De reis naar de nieuwe woning.
Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen
in het Rhônedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij
iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn
grootvader goed en deze liet hem vertrekken.
Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog
anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats
Ajola, den ouden hond.
«Uw vader was postiljon en ik was posthond,» zei Ajola. «Wij zijn
ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de
menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak
geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen
hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis
vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet,
en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe;
zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet
heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet
allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken;
ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo'n hondje wel eens in den
postwagen zien meerijden en daarin de plaats van een mensch innemen;
de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij
zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het,
maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er
niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik
liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond
maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet
zooals het behoort;--maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is,
zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het
rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit
niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen,
noch door huilen!»
Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem
hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm,
maar deze verzette zich hiertegen.
«Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet
gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers
geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen,
dan blijft ge wel hangen!»
Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou
merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond.
De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart
verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien
afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien.
«Rudy wil over de bergen trekken!» zei de eene kip.
«Hij heeft altijd zoo'n haast!» zei de andere, «ik neem niet graag
afscheid!» En nu trippelden zij beiden weg.
Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een «Mê, mê!» hooren en
wilden meegaan: dat was zeer treurig.
Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den
anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te
voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had
goede krachten, en zijn moed begaf hem niet.
De zwaluwen vlogen een eind mee. «Wij en gij! Gij en wij!» zongen
zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine
stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als
bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen
zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te
beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had,
en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy
moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn
oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn
met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor
moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher
achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was,
maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men
moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd,
gevormd hadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een
groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag;
dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de
echo's uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken.
Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in
de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa's,
die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een
oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder
diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig
werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere
geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en
dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk
voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet
moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden
nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer
tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende
nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier
namen de «Jungfrau,» de «Mönch» en de «Eiger,» aan ieder kind in die
streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo
hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee
betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan
de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de
golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken,
hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier
macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm,
de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende
diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen,
lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog
gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude
stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde
naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan,
vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis,
het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar
het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden,
de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in
het geheugen van Rudy.
Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende
hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en
rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger
gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om
het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank,
dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den
drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland,
van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van
het heirleger van nachtspoken verteld, dat den slapende door de
lucht naar de wonderbare, drijvende stad Venetië overbracht, van
den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef;
al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het
geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde
vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees;
deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor,
alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig
duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op,
luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen.
Het was een «föhn,» die geweldige stormwind, die zich van de bergen af
in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes
waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen
slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten.
Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar
nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis,
viel hij als op kommando in slaap.
Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen
op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden;
zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan
gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet,
maar zij waren nog ver van Rudy's nieuwe woning verwijderd. Er
vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden;
ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat
voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle,
geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet,
die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten
zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken
aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen
in zijn nieuwe woonplaats?