Welke nieuwtjes de kamerkat wist te vertellen.
«Hier is het verlangde!» zei Rudy, terwijl hij bij den molenaar te Bex
binnentrad, een groote mand op den grond neerzette en den doek, die
er overheen lag, oplichtte. Twee gele oogen met zwarte randen kwamen
er uitkijken, fonkelend en wild, als wilden zij zich vastbranden en
vastbijten, waar zij heenkeken; de korte, krachtige snavel was tot
bijten opgesperd, de hals was rood en met stoppels bezet.
«Het arendsjong!» riep de molenaar uit. Babette gaf een luiden gil
en deinsde terug; maar zij kon toch haar oogen noch van Rudy noch
van den arend afhouden.
«Je laat je niet licht door iets afschrikken!» zei de molenaar.
«En gij houdt altijd woord!» zei Rudy. «Ieder heeft zijn
eigenaardigheid!»
«Maar waarom heb je den nek niet gebroken?» vroeg de molenaar.
«Omdat ik vasthield!» antwoordde Rudy, «en dat doe ik nog! Ik houd
Babette vast!»
«Maak eerst maar, dat je haar krijgt!» zei de molenaar en lachte;
en dat was een goed teeken, dat wist Babette.
«We moeten hem uit de mand halen,--het is om razend te worden, zooals
hij ons aankijkt! Maar hoe heb je hem weten te krijgen?»
Nu moest Rudy vertellen, en de molenaar zette gedurig grooter oogen op.
«Met je moed en je geluk kan je wel drie vrouwen onderhouden!» zei
de molenaar.
«Ik dank u!» riep Rudy uit.
«Maar Babette heb je nog niet!» zei de molenaar en klopte den jongen
Alpenjager schertsend op den schouder.
«Weet je het nieuwste nieuwtje al, dat er in den molen is?» zei de
kamerkat tegen de keukenkat. «Rudy heeft ons het arendsjong gebracht
en neemt Babette daarvoor in ruil. Zij hebben elkander een kus gegeven
en hebben het den ouden molenaar laten zien. Dat is zoo goed als een
verloving. De oude man was goed gemutst; hij hield zijn klauwen binnen,
deed zijn middagdutje en liet de twee bij elkaar zitten vrijen; zij
hebben elkaar zooveel te vertellen, dat zij met Kerstmis nog niet
klaar zullen zijn!»
Zij kwamen met Kerstmis ook niet klaar. De wind stuwde de bruine
bladeren op; de sneeuw stoof in het dal, evenals op de hooge bergen; de
ijsjonkvrouw zat in haar trotsch kasteel, dat gedurende den wintertijd
in grootte toeneemt; de rotswanden stonden daar met ijzel bedekt,
en dikke ijskegels, zwaar als olifanten, hingen daar naar beneden,
waar de rotsstroom in den zomer zijn watersluier laat waaien;
ijsguirlandes, uit phantastische ijskristallen samengesteld, hingen
fonkelend aan de met sneeuw bepoederde dennen. De ijsjonkvrouw reed op
den suizenden wind over de diepste dalen heen. Het sneeuwdek strekte
zich heelemaal tot aan Bex uit, de ijsjonkvrouw kwam ook daarheen
en zag Rudy in den molen zitten, hij zat dezen winter meer in huis,
dan anders zijn gewoonte was, hij zat bij Babette. Den volgenden
zomer zou er bruiloft gehouden worden; zijn ooren suisden hem vaak,
zoo druk spraken zijn vrienden daarover. In den molen was zonneschijn,
de schoonste Alpenroos gloeide er, de vroolijke, glimlachende Babette,
schoon als de naderende lente, de lente, die alle vogels doet zingen
van zomertijd en bruiloft.
«Wat zitten die twee toch altijd bij elkander en steken hun hoofden
bij elkaar!» zei de kamerkat. «Nu heb ik genoeg van hun gemauw!»