VII.

Het arendsnest.

Van het rotspad af klonk het gezang, lustig en krachtig, het wees op

een goede luim en een onversaagden moed; het was Rudy; hij ging zijn

vriend Vesinand opzoeken.

«Je moet mij behulpzaam zijn! Wij nemen Nagli mee, ik moet het

arendsjong boven aan den kant van de rots uit het nest halen.»

«Zou je dan niet eerst het mannetje uit de maan halen? Dat zal

even gemakkelijk gaan!» zei Vesinand. «Je schijnt in een goede luim

te zijn!»

«Dat ben ik ook! Ik denk er aan te gaan trouwen!--Maar om ernstig te

spreken, ik zal je zeggen, hoe het met mij gesteld is.»

En al spoedig wisten Vesinand en Nagli, wat Rudy wilde.

«Je bent een onverschrokken kerel!» zeiden zij. «Maar dat gaat niet! Je

zult den nek breken!»

«Men valt niet naar beneden, als men het zich niet verbeeldt!»

zei Rudy.

Te middernacht rukten zij met stokken, ladders en touwen op; de weg

liep tusschen boomen en struiken door, over naakte rotsen, steeds

opwaarts, opwaarts in den donkeren nacht. Het water bruiste beneden,

het water stroomde boven, vochtige wolken dreven eraan de lucht. De

jagers bereikten den steilen kant der rots, hier werd het donkerder,

de rotswanden kwamen bijna tegen elkander aan, en slechts hoog in de

smalle kloof was de lucht te zien; dicht naast hen, onder hen lag de

diepe afgrond met het bruisende water. Het drietal zat op de rotsen,

zij wilden het aanbreken van den dag afwachten, als de arend uitvloog;

de oude moest eerst doodgeschoten worden, voordat zij er aan konden

denken, zich van het jong meester te maken. Rudy zat daar op zijn

hurken, zoo stil, alsof het een stuk van de rots was, waarop hij zich

bevond, het geweer met den gespannen haan hield hij voor zich om te

schieten, zijn blik vestigde zich onafgebroken op de bovenste kloof,

waar het adelaarsnest onder de overhellende rotsen verborgen zat. De

drie jagers moesten lang wachten.

Maar nu kraakte en suisde het hoog boven hen; een groot, zwevend

voorwerp verduisterde de lucht om hen heen. Twee buksloopen mikten,

terwijl de zware arendsgestalte uit het nest vloog;--er viel een schot,

een oogenblik bewogen zich de uitgespreide vleugels, daarop streek de

vogel langzaam neer, en het was, alsof hij door zijn grootte en met

zijn wijd uitgespreide vleugels de geheele kloof wilde beslaan en de

jagers in zijn val met zich meesleepen. De arend viel in de diepte

naar beneden, boomtakken en struiken braken door den val van den vogel.

Nu kwamen de jagers in beweging; drie van de langste ladders werden

aan elkaar vastgebonden,--deze zouden wel lang genoeg zijn; men zette

ze op de uiterste vaste punt neer, op den rand van den afgrond, maar

zij waren niet lang genoeg, en de rotswand liep hooger op en was daar,

waar het nest zich onder den vooruitspringenden top verborg, glad als

een muur. Na eenige beraadslagingen werd men het daaromtrent eens,

dat twee aan elkaar gebonden ladders van boven in de kloof neergelaten

en deze wederom in verbinding met de drie van beneden neergezette

gebracht moesten worden. Met groote moeite sleepte men de twee ladders

naar boven en maakte boven de touwen vast; de ladders werden over de

vooruitspringende rots heengeschoven en hingen daar zwevend boven den

afgrond; Rudy zat reeds op de onderste sport. Het was een ijskoude

morgen; nevels stegen er uit den donkeren afgrond op. Rudy zat daar,

evenals een vlieg op den waggelenden stroohalm zit, dien de een of

andere vogel bij het bouwen van zijn nest op den rand van den hoogen

fabrieksschoorsteen verloren heeft; maar de vlieg kan meevliegen,

als de stroohalm loslaat, doch Rudy kon slechts zijn nek breken. De

wind suisde om hem heen, en beneden in den afgrond bruisten de wateren

van den ontdooienden gletscher, het paleis der ijsjonkvrouw.

Nu bracht hij de ladder in een schommelende beweging, evenals de spin

zich schommelt, wanneer zij, aan haar langen, zwevenden draad hangende,

iets wil vastgrijpen, en toen Rudy ten vierden male het boveneind der

van beneden neergezette, aaneengebonden ladders aanraakte, had hij dit

gegrepen; zij werden met een zekere en krachtige hand samengevoegd,

maar zij waggelden en klapperden geweldig.

De vijf lange ladders, die tot aan het nest reikten en loodrecht tegen

den rotswand aanstonden, schenen een waggelend riet te zijn, en nu

kwam het gevaarlijkste werk nog aan; er moest geklauterd worden,

zooals de kat kan klauteren, maar Rudy had daar juist verstand

van, want de kat had het hem geleerd; hij bemerkte niets van de

duizeligheid, die in de lucht achter hem zweefde en haar poliepenarmen

naar hem uitstrekte. Thans stond hij op de bovenste sport der ladder

en bemerkte, dat hij hier nog niet hoog genoeg kon reiken, om in het

nest te zien, alleen met de hand kon hij eraan komen; hij probeerde,

hoe vast de onderste, dikke, in elkaar gevlochten takken zaten,

die het onderste gedeelte van het nest vormden, en nadat hij een

dikken en vasten tak beetgepakt had, hief hij zich van de ladder naar

boven, leunde over den tak heen en had nu zijne borst en zijn hoofd

over het nest gebogen; hier stroomde hem een verstikkende stank van

aas tegen; in het nest lagen lammeren, gemzen en vogels, die tot

verrotting overgegaan waren. De duizeligheid, die geen invloed op

hem kon oefenen, blies hem de giftige uitwasemingen in het gezicht,

opdat hij verward en bedwelmd zou worden, en beneden in de zwarte,

gapende diepte op de voortstroomende wateren zat de ijsjonkvrouw

zelve met haar lange, witachtig groene haren en staarde hem aan met

oogen als twee buksloopen.

«Nu vang ik u!»

In een hoek van het arendsnest zag hij, groot en forsch, het jong

van den arend zitten, dat nog niet kon vliegen. Rudy vestigde zijn

oogen daarop, hield zich met alle kracht met één hand vast en wierp

met zijn andere den strik om den jongen arend heen; gevangen was hij,

levend gevangen; zijn pooten staken in het touw, en Rudy wierp den

strik met den vogel over den schouder, zoodat het beest een heel eind

beneden hem hing, terwijl hij zich aan een neerhangend touw vasthield,

totdat zijn voeten de bovenste sport van de ladder weer aanraakten.

«Houd je vast! Denk maar niet, dat je naar beneden kunt vallen, dan val

je ook niet!» Dat was de oude les, en deze volgde hij op, klauterde,

was overtuigd, dat hij niet zou vallen, en hij viel ook niet.

Nu deed zich een krachtig en vroolijk gezang hooren. Rudy stond met

zijn arendsjong op de vaste rotsen.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 65 / 83 题