III.

De oom.

In het huis van den oom, waar Rudy nu woonde, zagen de menschen er,

Goddank! uit, zooals hij ze gewoon was te zien; hier was slechts een

enkele kroplijder, een arme idioot, een van die beklagenswaardige

schepselen, die in hun verlatenheid in het kanton Walliserland altijd

van huis tot huis gaan en in iedere familie een paar maanden blijven;

de arme Saperli was juist hier, toen Rudy aankwam.

De oom van Rudy was nog een krachtig jager en verstond bovendien

het kuipersambacht; zijn echtgenoote was een kleine, levendige vrouw

met een vogelgezicht, oogen als een adelaar en een langen, met haar

begroeiden hals.

Alles was hier voor Rudy nieuw, kleederdracht, zeden en gebruiken,

zelfs de taal; maar deze zou het oor van den knaap wel spoedig

leeren verstaan. Het zag er hier welvarend uit, in vergelijking met

zijn vroeger verblijf bij zijn grootvader. De kamer was grooter, de

muren prijkten met horens van gemzen en blank gepolijste jachtroeren;

boven de deur hing een beeld van de Heilige Maagd, en daarvoor stonden

frissche Alpenrozen en een brandende lamp.

Zijn oom was, zooals gezegd is, een der onverschrokkenste gemzenjagers

uit den geheelen omtrek en ook een der beste gidsen. In dit huis

zou Rudy nu de lieveling worden; wel is waar was er al een, namelijk

een oude, blinde en doove jachthond, die nu echter niet meer op de

jacht meeging, maar het toch vroeger gedaan had. Men had zijn goede

eigenschappen uit vroegere tijden niet vergeten, en daarom werd het

beest nu tot de familie gerekend en goed verpleegd. Rudy streelde

den hond; maar deze liet zich niet meer met vreemden in, en dat was

Rudy immers voor hem; lang bleef hij dit echter niet, hij schoot al

spoedig wortelen in het huis en in het hart.

«Hier in het kanton Walliserland is het nog zoo kwaad niet,» zei de

oom, «en gemzen hebben wij; die sterven niet zoo spoedig uit als de

steenbok; hier is het nu veel beter dan in vroegeren tijd. Hoeveel

er ook ter eere van de vroegere dagen verteld wordt, de onze zijn

toch beter: de zak is opengemaakt, er gaat een luchtstroom door ons

ingesloten dal. Iets beters komt er altijd te voorschijn, wanneer het

afgesletene vervalt!» zeide hij; en als zijn oom eens recht in zijn

nopjes was, dan vertelde hij van de jaren zijner jeugd en verder op

tot in den krachtigsten tijd van zijn vader, toen Walliserland, zooals

hij zich uitdrukte, nog een dichtgemaakte zak was, vol zieke menschen,

beklagenswaardige kroplijders; «maar de Fransche soldaten kwamen hier,

zij waren de beste geneesheeren, zij sloegen de ziekte terstond dood,

en de menschen sloegen zij ook dood. Van het slaan hadden de Franschen

verstand, zij wisten op meer dan één manier een slag te slaan, en

de meisjes hebben er ook verstand van!» Daarbij knikte de oom zijn

vrouw, die een geboren Française was, al lachend toe. «De Franschen

hebben in de rotsen gehouwen, dat het een lust was om te zien. Den

Simplonweg hebben zij in de rotsen gemaakt, zoodat ik nu tegen een

kind van drie jaar kan zeggen: «Ga eens naar Italië toe! Houd den

grooten weg maar!» En het kind zal goed en wel in Italië aankomen,

als het den grooten weg maar houdt!» Daarop zong zijn oom een Fransch

lied en riep «Hoera!» en «Leve Napoleon Bonaparte!»

Hier hoorde Rudy voor het eerst van zijn leven vertellen van Frankrijk

en van Lyon, de groote stad aan de Rhône; daar was zijn oom geweest.

Er zouden niet vele jaren verloopen, of Rudy zou een uitstekend

gemzenjager worden; hij had er veel aanleg toe, zei zijn oom, en deze

leerde hem de buks hanteeren, leerde hem het mikken en het schieten;

hij nam hem in den jachttijd mee naar de bergen en liet hem van

het warme bloed der gemzen drinken, dat den jager de duizeligheid

beneemt; hij leerde hem ook, den tijd te onderscheiden, wanneer op

de verschillende bergen de lawinen zouden neerstorten, 's middags of

's avonds, al naardat de zonnestralen daar werken; hij leerde hem,

op de gemzen en op haar springen acht te geven, zoodat men op de

voeten te land kwam en vast bleef staan, en als er in de rotskloof

geen steun voor den voet was, dan moest men zich met de ellebogen,

met de lendenen en met de kuiten vastklampen, zelfs met den nek kon

men zich vastklemmen, als het wezen moest. De gemzen waren slim, zij

zetten voorposten uit; maar de jager moest nog slimmer zijn, ze van

het rechte spoor afbrengen en op een dwaalweg voeren. Op zekeren dag,

toen Rudy met zijn oom op de jacht was, hing deze zijn jas en zijn

hoed op den Alpenstok, en de gemzen zagen de jas voor den man aan.

Het rotspad was smal, ja, het was bijna geen pad, maar slechts een

smalle uitstek langs den gapenden afgrond. De sneeuw, die hier lag,

was half ontdooid, de steenen brokkelden af, als men er op trapte, zijn

oom ging daarom plat op zijn buik liggen en kroop zoo voorwaarts. Ieder

stukje, dat er van de rots afbrokkelde, viel en stuitte terug, sprong

en rolde van den eenen rotswand naar den anderen, totdat het in de

diepte tot staan kwam. Omstreeks honderd schreden achter zijn oom

stond Rudy op een vooruitspringende vaste rotspunt; van hier zag hij

een grooten lammergier door de lucht vliegen en zwevend boven zijn

oom blijven staan, dien hij met zijn vleugelslag in den afgrond wilde

werpen, om hem tot zijn prooi te maken. Zijn oom had slechts oogen

voor de gems, die met haar jongen aan gene zijde van de rotskloof

te zien was; Rudy hield zijn blik onafgewend op den vogel gevestigd,

hij begreep al, wat deze wilde; daarom stond hij gereed om zijn buks

af te schieten. Daar sprong de gems plotseling op, zijn oom schoot, en

het dier was getroffen door den doodenden kogel, maar het jong sprong

weg, alsof het zijn leven lang aan vluchten en gevaren gewoon geweest

was. De groote vogel sloeg, door den knal van het schot verschrikt,

een andere richting in; zijn oom wist niets van het gevaar, waarin

hij verkeerd had; eerst van Rudy vernam hij dit.

Terwijl zij zich nu in de beste luim op de terugreis bevonden en de oom

een lied uit zijn jeugd floot, hoorden zij eensklaps een eigenaardig

geluid in de nabijheid; zij keken om zich heen, en nu verhief zich

in de hoogte op de helling der rots het sneeuwdek, het bewoog zich

in golven als een stuk linnen, wanneer de wind daaronder speelt. De

sneeuwgolven braken en losten zich, terwijl zij een oogenblik geleden

nog glad en vast als marmeren platen waren, in schuimende, verbolgen

wateren op, die als een doffe donderslag dreunden; het was een lawine,

die naar beneden stortte, niet over Rudy en zijn oom heen, maar in

hun nabijheid, vlak in hun nabijheid.

«Houd je vast, Rudy!» zei de oom, «houd je met alle macht vast!»

En Rudy hield den naasten boomstam omklemd; zijn oom klauterde

boven hem tegen den boom op en hield zich daar vast, terwijl de

lawine vele voeten van hen af voortrolde; maar de luchtdrukking,

de stormvleugelen der lawine, brak boomen en struiken in den omtrek,

alsof het slechts dunne rietjes waren, en wierp ze her- en derwaarts

heen. Rudy zat op zijn hurken; de boomstam, waaraan hij zich vasthield,

was als doormidden gezaagd en de kroon was ver weggeslingerd; daar,

tusschen de geknakte takken, lag zijn oom met een verpletterd hoofd,

zijn hand was nog warm, maar zijn gezicht niet te herkennen. Rudy

stond daar bleek en sidderend; het was de eerste schrik zijns levens,

de eerste huivering, die hem over de leden ging.

Laat op den avond kwam hij met de doodstijding in het huis terug, dat

nu een huis van rouw werd. Zijn tante vond geen woorden, geen tranen;

eerst toen men het lijk thuis bracht, kwam de smart tot uitbarsting. De

arme kroplijder kroop in zijn bed; men zag hem den geheelen volgenden

dag niet; eerst tegen den avond kwam hij naar Rudy toe.

«Schrijf een brief voor mij!» zeide hij. «Saperli kan niet

schrijven! Saperli kan den brief op de post brengen!»

«Een brief van jou?» vroeg Rudy. «En aan wien?»

«Aan den Heer Christus.»

«Aan wien, zeg je?»

En nu keek de idioot Rudy met een geroerden blik aan, vouwde de handen

en zeide op een plechtigen en vromen toon:

«Aan Jezus Christus! Saperli zal hem een brief zenden, hem vragen,

of Saperli dood mag liggen en niet de man hier in huis.»

Rudy drukte hem de hand en zei: «De brief komt daar niet aan en geeft

ons hem niet terug!»

Het viel Rudy niet gemakkelijk, hem de onmogelijkheid daarvan te

doen inzien.

«Nu ben je de steun des huizes!» zei zijn tante en pleegmoeder,

en Rudy werd dit ook.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 61 / 83 题