XI.

De neef.

Toen Rudy eenige dagen later een bezoek in den molen kwam afleggen,

vond hij daar den jongen Engelschman; Babette was juist bezig, hem

gekookte forellen voor te zetten, die zij zeker zelf met peterselie

versierd had, opdat zij er recht smakelijk zouden uitzien. Maar dat was

volstrekt niet noodig geweest. Wat wilde de Engelschman hier? Wat had

hij hier te doen? Door Babette getrakteerd en onthaald te worden?--Rudy

was jaloersch, en dat deed Babette plezier; het deed haar genoegen,

al de zijden van zijn karakter te leeren kennen, de sterke zoowel

als de zwakke. De liefde was haar nog een spel, en zij speelde met

het hart van Rudy, en toch was hij,--dat moet gezegd worden,--haar

geluk, haar geheele leven, haar voortdurende gedachte, het beste en

heerlijkste, dat zij op deze wereld bezat; maar hoe meer zijn blik

zich verduisterde, des te meer lachten haar oogen, zij had den blonden

Engelschman met de roode bakkebaarden wel een kus willen geven, als zij

daardoor had kunnen bewerken, dat Rudy razend werd en wegliep; dat zou

haar juist een bewijs zijn, hoe lief hij haar had. Maar dat was niet

goed van Babette; doch zij was immers nog maar negentien jaar oud. Zij

dacht weinig daarover na en dacht er nog minder aan, dat haar gedrag

door den jongen Engelschman licht anders zou kunnen opgevat worden,

dan het voor de eerbare verloofde dochter van den molenaar paste.

Daar, waar de straatweg van Bex onder de met sneeuw bedekte rotsachtige

hoogte loopt, die in de landstaal Diablerets heet, stond de molen,

niet ver van een snelvlietenden bergstroom, die witachtig grijs was

evenals zeepsop. Deze bracht den molen echter niet in beweging, het

groote molenrad werd door een kleineren stroom in de rondte gedraaid,

die aan den anderen kant der rivier van de rots naar beneden stortte

en, door een steenen dam tot nog grootere kracht en vaart gedreven,

in een bassin van balken, een breede leiding of goot, over den

snelvlietenden stroom gevoerd werd. Deze goot was zoo rijk aan water,

dat zij overliep en de houten rand een natten, slijkerigen weg aanbood

aan dengene, wien het in de gedachte mocht komen, langs dezen den

molen spoediger te bereiken, en dezen inval had een jongmensch, de

Engelschman. In het wit gekleed als een molenaarsknecht, klauterde

hij des avonds naar den overkant, geleid door het licht, dat er uit

de kamer van Babette stroomde. Klauteren echter had hij niet geleerd,

en het scheelde dan ook niet veel, of hij was hals over kop in het

water gevallen, maar hij kwam er gelukkig nog met doornatte mouwen

en een smerige broek af; nat en met slijk bedekt kwam hij onder

het raam van Babette; hier klom hij in de oude linde en begon de

stem van den uil na te bootsen, want een anderen vogel kon hij niet

nazingen. Babette hoorde dit en keek door de dunne gordijnen naar

buiten; toen zij den witten man echter zag en wel kon begrijpen,

wie dit was, klopte haar hartje van schrik, maar ook van toorn. Zij

blies in aller ijl het licht uit, onderzocht of de pennen wel op de

ramen zaten, en liet hem nu huilen, zoo veel hij maar wilde.

Het zou verschrikkelijk zijn, als Rudy nu hier in den molen was!--Maar

Rudy was niet in den molen, neen, wat nog erger was, hij stond vlak

onder de linde. Er werd luid gesproken, het waren toornige woorden, er

kon wel een vechtpartij, misschien zelfs moord en doodslag van komen.

Babette deed in haar angst het raam open, riep Rudy en verzocht

hem heen te gaan; want zij kon het niet dulden, dat hij daar bleef,

zeide zij.

«Je duldt niet, dat ik hier blijf!» riep hij haar toe, «het is dus

afgesproken werk! Je verwacht goede vrienden, betere dan ik ben! Schaam

je, Babette!»

«Je bent onuitstaanbaar!» zei Babette. «Ik haat je!» En zij weende. «Ga

heen, ga heen!»

«Dat heb ik niet verdiend!» zei hij en ging heen; zijn wangen en zijn

hart brandden als vuur.

Babette wierp zich op haar bed neer en weende.

«Ik heb je zoo lief, Rudy! En je kunt zoo iets slechts van mij denken!»

Zij barstte in tranen uit, en dat was goed voor haar, want anders

zou zij zeer bedroefd geworden zijn; nu kon zij den slaap vatten,

den verkwikkenden slaap der jeugd slapen.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 69 / 83 题