De ijsjonkvrouw.
De lente had haar sappige, groene guirlandes van walnote- en
kastanjeboomen ontplooid; zwellend slingerden zij zich van de brug
bij Saint-Maurice tot aan den oever van het meer van Genève langs de
Rhône, die met een geweldige vaart voortstroomt van haar bron onder
den groenen gletscher, het ijspaleis, waarin de ijsjonkvrouw woont,
en vanwaar zij zich door den scherpen wind laat opstuwen tot op het
hoogste sneeuwveld, om daar te rusten op haar sneeuwzetel; daar zat
zij en staarde met een doordringenden blik in de diepste dalen neer,
waar de menschen ijverig in beweging waren, evenals mieren op de
steenen, die de zon beschijnt.
«Geesteskrachten, zooals de kinderen der zon u noemen!» zei de
ijsjonkvrouw. «Wormen zijt gij! Een rollende sneeuwbal,--en gij, uw
huizen en uw steden zijn verpletterd en verdwenen!» Hooger verhief
zij haar trotsch hoofd en keek wijd en zijd met oogen, die van dood
en verderf straalden. Maar uit het dal deed zich een rollen hooren,
rotsen liet men springen: dit was menschenwerk! Wegen en tunnels voor
spoorwegen werden er aangelegd.
«Zij wroeten als mollen in den grond,» zeide zij; «zij graven gangen
onder de aarde, van daar dat geknal als van geweerschoten. Als ik
mijn kasteelen verzet, dan druischt het sterker dan het geratel van
den donder!»
Uit het dal steeg een dikke rook op, die zich voorwaarts bewoog als een
fladderende sluier, een wuivende pluim der locomotief, die op den nog
pas geopenden spoorweg zijn stoet voorttrok, deze kronkelende slang,
wier ledematen wagens aan wagens zijn. Pijlsnel vloog zij voorwaarts.
«Zij beschouwen zich daar beneden als heeren, die geesteskrachten!»
zei de ijsjonkvrouw. «De macht der natuurkrachten is toch grooter
dan de hunne!» Zij lachte, en het dreunde in het dal.
«Daar rolt een lawine naar beneden!» zeiden de menschen.
Maar de kinderen der zon zongen nog luider van de menschen_gedachte_,
die de zee aan banden legt, bergen verzet, dalen effent; de
menschengedachte, die de beheerscheres der natuurkrachten is. Omstreeks
dezen tijd trok over het sneeuwveld, waar de ijsjonkvrouw zat,
een gezelschap van reizigers; de menschen hadden zich met touwen aan
elkaar vastgebonden, opdat zij als 't ware een grooter lichaam zouden
vormen op de gladde ijsvlakte aan den rand van den diepen afgrond.
«Wormen!» zei de ijsmaagd. «Gij, de beheerschers der natuurkrachten!»
En zij wendde den blik van het gezelschap af en keek gramstorig in
het diepe dal, waar de spoortrein voortbruiste.
«Daar zitten zij, de _gedachten_! Zij zitten in de macht der
natuurkrachten! Ik zie ze, elk en een ieder!--de een zit trotsch
als een koning alleen! Ginds zitten zij op een hoop! Daar slaapt de
eene helft! En als de stoomdraak stilhoudt, dan stappen zij er uit en
gaan allen huns weegs! Deze gedachten verspreiden zich in de wereld!»
En zij lachte.
«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.
«Ons bereikt zij niet!» zeiden er twee, die op den rug van den
stoomdraak zaten; «twee harten en één slag,» zooals het heet. Het
waren Rudy en Babette; ook de molenaar was er bij.
«Als bagage!» zei hij. «Ik ben er bij als het noodige aanhangsel!»
«Daar zitten die twee!» zei de ijsjonkvrouw. «Vele gemzen heb ik
verpletterd, millioenen Alpenrozen heb ik geknakt en gebroken,
zelfs de wortels spaarde ik niet! Ik wisch ze uit, die gedachten,
die geesteskrachten!» En zij lachte.
«Daar rolt weer een lawine!» zei men beneden in het dal.