IV.

Babette.

Wie is de beste schutter in het kanton Walliserland? Dat wisten de

gemzen wel. «Wacht je voor Rudy!» konden zij zeggen. Wie is de knapste

schutter? «Dat is Rudy!» zeiden de meisjes, maar zij zeiden niet:

«Wacht je voor Rudy!» Dat zeiden de bedaagde moedertjes niet eens,

want hij knikte ze even vriendelijk toe als de jonge meisjes. Wat was

hij stoutmoedig en vroolijk! Zijn wangen waren door de zon verbrand,

zijn tanden frisch en wit, zijn oogen gitzwart; hij was een knappe

jongen en twintig jaar oud. Het ijskoude water hinderde hem niet,

als hij zwom; als een visch kon hij zich in het water wenden en

keeren, en klauteren kon hij als een aap, zich aan den rotswand

vastklemmen als een slak; goede spieren en zenuwen had hij, en dat

toonde hij ook door den sprong, dien hij eerst van den kater en

later van de gems geleerd had. Rudy was de beste gids, waaraan men

zich kon toevertrouwen; hij zou zich een geheel vermogen als gids

kunnen verwerven; het kuipersambacht, dat zijn oom hem ook geleerd

had, beviel hem echter niet; zijn lust was de gemzenjacht, en deze

bracht hem ook geld op. Rudy was een goede partij, zooals men zeide,

als hij maar niet met een meisje boven zijn stand wilde trouwen. Hij

was een danser, van wien de meisjes droomden, en dien deze en gene

zelfs wakend in haar gedachten omdroegen.

«Mij heeft hij onder het dansen een kus gegeven!» zei Annette van

den schoolmeester tegen haar beste vriendin; maar dat had zij niet

moeten zeggen, zelfs niet tegen haar beste vriendin. Het gaat niet

gemakkelijk, zulke dingen geheim te houden; het is als zand in een

zeef, het loopt er doorheen; en spoedig was het bekend, dat Rudy,

hoe braaf en goed hij ook was, onder het dansen kuste, en toch had

hij niet eens diegene gekust, die hij het liefst had willen kussen.

«Ja!» zei een oude jager, «hij heeft Annette gekust; hij is met A

begonnen en zal het heele ABC wel doorkussen!»

Een kus onder het dansen was alles, wat de roerige tongen tot dusverre

tegen hem wisten in te brengen; hij had Annette wel is waar gekust,

en toch was zij niet de bloem van zijn hart.

Beneden in het dal bij Bex, tusschen de hooge walnoteboomen, bij een

kleinen, snelvlietenden bergstroom, woonde de rijke molenaar; het

woonhuis was een groot gebouw en had drie verdiepingen met kleine

torentjes, die met hout bedekt en met zinken platen belegd waren,

welke in den zonne- en maneschijn glinsterden. Op het grootste der

torentjes stond een windwijzer, een pijl, die een appel doorboord had:

dat moest aan het schot van Tell herinneren. De molen zag er netjes en

welvarend uit; deze liet zich ook uitteekenen en beschrijven, maar de

dochter van den molenaar liet zich niet uitteekenen en beschrijven:

zoo zou Rudy ten minste gezegd hebben, en toch stond zij in zijn

hart uitgeteekend; haar oogen fonkelden daar, zoo, dat er een waar

vuur in was; dat was plotseling zoo gekomen, evenals een andere brand

ook plotseling uitbarst, en het zonderlingste van de zaak was, dat de

molenaarsdochter, de aardige Babette, er zelf geen vermoeden van had:

zij en Rudy hadden nooit een enkel woord met elkaar gesproken.

De molenaar was rijk, en deze rijkdom maakte, dat Babette zeer hoog

zat en moeilijk te grijpen was; maar niets zit zoo hoog, of men

kan het wel bereiken; men moet maar klauteren; vallen zal men niet,

als men het zich maar niet verbeeldt. Deze les was hem reeds in zijn

kindsheid ingeprent.

Het trof toevallig eens juist zoo, dat Rudy iets te Bex te doen

had; het was daarheen een heele reis; want de spoorweg was destijds

nog niet tot stand gekomen. Van de Rhône gletscher langs den voet

van den Simplon, tusschen vele afwisselende berghoogten, strekt

zich het breede Wallisdal uit met zijn trotsche rivier, de Rhône,

die dikwijls buiten haar oevers treedt en over velden en wegen

voortstroomt, terwijl zij alles in haar vaart meesleept. Tusschen

de stadjes Sion en Saint-Maurice maakt het dal een kromming, buigt

zich als een elleboog, en wordt achter Saint-Maurice zoo smal, dat

er slechts plaats voor de rivier en voor den smallen weg is. Een

oude toren staat hier als schildwacht voor het kanton Walliserland,

dat hier eindigt, en ziet over de gemetselde brug naar het tolhuis

aan den anderen kant; daar begint het kanton Waadland, en de naaste,

niet ver verwijderde stad is Bex. Hier nu ziet men bij iederen stap,

dien men doet, overal weelde en overvloed, men bevindt zich als in

een tuin van kastanje- en walnoteboomen; hier en daar komen cipressen

en granaatbloesems te voorschijn: er heerscht hier eene zuidelijke

warmte, alsof men zich in Italië bevond.

Rudy kwam te Bex aan, deed, wat hij daar te verrichten had, en keek

eens in de stad rond; maar geen molenaarsknecht, laat staan dan

Babette, kreeg hij te zien.

Het werd avond, de lucht was vervuld met den geur van den wilden tijm

en de bloeiende linde; om de met boomen begroeide bergen lag als het

ware een schemerende, blauwe sluier verspreid; er heerschte wijd en

zijd een stilte, niet die van den slaap of den dood, neen, het was,

alsof de gansche natuur den adem inhield, alsof zij gevoelde, dat

zij zich stil moest houden, opdat haar beeld op den blauwen grond

van den hemel zou gephotographeerd worden. Hier en daar, tusschen de

boomen op het groene veld, stonden palen, waarop een telegraafdraad,

die door het stille dal gelegd is, rustte; tegen een dier palen leunde

een voorwerp, zoo onbeweeglijk, dat men het best voor een boomstam

had kunnen houden; het was Rudy, die hier even stil stond, als op

dit oogenblik de geheele omgeving; hij sliep niet, nog minder was hij

dood, maar evenals er dikwijls groote wereldgebeurtenissen langs den

telegraafdraad vliegen,--levensmomenten van gewicht voor den enkele,

zonder dat de draad dit door sidderen of door een geluid verraadt,--zoo

doortrilden Rudy machtige, overweldigende gedachten: het geluk zijns

levens, van nu af zijn bestendige gedachte. Zijn oogen vestigden zich

op een punt, een licht, dat tusschen het loof in de woonkamer van den

molenaar, waar Babette woonde, te voorschijn kwam. Zoo stil als Rudy

hier stond, zou men hebben kunnen denken, dat hij op een gems mikte;

maar hij zelf was op dit oogenblik als de gems, die minuten lang,

als uit de rots gehouwen, stil kan staan, totdat zij plotseling,

wanneer er een steen naar beneden rolt, opspringt en wegsnelt; en

zoo ging het met Rudy ook; er rolde een gedachte in hem.

«Nooit versagen!» riep hij uit. «Een bezoek in den molen! Goeden

avond, molenaar! Goeden avond, Babette! Men valt niet naar beneden,

als men het zich maar niet verbeeldt! Babette moet mij toch eenmaal

zien, als ik haar man zal worden!»

Rudy lachte, hij was goedsmoeds en liep naar den molen toe; hij wist,

wat hij wilde: hij wilde Babette hebben.

De rivier met den witachtig gelen grond bruiste voort, wilgen en linden

hingen over de snelvlietende wateren heen; Rudy liep het pad op naar

het huis van den molenaar toe.--Maar, zooals, de kinderen zingen:

«Niemand was er thuis,

Dan 't katjen en de muis!»

De huiskat stond op de trap, kromde den rug en zeide: «Miauw!» maar

Rudy had geen ooren naar deze taal; hij klopte aan, niemand hoorde hem,

niemand deed de deur voor hem open. «Miauw!» zei de kat. Als Rudy nog

een kind geweest was, dan zou hij die taal wel verstaan en begrepen

hebben, dat de kat zeide: «Hier is niemand thuis!» Maar nu moest

hij naar den molen toe, om te vragen, en daar kreeg hij het bericht,

dat de molenaar op reis gegaan was, ver weg naar Interlaken, en dat

Babette met hem meegegaan was; daar was een groot schuttersfeest,

dat den volgenden morgen begon en acht dagen lang duurde. Menschen

uit alle Duitsche kantons zouden daar zijn.

Die arme Rudy, kon men zeggen; hij had geen gelukkigen dag voor

zijn bezoek te Bex gekozen, hij kon nu weer terugkeeren; en dat deed

hij dan ook en begaf zich over Saint-Maurice en Sion naar zijn dal,

naar zijn bergen toe, maar wanhopen deed hij niet. Toen de zon den

volgenden morgen opging, was zijn goede luim al lang opgegaan, deze

was nog nooit verdwenen.

«Babette is te Interlaken, vele dagreizen van hier,» zeide hij bij zich

zelf. «Het is een verre tocht daarheen, als men den breeden straatweg

langs gaat, maar het is niet zoo ver, als men over de bergen klimt, en

dat is juist een weg voor een gemzenjager! Dien weg ben ik vroeger ook

al eens gegaan, daarboven is mijn vaderland, waar ik als kind bij mijn

grootvader gewoond heb; en te Interlaken is een schuttersfeest! Ik wil

daarbij zijn, ik wil de eerste zijn, en bij Babette wil ik ook zijn,

als ik eerst kennis met haar gemaakt heb!»

Met zijn lichten ransel, waarin zijn Zondagspak zat, op den rug,

met geweer en weitasch om den schouder, klom Rudy den berg op, den

korten weg, die toch vrij lang was, maar het schuttersfeest was eerst

op dezen dag begonnen en zou de geheele week en nog langer duren;

gedurende dezen geheelen tijd bleven de molenaar en Babette bij hun

bloedverwanten te Interlaken, had men hem gezegd. Rudy liep over den

Gemmi heen, hij wilde bij Grindelwald naar beneden klimmen.

Frisch en vroolijk klauterde hij tegen de bergen op en genoot de

frissche, lichte, versterkende berglucht. Het dal daalde al dieper en

dieper, zijn gezichtskring verruimde zich; hier een sneeuwtop, daar

weer eer, en al spoedig de schemerend witte Alpenketen. Rudy kende

iederen berg, hij ging op den Schreckhorn af, die zijn witgepoederde

vingers hoog in de blauwe lucht steekt.

Eindelijk was hij op den hoogen bergrug; de grazige weiden strekten

zich uit naar het dal van zijn vroegere woonplaats; de lucht was

licht, zijn hart was licht; berg en dal waren vol bloemen en groen,

zijn hart was vol jeugdig gevoel, waarbij geen ouderdom en geen dood

te pas komen: leven, heerschen, genieten! Vrij als een vogel, luchtig

als een vogel was hij. En de zwaluwen vlogen hem voorbij en zongen,

evenals zij in zijn kindsheid gezongen hadden: «Wij en gij! Gij en

wij!» Alles was vreugde en blijdschap.

Daar beneden strekte zich de fluweelachtig groene weide uit, bezaaid

met bruine houten huizen, de Lütschine gonsde en bruiste. Hij zag den

gletscher met zijn glasgroene randen en de smerige sneeuw, zag in de

diepe kloven, zag den bovensten en ook den ondersten gletscher. De

kerkklokken klonken hem in de ooren, als wilden zij hem een welkom in

het land, waar hij zijn jeugd doorgebracht had, toeroepen; zijn hart

klopte heviger en breidde zich dermate uit, dat Babette daarin voor

een oogenblik geheel verdween, zoo ruim werd zijn hart, zoo vervuld

van herinneringen.

Hij liep weer langs den weg voort, waar hij als een kleine jongen met

de andere kinderen gestaan en gesneden huisjes verkocht had. Daar

boven, achter de dennen, stond het huis van zijn grootvader van

moederszijde nog, vreemde menschen woonden nu daarin. Kinderen kwamen

hem op den weg te gemoet loopen, zij wilden handel drijven, een bood

hem een Alpenroos aan. Rudy nam deze roos als een gunstig voorteeken

aan en dacht aan Babette. Al spoedig was hij over de brug, waar de

beide Lütschines zich vereenigen; het geboomte wordt hier al dichter,

de walnoteboomen geven schaduw. Nu zag hij de wapperende vlaggen,

het witte kruis op het roode veld, zooals de Zwitser en de Deen het

hebben; en voor hem lag Interlaken.

Dat was een prachtige stad, zooals er geen andere bestond, dacht Rudy,

een Zwitsersch stadje in Zondagsgewaad. Dat zag er niet uit als de

andere steden, log, een troep zware steenhoopen, vreemd en voornaam;

neen, hier zag het er uit, alsof de houten huizen van de bergen in het

groene dal geloopen waren en zich langs den helderen, snelvlietenden

stroom in het gelid geschaard hadden, wel een weinig ongeregeld, maar

toch altijd zoo, dat zij een mooie straat vormden. De prachtigste van

alle straten was als het ware uit den grond opgerezen, sedert Rudy hier

als knaap geweest was; het scheen hem toe, alsof zij ontstaan was uit

al de lieve huisjes, die zijn grootvader gesneden had en waarmee de

kast te huis opgevuld was, alsof deze zich daar neergezet hadden en

krachtig opgegroeid waren, evenals de oude kastanjeboomen. Ieder huis

was een hotel, zooals het genoemd werd, met uitgesneden houtwerk om de

ramen en den gevel, met een vooruitspringend dak, keurig en sierlijk,

en voor ieder huis was een bloemtuin aan den kant van de met steenen

geplaveide straat; langs deze stonden de huizen, maar slechts aan

den eenen kant; zij zouden anders de frissche, groene weiden aan het

gezicht onttrokken hebben, waarin de koeien rondliepen met klokjes om

den hals, die als op de hooge Alpen klonken. De weiden waren door hooge

bergen omgeven, die in het midden als het ware op zijde traden, zoodat

men zeer duidelijk den schitterenden, met sneeuw bedekten berg, de

Jungfrau, de schoonst gevormde van alle Zwitsersche bergen, kon zien.

Welk een menigte opgepronkte heeren en dames uit vreemde landen,

welk een gewemel van landlieden uit de verschillende kantons! Ieder

schutter droeg zijn schietnummer in een krans op den hoed. Hier was

muziek en gezang, lieren, trompetten, geschreeuw en rumoer. Huizen

en bruggen waren met zinnebeelden en verzen versierd; er wapperden

vaandels en vlaggen, de buksen deden haar geknal onafgebroken hooren,

en de schoten waren in Rudy's ooren de mooiste muziek. Hij vergat in

deze bonte verwarring Babette geheel, ofschoon hij toch om harentwil

hier naar toe gegaan was.

De schutters begonnen nu met het schijfschieten. Rudy stond al

spoedig onder hen en was de behendigste, de gelukkigste van allen;

altijd was zijn schot raak.

«Wie zou toch die vreemde jonge jager zijn?» vroeg men. «Hij spreekt

het Fransch, dat zij in het kanton Walliserland spreken.»--«Hij

weet zich ook heel goed in ons Duitsch te doen verstaan,» zeiden

enkelen.--«Als kind moet hij hier in de omstreken te Grindelwald

gewoond hebben,» wist een der jagers te vertellen.

En vol leven was deze vreemde jongeling: zijn oogen fonkelden, zijn

blik en zijn arm waren zeker, daarom raakte hij ook. Het geluk geeft

moed, en moed had Rudy immers altijd. Al spoedig had hij hier een

kring van vrienden om zich verzameld, men eerde hem, ja, men bewees

hem hulde,--Babette was hem heelemaal uit de gedachten gegaan. Daar

klopte een hand hem op den schouder, en een zware stem sprak hem in

de Fransche taal aan.

«Zijt ge uit het kanton Walliserland?»

Rudy keerde zich om en zag een rood, vergenoegd gezicht, een dik man:

het was de rijke molenaar uit Bex; met zijn gezet lichaam verborg

hij de teedere, lieve Babette, die echter al spoedig te voorschijn

kwam kijken met haar fonkelende, donkere oogen. Het had den rijken

molenaar gestreeld, dat het een jager uit zijn kanton was, die de

beste schoten deed en door al de anderen geëerd werd. Nu, Rudy was

wel een gelukskind: datgene, waarom hij hierheen vertrokken was,

maar nu zelf bijna vergeten had, dat zocht hem op.

Als landslieden elkaar ver van hun vaderland ontmoeten, dan knoopen

zij een gesprek aan en maken kennis met elkander. Rudy was door zijn

schoten de eerste van het schuttersfeest, gelijk de molenaar te Bex

de eerste door zijn geld en zijn goeden molen was. Zoo drukten de

beide mannen elkaar de hand, hetgeen zij vroeger nooit gedaan hadden;

ook Babette stak Rudy onbeschroomd de hand toe, en hij drukte haar

hand en keek haar met een onafgewenden blik aan, zoodat zij daardoor

hevig bloosde.

De molenaar vertelde van den langen weg, dien zij hierheen gereisd

hadden, en van de vele groote steden, die zij hadden gezien; zij hadden

naar zijn meening een verre reis gedaan en waren met de stoomboot,

met den spoortrein en ook met de diligence gereisd.

«Ik ben den kortsten weg gegaan,» zeide Rudy. «Ik ben over de bergen

gekomen; geen weg is zoo hoog, of men kan dien wel langs.»

«Maar ook den nek breken!» zei de molenaar. «En gij ziet er mij juist

naar uit, alsof ge den nek nog eens zoudt breken, zoo stoutmoedig

als ge zijt!»

«O, men valt niet naar beneden, als men het zich maar niet verbeeldt!»

zei Rudy.

De bloedverwanten van den molenaar te Interlaken, waarbij de molenaar

en Babette te logeeren waren, noodigden Rudy uit, een bezoek bij hen

af te leggen: hij was immers uit hetzelfde kanton als de molenaar. Dat

was voor Rudy een gewenscht aanbod, het geluk was hem gunstig, gelijk

het altijd dengene gunstig is, die op zich zelf bouwt en bedenkt,

dat «God ons de noten geeft, maar ze niet voor ons kraakt.»

Rudy zat daar bij de bloedverwanten van den molenaar, alsof hij

ook tot de familie behoorde, en een glas werd er leeggedronken op

het welzijn van den besten schutter; Babette klonk ook mee, en Rudy

bedankte voor den toost.

Tegen den avond wandelden allen langs de prachtige huizen onder de

oude walnoteboomen, en er waren daar zoo vele menschen en zulk een

gedrang, dat Rudy Babette zijn arm moest aanbieden. Hij verheugde er

zich zoozeer over, dat hij menschen uit Waadland aangetroffen had,

zei hij. Waadland en Walliserland waren naburige kantons, die met

elkaar op een goeden voet stonden. Hij sprak deze blijdschap zoo

hartelijk uit, dat Babette zich niet kon weerhouden, hem daarvoor de

hand te drukken. Zij liepen naast elkaar, als waren zij oude kennissen;

zij sprak en vertelde, en het ging haar heel goed af, meende Rudy,

zooals zij het belachelijke en overdrevene in de kleeding en den

gang der vreemde dames deed uitkomen; zij deed dit volstrekt niet om

te spotten, want er konden rechtschapen, ja, lieve, goede menschen

onder zijn, dat wist Babette wel, zij had immers zelf een petemoei,

die zulk een deftige Engelsche dame was. Voor achttien jaren, toen

Babette gedoopt werd, was deze petemoei te Bex geweest; zij had Babette

de kostbare doekspeld gegeven, die zij op haar borst droeg. Tweemaal

had de petemoei geschreven, en dit jaar had Babette gedacht haar en

haar dochters hier te Interlaken te ontmoeten; deze dochters, waren

ongetrouwd en al oud, dicht bij de dertig, zei Babette,--zij telde

immers nog maar achttien jaren.

Haar kleine mond stond geen oogenblik stil, en alles, wat Babette

zei, klonk Rudy in de ooren als dingen van het uiterste gewicht, en

hij vertelde weer, wat hij te vertellen had, hoe dikwijls hij te Bex

geweest was, hoe goed hij den molen kende en hoe dikwijls hij Babette

gezien had, terwijl zij hem waarschijnlijk nooit had opgemerkt; en

onlangs, toen hij in den molen geweest was en wel met vele gedachten,

die hij niet kon uitspreken, waren zij en haar vader afwezig, ver weg,

maar toch niet zoover, dat men niet over den muur zou hebben kunnen

klimmen, die den weg lang maakte.

Ja, dat zei hij, en hij zei veel meer; hij zei, hoe graag hij haar

mocht lijden,--en dat hij ter wille van haar en niet ter wille van

het schuttersfeest gekomen was.

Babette zweeg bij dit alles; het was haar, alsof hij haar te hoog

ophemelde.

Terwijl zij daar voortliepen, daalde de zon achter den hoogen rotswand

neer. De Jungfrau stond daar in pracht en glans, omgeven door den

boschrijken krans der naburige bergen. Alle menschen bleven staan en

sloegen de schoonheid der natuur gade; ook Rudy en Babette vermeiden

zich daarin.

«Nergens is het schooner dan hier!» zei Babette.

«Nergens!» zei Rudy en keek Babette aan.

«Morgen moet ik naar huis terug!» zei hij eenige oogenblikken later.

«Kom ons te Bex eens opzoeken!» fluisterde Babette. «Het zal vader

zeker genoegen doen.»

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 62 / 83 题