De petemoei.
Te Montreux, een der naastbijgelegen steden, die met Clarens, Vevay en
Crin een krans om het noordoostelijke gedeelte van het meer van Genève
vormen, woonde de petemoei van Babette, de Engelsche, deftige dame met
haar dochters en een jeugdigen bloedverwant; zij waren daar nog slechts
kort geleden aangekomen, maar de molenaar had ze reeds bezocht, hun
de verloving van Babette medegedeeld en van Rudy en het arendsjong,
van het bezoek te Interlaken, in één woord de geheele geschiedenis
verteld, en deze had haar in de hoogste mate verblijd en haar ten
zeerste voor Rudy en Babette en ook voor den molenaar ingenomen;
alle drie moesten eens overkomen, en daarom gingen zij er dan ook
naar toe. Babette zou haar petemoei, de petemoei zou Babette zien.
Bij het stadje Villeneuve, aan het einde van het meer van Genève,
lag de stoomboot, die, na een vaart van een half uur van daar naar
Vevay, ten zuiden van Montreux, aanlegt. De kust alhier is door
de dichters bezongen; hier onder de walnoteboomen, aan het diepe,
blauwachtig groene meer zat Byron en schreef zijn welluidende verzen
van den gevangene in het donkere rotsachtige kasteel Chillon. Daar,
waar Clarens zich met zijn treurwilgen in het water afspiegelt,
wandelde Rousseau, terwijl hij van Heloïse droomde. De Rhône stroomt
onder de hooge, met sneeuw bedekte bergen van Savoye voort; hier,
niet ver van haar oorsprong, ligt in het meer een klein eiland;
dit is zoo klein, dat het van de kust gezien, een vaartuig op het
water schijnt te zijn. Het eiland is een rotsgrond, dien een dame
voor omstreeks honderd jaren met steenen liet indammen, met aarde
bedekken en met drie acaciaboomen beplanten; deze overschaduwen nu
het geheele eiland. Babette was verrukt over deze plek, deze scheen
haar de schoonste op den geheelen tocht, daar moest zij naar toe,
het moest daar verwonderlijk schoon zijn, dacht zij. Maar de stoomboot
voer voorbij en legde aan, waar zij moest aanleggen en wel te Vevay.
Het kleine gezelschap wandelde van hier verder tusschen de
witte, door de zon bestraalde muren, die de wijngaarden voor
het bergstadje Montreux omgeven, waar de vijgeboomen het huis
van den boer beschaduwen, laurierboomen en cipressen in de tuinen
groeien. Halverwege op den berg stond het huis, waarin de petemoei
woonde.
De ontvangst was hartelijk. De petemoei was een vriendelijke vrouw
met een rond, glimlachend gezicht; als kind was zij zeker een echt
engelenkopje van Raphaël geweest. Nu was zij een oud engelenhoofd,
met weelderige zilverwitte lokken. Haar dochters waren lieve, mooie,
lange en slanke meisjes. De jonge neef, dien zij meegebracht hadden,
was van het hoofd tot de voeten in het wit gekleed, had blond haar
en zulke lange roode bakkebaarden, dat er wel genoeg was voor drie
heeren; hij bewees Babette terstond de grootste opmerkzaamheid.
Rijk gebonden boeken, muziek en teekeningen lagen er op de groote tafel
verspreid; de deur, die naar het balkon voerde, stond open en gaf het
uitzicht op het schoone, uitgestrekte meer, dat zoo blank en stil was,
dat de bergen van Savoye met steden, bosschen en sneeuwtoppen zich
daarin afspiegelden.
Rudy, die anders overmoedig, vroolijk en opgewekt was, gevoelde
zich hier volstrekt niet thuis; hij bewoog zich, alsof hij op
erwten over een gladden vloer liep. Wat viel de tijd hem lang, wat
ging deze langzaam voorbij, als in een tredmolen! En nu werd er een
wandeling gedaan! Dat ging even langzaam en vervelend; Rudy had wel
twee schreden vooruit en een achteruit kunnen doen, om met de anderen
in den stap te blijven. Zij wandelden naar Chillon, het oude, sombere
kasteel op het rotsachtige eiland, alleen om de foltertuigen te zien,
de gevangenissen, de verroeste kettingen in de rotsachtige muren, de
steenen britsen voor de ter dood veroordeelden, de valluiken, waardoor
de ongelukkigen naar beneden geworpen en op ijzeren spitse pennen
opgevangen werden. Dat alles te zien noemden zij een genoegen. Een
gerechtsplaats was het, die door Byrons gezang in de wereld der poëzie
opgenomen is. Rudy had slechts gevoel voor de gerechtsplaats; hij
stak het hoofd uit een der groote steenen vensterramen en keek neer
in het diepe, blauwachtig groene water en naar het kleine eiland met
de drie acacia's; daarheen wenschte hij zich wel verplaatst te zien,
vrij van het geheele pratende gezelschap; maar Babette was bijzonder
vroolijk gestemd. Zij had zich uitstekend geamuseerd, zeide zij;
de neef, vond zij, was een alleraardigst mensch.
«Ja, een echte lafbek!» zei Rudy; en dit was de eerste maal, dat Rudy
iets zei, wat haar niet beviel. De Engelschman had haar een klein
boekje tot aandenken aan Chillon gegeven, het was Byrons gedicht:
«De gevangene van Chillon,» in het Fransch vertaald, zoodat Babette
het kon lezen.
«Het boek kan wel heel mooi zijn,» zei Rudy, «maar de keurig gekleede
mijnheer, die het je gegeven heeft, staat mij niet aan.»
«Hij zag er net uit als een meelzak zonder meel!» zei de molenaar,
en lachte om zijn eigen aardigheid. Ook Rudy lachte en zei, dat hij
er juist zoo over dacht.