De neef.
Toen Rudy eenige dagen later een bezoek in den molen kwam afleggen,
vond hij daar den jongen Engelschman; Babette was juist bezig, hem
gekookte forellen voor te zetten, die zij zeker zelf met peterselie
versierd had, opdat zij er recht smakelijk zouden uitzien. Maar dat was
volstrekt niet noodig geweest. Wat wilde de Engelschman hier? Wat had
hij hier te doen? Door Babette getrakteerd en onthaald te worden?--Rudy
was jaloersch, en dat deed Babette plezier; het deed haar genoegen,
al de zijden van zijn karakter te leeren kennen, de sterke zoowel
als de zwakke. De liefde was haar nog een spel, en zij speelde met
het hart van Rudy, en toch was hij,--dat moet gezegd worden,--haar
geluk, haar geheele leven, haar voortdurende gedachte, het beste en
heerlijkste, dat zij op deze wereld bezat; maar hoe meer zijn blik
zich verduisterde, des te meer lachten haar oogen, zij had den blonden
Engelschman met de roode bakkebaarden wel een kus willen geven, als zij
daardoor had kunnen bewerken, dat Rudy razend werd en wegliep; dat zou
haar juist een bewijs zijn, hoe lief hij haar had. Maar dat was niet
goed van Babette; doch zij was immers nog maar negentien jaar oud. Zij
dacht weinig daarover na en dacht er nog minder aan, dat haar gedrag
door den jongen Engelschman licht anders zou kunnen opgevat worden,
dan het voor de eerbare verloofde dochter van den molenaar paste.
Daar, waar de straatweg van Bex onder de met sneeuw bedekte rotsachtige
hoogte loopt, die in de landstaal Diablerets heet, stond de molen,
niet ver van een snelvlietenden bergstroom, die witachtig grijs was
evenals zeepsop. Deze bracht den molen echter niet in beweging, het
groote molenrad werd door een kleineren stroom in de rondte gedraaid,
die aan den anderen kant der rivier van de rots naar beneden stortte
en, door een steenen dam tot nog grootere kracht en vaart gedreven,
in een bassin van balken, een breede leiding of goot, over den
snelvlietenden stroom gevoerd werd. Deze goot was zoo rijk aan water,
dat zij overliep en de houten rand een natten, slijkerigen weg aanbood
aan dengene, wien het in de gedachte mocht komen, langs dezen den
molen spoediger te bereiken, en dezen inval had een jongmensch, de
Engelschman. In het wit gekleed als een molenaarsknecht, klauterde
hij des avonds naar den overkant, geleid door het licht, dat er uit
de kamer van Babette stroomde. Klauteren echter had hij niet geleerd,
en het scheelde dan ook niet veel, of hij was hals over kop in het
water gevallen, maar hij kwam er gelukkig nog met doornatte mouwen
en een smerige broek af; nat en met slijk bedekt kwam hij onder
het raam van Babette; hier klom hij in de oude linde en begon de
stem van den uil na te bootsen, want een anderen vogel kon hij niet
nazingen. Babette hoorde dit en keek door de dunne gordijnen naar
buiten; toen zij den witten man echter zag en wel kon begrijpen,
wie dit was, klopte haar hartje van schrik, maar ook van toorn. Zij
blies in aller ijl het licht uit, onderzocht of de pennen wel op de
ramen zaten, en liet hem nu huilen, zoo veel hij maar wilde.
Het zou verschrikkelijk zijn, als Rudy nu hier in den molen was!--Maar
Rudy was niet in den molen, neen, wat nog erger was, hij stond vlak
onder de linde. Er werd luid gesproken, het waren toornige woorden, er
kon wel een vechtpartij, misschien zelfs moord en doodslag van komen.
Babette deed in haar angst het raam open, riep Rudy en verzocht
hem heen te gaan; want zij kon het niet dulden, dat hij daar bleef,
zeide zij.
«Je duldt niet, dat ik hier blijf!» riep hij haar toe, «het is dus
afgesproken werk! Je verwacht goede vrienden, betere dan ik ben! Schaam
je, Babette!»
«Je bent onuitstaanbaar!» zei Babette. «Ik haat je!» En zij weende. «Ga
heen, ga heen!»
«Dat heb ik niet verdiend!» zei hij en ging heen; zijn wangen en zijn
hart brandden als vuur.
Babette wierp zich op haar bed neer en weende.
«Ik heb je zoo lief, Rudy! En je kunt zoo iets slechts van mij denken!»
Zij barstte in tranen uit, en dat was goed voor haar, want anders
zou zij zeer bedroefd geworden zijn; nu kon zij den slaap vatten,
den verkwikkenden slaap der jeugd slapen.