de donkere

bosschen en de witte wonderbare wolken, de nachtgezichten, de geesten

der natuurkrachten; de bergbewoner zag ze door de vensterruiten,

zij zeilden daar beneden bij scharen voor de ijsjonkvrouw uit; deze

kwam uit haar gletscherkasteel, zij zat op het brooze schip, op den

ontwortelden boom; het gletscherwater droeg haar den stroom af tot

in het open meer.

«De bruiloftsgasten komen!» suisde het in lucht en water.

Gezichten buiten, gezichten binnen. Babette droomde een wonderbaren

droom.

Het kwam haar voor, alsof zij met Rudy getrouwd was, en wel sedert

vele jaren. Hij was op de gemzenjacht, en zij was te huis in haar

woning, en daar zat de jonge Engelschman met den rooden baard bij

haar! Zijn oogen waren zoo welsprekend, zijn woorden een toovermacht,

hij stak haar de hand toe, en zij moest hem volgen. Zij verlieten het

huis. Het ging gedurig meer naar beneden! Het was Babette te moede,

alsof er een last op haar hart drukte, die gedurig zwaarder werd;

het was een zonde tegen Rudy, een zonde tegen God; en eensklaps stond

zij daar verlaten, haar kleederen waren door de doornen gescheurd,

haar lokken waren grijs geworden, zij keek in haar smart naar boven,

en op den rotswand zag zij Rudy;--zij strekte haar armen naar hem uit,

maar waagde het niet, te roepen of te bidden. Dat zou haar ook niet

gebaat hebben, want al spoedig ontdekte zij, dat hij het niet was,

maar slechts zijn jas en zijn hoed, die op den Alpenstok hingen,

dien de jagers zoo neerzetten, om de gemzen te misleiden. En in

grenzenlooze smart jammerde Babette: «O! was ik maar op mijn trouwdag,

mijn gelukkigsten dag, gestorven! Mijn God dat zou een genade, een

groot geluk geweest zijn! Dan zou het beste geschied zijn, wat mij

en Rudy zou hebben kunnen weervaren! Niemand kent zijn toekomst!» En

in haar smart stortte zij zich in de diepe rotskloof naar beneden. Er

sprong een snaar, er klonk een weemoedige toon...

Babette ontwaakte, de droom was voorbij en vergeten,--maar zij wist

toch nog, dat zij iets verschrikkelijks en van den jongen Engelschman

gedroomd had, die zij in verscheidene maanden niet gezien, aan wien

zij niet gedacht had. Zou hij misschien ook te Montreux zijn? Zou

zij hem op de bruiloft te zien krijgen? Een lichte schaduw gleed er

over haar fijnen mond, haar wenkbrauwen trokken zich te zamen; maar

al spoedig daarop speelde er een glimlachje om haar lippen, schoten

er vreugdestralen uit haar oogen; buiten scheen de zon zoo heerlijk,

en den volgenden dag was het de bruiloft van haar en van Rudy.

Rudy was al in de woonkamer, toen zij deze binnentrad, en spoedig

daarop ging men naar Villeneuve. Beiden waren zoo overgelukkig,

en ook de molenaar; hij lachte en was in de beste luim; hij was een

goed vader en een eerlijke ziel.

«Nu zijn wij heeren en meesters hier in huis!» zei de kamerkat.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 72 / 83 题