XII.

Booze machten.

Rudy verliet Bex, hij sloeg den weg naar huis in, klom op de bergen in

de frissche verkoelende lucht, waar de sneeuw lag, waar de ijsjonkvrouw

heerscht. De boomen stonden diep onder hem en zagen er uit, alsof zij

aardappelenloof waren, de dennen, de struiken werden kleiner hier

boven, de Alpenrozen groeiden naast de sneeuw die in afzonderlijke

strepen lag, evenals linnen op de bleek. Een blauwe gentiaan, die op

zijn weg stond, verbrijzelde hij met zijn geweerkolf.

Hoogerop vertoonden zich twee gemzen; de oogen van Rudy fonkelden,

zijn gedachten namen een nieuwe vlucht; maar hij was er niet dicht

genoeg bij om een zeker schot te kunnen doen; hij klom hooger op

waar slechts een enkel grasscheutje tusschen de rotsblokken groeide;

de gemzen liepen rustig op het sneeuwveld; hij verhaastte zijn

schreden. De wolkennevel daalde diep om hem neer, eensklaps bevond

hij zich voor den steilen rotswand: de regen begon neer te stroomen.

Hij voelde een brandenden dorst, hitte in zijn hoofd, koude over al

zijn leden; hij greep naar zijn veldflesch, maar deze was ledig;

hij had er niet aan gedacht, haar te vullen, toen hij tegen de

bergen opstormde. Hij was vroeger nooit ziek geweest, maar nu had

hij het gevoel van zulk een toestand; hij was moede, hij gevoelde

neiging om zich neer te leggen, verlangen om te slapen, maar overal

stroomde de regen neer; hij deed een poging om weer tot zich zelven te

komen. Zonderling sidderden en dansten de voorwerpen voor zijn oogen;

daar bespeurde hij eensklaps, wat hij hier nog nooit gezien had,

een nieuw, allerliefst huisje, dat tegen de rotsen aangebouwd was;

voor de deur stond een jong meisje; hij zou haast gezegd hebben,

dat het Annette van den schoolmeester was, die hij eenmaal onder het

dansen gekust had; maar het was Annette niet; toch had hij het meisje

vroeger al eens gezien, misschien wel bij Grindelwald, op dien avond,

toen hij van het schuttersfeest te Interlaken terugkeerde.

«Hoe komt ge hier zoo verzeild?» vroeg hij.

«Ik ben hier te huis. Ik hoed mijn kudde!»

«Uw kudde? Waar graast die dan? Hier heeft men immers slechts sneeuw

en rotsen.»

«Ge weet er ook wat van, wat hier is!» zei het meisje en lachte. «Hier

achter ons, beneden, is een heerlijke weide! Daar loopen mijn

geiten! Ik bewaak ze zorgvuldig! Geen enkele verlies ik; wat van mij

is, blijft van mij!»

«Gij zijt stoutmoedig!» zei Rudy.

«Gij ook!» antwoordde het meisje.

«Hebt ge melk in huis, geef mij dan te drinken; want ik heb een

ondraaglijken dorst!»

«Ik heb wat beters dan melk!» zei het meisje, «en dat zal ik u

geven. Gisteren waren hier reizigers met hun gids; zij vergaten een

half fleschje wijn, zooals ge zeker nooit geproefd hebt, zij zullen

het wel niet terughalen; ik drink er niet van, drink gij er maar van!»

En het meisje haalde den wijn, goot dien in een houten beker en reikte

dezen aan Rudy over.

«Dat smaakt lekker!» zei hij. «Nog nooit heb ik zulken verwarmenden,

vurigen wijn geproefd!» Zijn oogen fonkelden; een leven, een gloed

vervulde hem, alsof iedere zorg, iedere druk verdween; de frissche

menschennatuur ontwaakte in hem.

«Maar het is Annette toch!» riep hij uit. «Geef mij een kus!»

«Ja, geef mij den mooien ring, dien ge aan den vinger hebt.»

«Mijn verlovingsring?»

«Ja, juist dien!» zei het meisje en schonk op nieuw wijn in den

beker, dien zij hem aan de lippen zette, en hij dronk. Er stroomde

levensvreugde in zijn bloed; de geheele wereld behoorde hem toe,

dacht hij, waarom zou hij zich afpijnigen! Alles is geschapen,

opdat wij het genieten, opdat het ons gelukkig make! De stroom des

levens is de stroom der vreugde; door dezen gedragen te worden,

dat is gelukzaligheid. Hij keek het meisje aan, het was Annette wel

en toch Annette niet, en nog minder de spookgestalte, zooals hij het

noemde, die hem bij Grindelwald tegengekomen was. Het meisje hier op

den berg was frisch als de witte sneeuw, bloeiend als de Alpenroos

en snelvoetig als een geitje; maar toch uit Adams rib geschapen,

evenals Rudy. Hij sloeg zijn armen om de schoone heen en staarde

haar in de verwonderlijk heldere oogen; slechts een seconde duurde

deze blik, en in deze seconde.... ja, wie verklaart het, wie geeft

het in woorden weer?--was het het leven des geestes of des doods,

dat hem vervulde?--werd hij opgeheven of zonk hij in de diepe,

doodende ijskloof, gedurig dieper. Hij zag de ijswanden als een

blauwachtig groen glas, oneindige kloven gaapten er in de rondte,

en het water stroomde naar beneden, helder, vlammend in witachtig

blauwe vlammen. De ijsmaagd kuste hem: het was een kus, die hem van

het hoofd tot de voeten deed huiveren; een kreet van smart ontsnapte

er aan zijn lippen, hij rukte zich los, waggelde,--en het werd nacht

voor zijn oogen, maar hij deed ze weer open. Booze machten hadden

haar spel met hem gedreven.

Verdwenen was het Alpenmeisje, verdwenen de beschermende hut, het

water stroomde langs den naakten rotswand neer, sneeuw lag er rondom;

Rudy beefde van de koude, hij was tot op zijn hemd doornat, zijn ring

was verdwenen, de verlovingsring, dien Babette hem gegeven had. Zijn

buks lag in de sneeuw naast hem, hij raapte haar op en wilde haar

afschieten; maar zij weigerde. Vochtige wolken legerden zich als

vaste sneeuwmassa's in de kloof, de duizeligheid zat daar en loerde

op haar machtelooze prooi, en beneden in de kloof klonk het, alsof

er een rotsblok naar beneden stortte, dat alles verbrijzelde en met

zich meesleepte, wat het in zijn val wilde ophouden.

Maar in den molen zat Babette en weende; Rudy was er in geen zes dagen

geweest, hij, die in het ongelijk was, hij, die haar om vergiffenis

moest vragen, dien zij van ganscher harte liefhad.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 70 / 83 题