Babette.
Wie is de beste schutter in het kanton Walliserland? Dat wisten de
gemzen wel. «Wacht je voor Rudy!» konden zij zeggen. Wie is de knapste
schutter? «Dat is Rudy!» zeiden de meisjes, maar zij zeiden niet:
«Wacht je voor Rudy!» Dat zeiden de bedaagde moedertjes niet eens,
want hij knikte ze even vriendelijk toe als de jonge meisjes. Wat was
hij stoutmoedig en vroolijk! Zijn wangen waren door de zon verbrand,
zijn tanden frisch en wit, zijn oogen gitzwart; hij was een knappe
jongen en twintig jaar oud. Het ijskoude water hinderde hem niet,
als hij zwom; als een visch kon hij zich in het water wenden en
keeren, en klauteren kon hij als een aap, zich aan den rotswand
vastklemmen als een slak; goede spieren en zenuwen had hij, en dat
toonde hij ook door den sprong, dien hij eerst van den kater en
later van de gems geleerd had. Rudy was de beste gids, waaraan men
zich kon toevertrouwen; hij zou zich een geheel vermogen als gids
kunnen verwerven; het kuipersambacht, dat zijn oom hem ook geleerd
had, beviel hem echter niet; zijn lust was de gemzenjacht, en deze
bracht hem ook geld op. Rudy was een goede partij, zooals men zeide,
als hij maar niet met een meisje boven zijn stand wilde trouwen. Hij
was een danser, van wien de meisjes droomden, en dien deze en gene
zelfs wakend in haar gedachten omdroegen.
«Mij heeft hij onder het dansen een kus gegeven!» zei Annette van
den schoolmeester tegen haar beste vriendin; maar dat had zij niet
moeten zeggen, zelfs niet tegen haar beste vriendin. Het gaat niet
gemakkelijk, zulke dingen geheim te houden; het is als zand in een
zeef, het loopt er doorheen; en spoedig was het bekend, dat Rudy,
hoe braaf en goed hij ook was, onder het dansen kuste, en toch had
hij niet eens diegene gekust, die hij het liefst had willen kussen.
«Ja!» zei een oude jager, «hij heeft Annette gekust; hij is met A
begonnen en zal het heele ABC wel doorkussen!»
Een kus onder het dansen was alles, wat de roerige tongen tot dusverre
tegen hem wisten in te brengen; hij had Annette wel is waar gekust,
en toch was zij niet de bloem van zijn hart.
Beneden in het dal bij Bex, tusschen de hooge walnoteboomen, bij een
kleinen, snelvlietenden bergstroom, woonde de rijke molenaar; het
woonhuis was een groot gebouw en had drie verdiepingen met kleine
torentjes, die met hout bedekt en met zinken platen belegd waren,
welke in den zonne- en maneschijn glinsterden. Op het grootste der
torentjes stond een windwijzer, een pijl, die een appel doorboord had:
dat moest aan het schot van Tell herinneren. De molen zag er netjes en
welvarend uit; deze liet zich ook uitteekenen en beschrijven, maar de
dochter van den molenaar liet zich niet uitteekenen en beschrijven:
zoo zou Rudy ten minste gezegd hebben, en toch stond zij in zijn
hart uitgeteekend; haar oogen fonkelden daar, zoo, dat er een waar
vuur in was; dat was plotseling zoo gekomen, evenals een andere brand
ook plotseling uitbarst, en het zonderlingste van de zaak was, dat de
molenaarsdochter, de aardige Babette, er zelf geen vermoeden van had:
zij en Rudy hadden nooit een enkel woord met elkaar gesproken.
De molenaar was rijk, en deze rijkdom maakte, dat Babette zeer hoog
zat en moeilijk te grijpen was; maar niets zit zoo hoog, of men
kan het wel bereiken; men moet maar klauteren; vallen zal men niet,
als men het zich maar niet verbeeldt. Deze les was hem reeds in zijn
kindsheid ingeprent.
Het trof toevallig eens juist zoo, dat Rudy iets te Bex te doen
had; het was daarheen een heele reis; want de spoorweg was destijds
nog niet tot stand gekomen. Van de Rhône gletscher langs den voet
van den Simplon, tusschen vele afwisselende berghoogten, strekt
zich het breede Wallisdal uit met zijn trotsche rivier, de Rhône,
die dikwijls buiten haar oevers treedt en over velden en wegen
voortstroomt, terwijl zij alles in haar vaart meesleept. Tusschen
de stadjes Sion en Saint-Maurice maakt het dal een kromming, buigt
zich als een elleboog, en wordt achter Saint-Maurice zoo smal, dat
er slechts plaats voor de rivier en voor den smallen weg is. Een
oude toren staat hier als schildwacht voor het kanton Walliserland,
dat hier eindigt, en ziet over de gemetselde brug naar het tolhuis
aan den anderen kant; daar begint het kanton Waadland, en de naaste,
niet ver verwijderde stad is Bex. Hier nu ziet men bij iederen stap,
dien men doet, overal weelde en overvloed, men bevindt zich als in
een tuin van kastanje- en walnoteboomen; hier en daar komen cipressen
en granaatbloesems te voorschijn: er heerscht hier eene zuidelijke
warmte, alsof men zich in Italië bevond.
Rudy kwam te Bex aan, deed, wat hij daar te verrichten had, en keek
eens in de stad rond; maar geen molenaarsknecht, laat staan dan
Babette, kreeg hij te zien.
Het werd avond, de lucht was vervuld met den geur van den wilden tijm
en de bloeiende linde; om de met boomen begroeide bergen lag als het
ware een schemerende, blauwe sluier verspreid; er heerschte wijd en
zijd een stilte, niet die van den slaap of den dood, neen, het was,
alsof de gansche natuur den adem inhield, alsof zij gevoelde, dat
zij zich stil moest houden, opdat haar beeld op den blauwen grond
van den hemel zou gephotographeerd worden. Hier en daar, tusschen de
boomen op het groene veld, stonden palen, waarop een telegraafdraad,
die door het stille dal gelegd is, rustte; tegen een dier palen leunde
een voorwerp, zoo onbeweeglijk, dat men het best voor een boomstam
had kunnen houden; het was Rudy, die hier even stil stond, als op
dit oogenblik de geheele omgeving; hij sliep niet, nog minder was hij
dood, maar evenals er dikwijls groote wereldgebeurtenissen langs den
telegraafdraad vliegen,--levensmomenten van gewicht voor den enkele,
zonder dat de draad dit door sidderen of door een geluid verraadt,--zoo
doortrilden Rudy machtige, overweldigende gedachten: het geluk zijns
levens, van nu af zijn bestendige gedachte. Zijn oogen vestigden zich
op een punt, een licht, dat tusschen het loof in de woonkamer van den
molenaar, waar Babette woonde, te voorschijn kwam. Zoo stil als Rudy
hier stond, zou men hebben kunnen denken, dat hij op een gems mikte;
maar hij zelf was op dit oogenblik als de gems, die minuten lang,
als uit de rots gehouwen, stil kan staan, totdat zij plotseling,
wanneer er een steen naar beneden rolt, opspringt en wegsnelt; en
zoo ging het met Rudy ook; er rolde een gedachte in hem.
«Nooit versagen!» riep hij uit. «Een bezoek in den molen! Goeden
avond, molenaar! Goeden avond, Babette! Men valt niet naar beneden,
als men het zich maar niet verbeeldt! Babette moet mij toch eenmaal
zien, als ik haar man zal worden!»
Rudy lachte, hij was goedsmoeds en liep naar den molen toe; hij wist,
wat hij wilde: hij wilde Babette hebben.
De rivier met den witachtig gelen grond bruiste voort, wilgen en linden
hingen over de snelvlietende wateren heen; Rudy liep het pad op naar
het huis van den molenaar toe.--Maar, zooals, de kinderen zingen:
«Niemand was er thuis,
Dan 't katjen en de muis!»
De huiskat stond op de trap, kromde den rug en zeide: «Miauw!» maar
Rudy had geen ooren naar deze taal; hij klopte aan, niemand hoorde hem,
niemand deed de deur voor hem open. «Miauw!» zei de kat. Als Rudy nog
een kind geweest was, dan zou hij die taal wel verstaan en begrepen
hebben, dat de kat zeide: «Hier is niemand thuis!» Maar nu moest
hij naar den molen toe, om te vragen, en daar kreeg hij het bericht,
dat de molenaar op reis gegaan was, ver weg naar Interlaken, en dat
Babette met hem meegegaan was; daar was een groot schuttersfeest,
dat den volgenden morgen begon en acht dagen lang duurde. Menschen
uit alle Duitsche kantons zouden daar zijn.
Die arme Rudy, kon men zeggen; hij had geen gelukkigen dag voor
zijn bezoek te Bex gekozen, hij kon nu weer terugkeeren; en dat deed
hij dan ook en begaf zich over Saint-Maurice en Sion naar zijn dal,
naar zijn bergen toe, maar wanhopen deed hij niet. Toen de zon den
volgenden morgen opging, was zijn goede luim al lang opgegaan, deze
was nog nooit verdwenen.
«Babette is te Interlaken, vele dagreizen van hier,» zeide hij bij zich
zelf. «Het is een verre tocht daarheen, als men den breeden straatweg
langs gaat, maar het is niet zoo ver, als men over de bergen klimt, en
dat is juist een weg voor een gemzenjager! Dien weg ben ik vroeger ook
al eens gegaan, daarboven is mijn vaderland, waar ik als kind bij mijn
grootvader gewoond heb; en te Interlaken is een schuttersfeest! Ik wil
daarbij zijn, ik wil de eerste zijn, en bij Babette wil ik ook zijn,
als ik eerst kennis met haar gemaakt heb!»
Met zijn lichten ransel, waarin zijn Zondagspak zat, op den rug,
met geweer en weitasch om den schouder, klom Rudy den berg op, den
korten weg, die toch vrij lang was, maar het schuttersfeest was eerst
op dezen dag begonnen en zou de geheele week en nog langer duren;
gedurende dezen geheelen tijd bleven de molenaar en Babette bij hun
bloedverwanten te Interlaken, had men hem gezegd. Rudy liep over den
Gemmi heen, hij wilde bij Grindelwald naar beneden klimmen.
Frisch en vroolijk klauterde hij tegen de bergen op en genoot de
frissche, lichte, versterkende berglucht. Het dal daalde al dieper en
dieper, zijn gezichtskring verruimde zich; hier een sneeuwtop, daar
weer eer, en al spoedig de schemerend witte Alpenketen. Rudy kende
iederen berg, hij ging op den Schreckhorn af, die zijn witgepoederde
vingers hoog in de blauwe lucht steekt.
Eindelijk was hij op den hoogen bergrug; de grazige weiden strekten
zich uit naar het dal van zijn vroegere woonplaats; de lucht was
licht, zijn hart was licht; berg en dal waren vol bloemen en groen,
zijn hart was vol jeugdig gevoel, waarbij geen ouderdom en geen dood
te pas komen: leven, heerschen, genieten! Vrij als een vogel, luchtig
als een vogel was hij. En de zwaluwen vlogen hem voorbij en zongen,
evenals zij in zijn kindsheid gezongen hadden: «Wij en gij! Gij en
wij!» Alles was vreugde en blijdschap.
Daar beneden strekte zich de fluweelachtig groene weide uit, bezaaid
met bruine houten huizen, de Lütschine gonsde en bruiste. Hij zag den
gletscher met zijn glasgroene randen en de smerige sneeuw, zag in de
diepe kloven, zag den bovensten en ook den ondersten gletscher. De
kerkklokken klonken hem in de ooren, als wilden zij hem een welkom in
het land, waar hij zijn jeugd doorgebracht had, toeroepen; zijn hart
klopte heviger en breidde zich dermate uit, dat Babette daarin voor
een oogenblik geheel verdween, zoo ruim werd zijn hart, zoo vervuld
van herinneringen.
Hij liep weer langs den weg voort, waar hij als een kleine jongen met
de andere kinderen gestaan en gesneden huisjes verkocht had. Daar
boven, achter de dennen, stond het huis van zijn grootvader van
moederszijde nog, vreemde menschen woonden nu daarin. Kinderen kwamen
hem op den weg te gemoet loopen, zij wilden handel drijven, een bood
hem een Alpenroos aan. Rudy nam deze roos als een gunstig voorteeken
aan en dacht aan Babette. Al spoedig was hij over de brug, waar de
beide Lütschines zich vereenigen; het geboomte wordt hier al dichter,
de walnoteboomen geven schaduw. Nu zag hij de wapperende vlaggen,
het witte kruis op het roode veld, zooals de Zwitser en de Deen het
hebben; en voor hem lag Interlaken.
Dat was een prachtige stad, zooals er geen andere bestond, dacht Rudy,
een Zwitsersch stadje in Zondagsgewaad. Dat zag er niet uit als de
andere steden, log, een troep zware steenhoopen, vreemd en voornaam;
neen, hier zag het er uit, alsof de houten huizen van de bergen in het
groene dal geloopen waren en zich langs den helderen, snelvlietenden
stroom in het gelid geschaard hadden, wel een weinig ongeregeld, maar
toch altijd zoo, dat zij een mooie straat vormden. De prachtigste van
alle straten was als het ware uit den grond opgerezen, sedert Rudy hier
als knaap geweest was; het scheen hem toe, alsof zij ontstaan was uit
al de lieve huisjes, die zijn grootvader gesneden had en waarmee de
kast te huis opgevuld was, alsof deze zich daar neergezet hadden en
krachtig opgegroeid waren, evenals de oude kastanjeboomen. Ieder huis
was een hotel, zooals het genoemd werd, met uitgesneden houtwerk om de
ramen en den gevel, met een vooruitspringend dak, keurig en sierlijk,
en voor ieder huis was een bloemtuin aan den kant van de met steenen
geplaveide straat; langs deze stonden de huizen, maar slechts aan
den eenen kant; zij zouden anders de frissche, groene weiden aan het
gezicht onttrokken hebben, waarin de koeien rondliepen met klokjes om
den hals, die als op de hooge Alpen klonken. De weiden waren door hooge
bergen omgeven, die in het midden als het ware op zijde traden, zoodat
men zeer duidelijk den schitterenden, met sneeuw bedekten berg, de
Jungfrau, de schoonst gevormde van alle Zwitsersche bergen, kon zien.
Welk een menigte opgepronkte heeren en dames uit vreemde landen,
welk een gewemel van landlieden uit de verschillende kantons! Ieder
schutter droeg zijn schietnummer in een krans op den hoed. Hier was
muziek en gezang, lieren, trompetten, geschreeuw en rumoer. Huizen
en bruggen waren met zinnebeelden en verzen versierd; er wapperden
vaandels en vlaggen, de buksen deden haar geknal onafgebroken hooren,
en de schoten waren in Rudy's ooren de mooiste muziek. Hij vergat in
deze bonte verwarring Babette geheel, ofschoon hij toch om harentwil
hier naar toe gegaan was.
De schutters begonnen nu met het schijfschieten. Rudy stond al
spoedig onder hen en was de behendigste, de gelukkigste van allen;
altijd was zijn schot raak.
«Wie zou toch die vreemde jonge jager zijn?» vroeg men. «Hij spreekt
het Fransch, dat zij in het kanton Walliserland spreken.»--«Hij
weet zich ook heel goed in ons Duitsch te doen verstaan,» zeiden
enkelen.--«Als kind moet hij hier in de omstreken te Grindelwald
gewoond hebben,» wist een der jagers te vertellen.
En vol leven was deze vreemde jongeling: zijn oogen fonkelden, zijn
blik en zijn arm waren zeker, daarom raakte hij ook. Het geluk geeft
moed, en moed had Rudy immers altijd. Al spoedig had hij hier een
kring van vrienden om zich verzameld, men eerde hem, ja, men bewees
hem hulde,--Babette was hem heelemaal uit de gedachten gegaan. Daar
klopte een hand hem op den schouder, en een zware stem sprak hem in
de Fransche taal aan.
«Zijt ge uit het kanton Walliserland?»
Rudy keerde zich om en zag een rood, vergenoegd gezicht, een dik man:
het was de rijke molenaar uit Bex; met zijn gezet lichaam verborg
hij de teedere, lieve Babette, die echter al spoedig te voorschijn
kwam kijken met haar fonkelende, donkere oogen. Het had den rijken
molenaar gestreeld, dat het een jager uit zijn kanton was, die de
beste schoten deed en door al de anderen geëerd werd. Nu, Rudy was
wel een gelukskind: datgene, waarom hij hierheen vertrokken was,
maar nu zelf bijna vergeten had, dat zocht hem op.
Als landslieden elkaar ver van hun vaderland ontmoeten, dan knoopen
zij een gesprek aan en maken kennis met elkander. Rudy was door zijn
schoten de eerste van het schuttersfeest, gelijk de molenaar te Bex
de eerste door zijn geld en zijn goeden molen was. Zoo drukten de
beide mannen elkaar de hand, hetgeen zij vroeger nooit gedaan hadden;
ook Babette stak Rudy onbeschroomd de hand toe, en hij drukte haar
hand en keek haar met een onafgewenden blik aan, zoodat zij daardoor
hevig bloosde.
De molenaar vertelde van den langen weg, dien zij hierheen gereisd
hadden, en van de vele groote steden, die zij hadden gezien; zij hadden
naar zijn meening een verre reis gedaan en waren met de stoomboot,
met den spoortrein en ook met de diligence gereisd.
«Ik ben den kortsten weg gegaan,» zeide Rudy. «Ik ben over de bergen
gekomen; geen weg is zoo hoog, of men kan dien wel langs.»
«Maar ook den nek breken!» zei de molenaar. «En gij ziet er mij juist
naar uit, alsof ge den nek nog eens zoudt breken, zoo stoutmoedig
als ge zijt!»
«O, men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt!»
zei Rudy.
De bloedverwanten van den molenaar te Interlaken, waarbij de molenaar
en Babette te logeeren waren, noodigden Rudy uit, een bezoek bij hen
af te leggen: hij was immers uit hetzelfde kanton als de molenaar. Dat
was voor Rudy een gewenscht aanbod, het geluk was hem gunstig, gelijk
het altijd dengene gunstig is, die op zich zelf bouwt en bedenkt,
dat «God ons de noten geeft, maar ze niet voor ons kraakt.»
Rudy zat daar bij de bloedverwanten van den molenaar, alsof hij
ook tot de familie behoorde, en een glas werd er leeggedronken op
het welzijn van den besten schutter; Babette klonk ook mee, en Rudy
bedankte voor den toost.
Tegen den avond wandelden allen langs de prachtige huizen onder de
oude walnoteboomen, en er waren daar zoo vele menschen en zulk een
gedrang, dat Rudy Babette zijn arm moest aanbieden. Hij verheugde er
zich zoozeer over, dat hij menschen uit Waadland aangetroffen had,
zei hij. Waadland en Walliserland waren naburige kantons, die met
elkaar op een goeden voet stonden. Hij sprak deze blijdschap zoo
hartelijk uit, dat Babette zich niet kon weerhouden, hem daarvoor de
hand te drukken. Zij liepen naast elkaar, als waren zij oude kennissen;
zij sprak en vertelde, en het ging haar heel goed af, meende Rudy,
zooals zij het belachelijke en overdrevene in de kleeding en den
gang der vreemde dames deed uitkomen; zij deed dit volstrekt niet om
te spotten, want er konden rechtschapen, ja, lieve, goede menschen
onder zijn, dat wist Babette wel, zij had immers zelf een petemoei,
die zulk een deftige Engelsche dame was. Voor achttien jaren, toen
Babette gedoopt werd, was deze petemoei te Bex geweest; zij had Babette
de kostbare doekspeld gegeven, die zij op haar borst droeg. Tweemaal
had de petemoei geschreven, en dit jaar had Babette gedacht haar en
haar dochters hier te Interlaken te ontmoeten; deze dochters, waren
ongetrouwd en al oud, dicht bij de dertig, zei Babette,--zij telde
immers nog maar achttien jaren.
Haar kleine mond stond geen oogenblik stil, en alles, wat Babette
zei, klonk Rudy in de ooren als dingen van het uiterste gewicht, en
hij vertelde weer, wat hij te vertellen had, hoe dikwijls hij te Bex
geweest was, hoe goed hij den molen kende en hoe dikwijls hij Babette
gezien had, terwijl zij hem waarschijnlijk nooit had opgemerkt; en
onlangs, toen hij in den molen geweest was en wel met vele gedachten,
die hij niet kon uitspreken, waren zij en haar vader afwezig, ver weg,
maar toch niet zoover, dat men niet over den muur zou hebben kunnen
klimmen, die den weg lang maakte.
Ja, dat zei hij, en hij zei veel meer; hij zei, hoe graag hij haar
mocht lijden,--en dat hij ter wille van haar en niet ter wille van
het schuttersfeest gekomen was.
Babette zweeg bij dit alles; het was haar, alsof hij haar te hoog
ophemelde.
Terwijl zij daar voortliepen, daalde de zon achter den hoogen rotswand
neer. De Jungfrau stond daar in pracht en glans, omgeven door den
boschrijken krans der naburige bergen. Alle menschen bleven staan en
sloegen de schoonheid der natuur gade; ook Rudy en Babette vermeiden
zich daarin.
«Nergens is het schooner dan hier!» zei Babette.
«Nergens!» zei Rudy en keek Babette aan.
«Morgen moet ik naar huis terug!» zei hij eenige oogenblikken later.
«Kom ons te Bex eens opzoeken!» fluisterde Babette. «Het zal vader
zeker genoegen doen.»