Booze machten.
Rudy verliet Bex, hij sloeg den weg naar huis in, klom op de bergen in
de frissche verkoelende lucht, waar de sneeuw lag, waar de ijsjonkvrouw
heerscht. De boomen stonden diep onder hem en zagen er uit, alsof zij
aardappelenloof waren, de dennen, de struiken werden kleiner hier
boven, de Alpenrozen groeiden naast de sneeuw die in afzonderlijke
strepen lag, evenals linnen op de bleek. Een blauwe gentiaan, die op
zijn weg stond, verbrijzelde hij met zijn geweerkolf.
Hoogerop vertoonden zich twee gemzen; de oogen van Rudy fonkelden,
zijn gedachten namen een nieuwe vlucht; maar hij was er niet dicht
genoeg bij om een zeker schot te kunnen doen; hij klom hooger op
waar slechts een enkel grasscheutje tusschen de rotsblokken groeide;
de gemzen liepen rustig op het sneeuwveld; hij verhaastte zijn
schreden. De wolkennevel daalde diep om hem neer, eensklaps bevond
hij zich voor den steilen rotswand: de regen begon neer te stroomen.
Hij voelde een brandenden dorst, hitte in zijn hoofd, koude over al
zijn leden; hij greep naar zijn veldflesch, maar deze was ledig;
hij had er niet aan gedacht, haar te vullen, toen hij tegen de
bergen opstormde. Hij was vroeger nooit ziek geweest, maar nu had
hij het gevoel van zulk een toestand; hij was moede, hij gevoelde
neiging om zich neer te leggen, verlangen om te slapen, maar overal
stroomde de regen neer; hij deed een poging om weer tot zich zelven te
komen. Zonderling sidderden en dansten de voorwerpen voor zijn oogen;
daar bespeurde hij eensklaps, wat hij hier nog nooit gezien had,
een nieuw, allerliefst huisje, dat tegen de rotsen aangebouwd was;
voor de deur stond een jong meisje; hij zou haast gezegd hebben,
dat het Annette van den schoolmeester was, die hij eenmaal onder het
dansen gekust had; maar het was Annette niet; toch had hij het meisje
vroeger al eens gezien, misschien wel bij Grindelwald, op dien avond,
toen hij van het schuttersfeest te Interlaken terugkeerde.
«Hoe komt ge hier zoo verzeild?» vroeg hij.
«Ik ben hier te huis. Ik hoed mijn kudde!»
«Uw kudde? Waar graast die dan? Hier heeft men immers slechts sneeuw
en rotsen.»
«Ge weet er ook wat van, wat hier is!» zei het meisje en lachte. «Hier
achter ons, beneden, is een heerlijke weide! Daar loopen mijn
geiten! Ik bewaak ze zorgvuldig! Geen enkele verlies ik; wat van mij
is, blijft van mij!»
«Gij zijt stoutmoedig!» zei Rudy.
«Gij ook!» antwoordde het meisje.
«Hebt ge melk in huis, geef mij dan te drinken; want ik heb een
ondraaglijken dorst!»
«Ik heb wat beters dan melk!» zei het meisje, «en dat zal ik u
geven. Gisteren waren hier reizigers met hun gids; zij vergaten een
half fleschje wijn, zooals ge zeker nooit geproefd hebt, zij zullen
het wel niet terughalen; ik drink er niet van, drink gij er maar van!»
En het meisje haalde den wijn, goot dien in een houten beker en reikte
dezen aan Rudy over.
«Dat smaakt lekker!» zei hij. «Nog nooit heb ik zulken verwarmenden,
vurigen wijn geproefd!» Zijn oogen fonkelden; een leven, een gloed
vervulde hem, alsof iedere zorg, iedere druk verdween; de frissche
menschennatuur ontwaakte in hem.
«Maar het is Annette toch!» riep hij uit. «Geef mij een kus!»
«Ja, geef mij den mooien ring, dien ge aan den vinger hebt.»
«Mijn verlovingsring?»
«Ja, juist dien!» zei het meisje en schonk op nieuw wijn in den
beker, dien zij hem aan de lippen zette, en hij dronk. Er stroomde
levensvreugde in zijn bloed; de geheele wereld behoorde hem toe,
dacht hij, waarom zou hij zich afpijnigen! Alles is geschapen,
opdat wij het genieten, opdat het ons gelukkig make! De stroom des
levens is de stroom der vreugde; door dezen gedragen te worden,
dat is gelukzaligheid. Hij keek het meisje aan, het was Annette wel
en toch Annette niet, en nog minder de spookgestalte, zooals hij het
noemde, die hem bij Grindelwald tegengekomen was. Het meisje hier op
den berg was frisch als de witte sneeuw, bloeiend als de Alpenroos
en snelvoetig als een geitje; maar toch uit Adams rib geschapen,
evenals Rudy. Hij sloeg zijn armen om de schoone heen en staarde
haar in de verwonderlijk heldere oogen; slechts een seconde duurde
deze blik, en in deze seconde.... ja, wie verklaart het, wie geeft
het in woorden weer?--was het het leven des geestes of des doods,
dat hem vervulde?--werd hij opgeheven of zonk hij in de diepe,
doodende ijskloof, gedurig dieper. Hij zag de ijswanden als een
blauwachtig groen glas, oneindige kloven gaapten er in de rondte,
en het water stroomde naar beneden, helder, vlammend in witachtig
blauwe vlammen. De ijsmaagd kuste hem: het was een kus, die hem van
het hoofd tot de voeten deed huiveren; een kreet van smart ontsnapte
er aan zijn lippen, hij rukte zich los, waggelde,--en het werd nacht
voor zijn oogen, maar hij deed ze weer open. Booze machten hadden
haar spel met hem gedreven.
Verdwenen was het Alpenmeisje, verdwenen de beschermende hut, het
water stroomde langs den naakten rotswand neer, sneeuw lag er rondom;
Rudy beefde van de koude, hij was tot op zijn hemd doornat, zijn ring
was verdwenen, de verlovingsring, dien Babette hem gegeven had. Zijn
buks lag in de sneeuw naast hem, hij raapte haar op en wilde haar
afschieten; maar zij weigerde. Vochtige wolken legerden zich als
vaste sneeuwmassa's in de kloof, de duizeligheid zat daar en loerde
op haar machtelooze prooi, en beneden in de kloof klonk het, alsof
er een rotsblok naar beneden stortte, dat alles verbrijzelde en met
zich meesleepte, wat het in zijn val wilde ophouden.
Maar in den molen zat Babette en weende; Rudy was er in geen zes dagen
geweest, hij, die in het ongelijk was, hij, die haar om vergiffenis
moest vragen, dien zij van ganscher harte liefhad.