Nachtelijke droomgezichten.
De zon was ondergegaan, de wolken daalden in het Rhônedal tusschen de
hooge bergen, de wind blies uit het Zuiden, een wind, die uit Afrika
kwam, streek over de hooge Alpen heen, een orkaan, die de wolken
scheurde, en toen de wind voorbijgespoed was, werd het een oogenblik
doodstil; de gescheurde wolken hingen in phantastische groepen tusschen
de met boomen begroeide bergen, over den snelvlietenden Rhônestroom;
zij hingen in gestalten als de dieren der voorwereld, als de zwevende
adelaar der lucht, als de huppelende kikvorschen der moerassen; zij
daalden op den snelvlietenden stroom neer, zij zeilden op dezen en
zeilden toch in de lucht. De stroom voerde een ontwortelden boom met
zich mee, in het water vertoonden zich wervelende kringen; het was
de duizeligheid, meer dan een, die er op den voortbruisenden stroom
draaiden; de maan verlichtte de sneeuw op de bergtoppen, de donkere
bosschen en de witte wonderbare wolken, de nachtgezichten, de geesten
der natuurkrachten; de bergbewoner zag ze door de vensterruiten,
zij zeilden daar beneden bij scharen voor de ijsjonkvrouw uit; deze
kwam uit haar gletscherkasteel, zij zat op het brooze schip, op den
ontwortelden boom; het gletscherwater droeg haar den stroom af tot
in het open meer.
«De bruiloftsgasten komen!» suisde het in lucht en water.
Gezichten buiten, gezichten binnen. Babette droomde een wonderbaren
droom.
Het kwam haar voor, alsof zij met Rudy getrouwd was, en wel sedert
vele jaren. Hij was op de gemzenjacht, en zij was te huis in haar
woning, en daar zat de jonge Engelschman met den rooden baard bij
haar! Zijn oogen waren zoo welsprekend, zijn woorden een toovermacht,
hij stak haar de hand toe, en zij moest hem volgen. Zij verlieten het
huis. Het ging gedurig meer naar beneden! Het was Babette te moede,
alsof er een last op haar hart drukte, die gedurig zwaarder werd;
het was een zonde tegen Rudy, een zonde tegen God; en eensklaps stond
zij daar verlaten, haar kleederen waren door de doornen gescheurd,
haar lokken waren grijs geworden, zij keek in haar smart naar boven,
en op den rotswand zag zij Rudy;--zij strekte haar armen naar hem uit,
maar waagde het niet, te roepen of te bidden. Dat zou haar ook niet
gebaat hebben, want al spoedig ontdekte zij, dat hij het niet was,
maar slechts zijn jas en zijn hoed, die op den Alpenstok hingen,
dien de jagers zoo neerzetten, om de gemzen te misleiden. En in
grenzenlooze smart jammerde Babette: «O! was ik maar op mijn trouwdag,
mijn gelukkigsten dag, gestorven! Mijn God dat zou een genade, een
groot geluk geweest zijn! Dan zou het beste geschied zijn, wat mij
en Rudy zou hebben kunnen weervaren! Niemand kent zijn toekomst!» En
in haar smart stortte zij zich in de diepe rotskloof naar beneden. Er
sprong een snaar, er klonk een weemoedige toon...
Babette ontwaakte, de droom was voorbij en vergeten,--maar zij wist
toch nog, dat zij iets verschrikkelijks en van den jongen Engelschman
gedroomd had, die zij in verscheidene maanden niet gezien, aan wien
zij niet gedacht had. Zou hij misschien ook te Montreux zijn? Zou
zij hem op de bruiloft te zien krijgen? Een lichte schaduw gleed er
over haar fijnen mond, haar wenkbrauwen trokken zich te zamen; maar
al spoedig daarop speelde er een glimlachje om haar lippen, schoten
er vreugdestralen uit haar oogen; buiten scheen de zon zoo heerlijk,
en den volgenden dag was het de bruiloft van haar en van Rudy.
Rudy was al in de woonkamer, toen zij deze binnentrad, en spoedig
daarop ging men naar Villeneuve. Beiden waren zoo overgelukkig,
en ook de molenaar; hij lachte en was in de beste luim; hij was een
goed vader en een eerlijke ziel.
«Nu zijn wij heeren en meesters hier in huis!» zei de kamerkat.