II.

De reis naar de nieuwe woning.

Rudy was nu acht jaar oud; zijn oom, die aan gene zijde der bergen

in het Rhônedal woonde, wilde den knaap tot zich nemen, opdat hij

iets zou leeren en beter in de wereld vooruitkomen; dit vond ook zijn

grootvader goed en deze liet hem vertrekken.

Rudy nam alzoo afscheid. Behalve zijn grootvader waren er echter nog

anderen, wien hij vaarwel moest zeggen, en wel in de eerste plaats

Ajola, den ouden hond.

«Uw vader was postiljon en ik was posthond,» zei Ajola. «Wij zijn

ontelbare malen heen en weer gereden, ik ken de honden en ook de

menschen aan gene zijde der bergen. Veel spreken is nooit mijn zaak

geweest; maar thans, nu wij niet lang meer met elkaar te spreken zullen

hebben, wil ik iets meer dan anders zeggen; ik wil u een geschiedenis

vertellen, die ik al lang geweten heb; ik begrijp haar echter niet,

en gij zult haar ook niet begrijpen, maar dat doet er niet toe;

zooveel heb ik er althans uit opgemaakt, dat het in de wereld niet

heel billijk verdeeld is, noch voor honden, noch voor menschen! Niet

allen zijn geschapen om op den schoot te liggen of melk te drinken;

ik ben daaraan niet gewoon; maar ik heb zoo'n hondje wel eens in den

postwagen zien meerijden en daarin de plaats van een mensch innemen;

de dame, wie het beestje toebehoorde, had een fleschje met melk bij

zich, waaruit zij het hondje liet drinken; en koekjes kreeg het,

maar het snuffelde er op zijn hoogst eens even aan en wilde er

niet eens van eten, en daarom at zij de koekjes zelf maar op. Ik

liep in de modder naast het rijtuig mee, zoo hongerig als een hond

maar wezen kan; ik kauwde op mijn eigen gedachten, en dat was niet

zooals het behoort;--maar er moet zooveel anders zijn, dat niet is,

zooals het behoort. Zoudt gij op den schoot willen zitten en in het

rijtuig rijden? Ik gun het u van harte; Maar zelf kan iemand dit

niet gedaan krijgen; ik heb het niet kunnen doen, noch door blaffen,

noch door huilen!»

Dat waren de woorden van Ajola, en Rudy omhelsde hem en kuste hem

hartelijk op zijn natten snoet; daarop nam hij den kater op zijn arm,

maar deze verzette zich hiertegen.

«Ge wordt mij te sterk, en tegen u wil ik mijn klauwen niet

gebruiken! Klim maar over de bergen, ik heb u het klimmen immers

geleerd! Verbeeld u maar niet, dat ge naar beneden zult vallen,

dan blijft ge wel hangen!»

Dit zeggende sprong de kater weg; want hij wilde niet, dat Rudy zou

merken, hoe de treurigheid hem in de oogen te lezen stond.

De kippen liepen trotsch in de kamer rond; een had haar staart

verloren; een reiziger, die jager wilde zijn, had haar dien

afgeschoten; de kerel had de kip voor een roofvogel aangezien.

«Rudy wil over de bergen trekken!» zei de eene kip.

«Hij heeft altijd zoo'n haast!» zei de andere, «ik neem niet graag

afscheid!» En nu trippelden zij beiden weg.

Ook de geiten zei hij vaarwel, en deze deden een «Mê, mê!» hooren en

wilden meegaan: dat was zeer treurig.

Twee flinke gidsen uit de omstreken, die over de bergen naar den

anderen kant van den Gemmi wilden, namen Rudy mee; hij volgde hen te

voet. Het was een stevige marsch voor zulk een knaap, maar hij had

goede krachten, en zijn moed begaf hem niet.

De zwaluwen vlogen een eind mee. «Wij en gij! Gij en wij!» zongen

zij. De weg liep over den snelvlietenden Lutschine, die uit vele kleine

stroomen uit de zwarte kloof van den Grindelwaldgletscher ontstaat. Als

bruggen dienen hier losliggende boomstammen en rotsblokken. Toen

zij bij het Ellernwald aangekomen waren, begonnen zij den berg te

beklimmen, waar de gletscher zich van den bergrug losgerukt had,

en liepen nu over en om ijsblokken heen naar den gletscher toe. Rudy

moest nu eens een eindje kruipen, dan weer een eindje loopen; zijn

oogen straalden van louter vreugde, en hij trapte zoo vast met zijn

met ijzer beslagen bergschoenen, alsof hij bij iederen stap een spoor

moest achterlaten. De zwarte aarde, die de bergstroom op den gletscher

achtergelaten had, gaf dezen het aanzien, alsof hij beschimmeld was,

maar het blauwachtig groene, glasachtige ijs keek er toch doorheen; men

moest de kleine meren omloopen, die zich, door blokken ijs ingedamd,

gevormd hadden, en op zulk een reis kwam men in de nabijheid van een

groot rotsblok, dat waggelend op den rand eener kloof in het ijs lag;

dit rotsblok verloor zijn evenwicht, rolde naar beneden en liet de

echo's uit de diepe, holle kloven der gletschers naar boven klinken.

Het ging maar steeds bergopwaarts; de gletscher zelf liep in

de hoogte als een stroom van woest opeengestapelde ijsmassa's,

die tusschen steile rotsen vastgeklemd zaten. Rudy dacht er een

oogenblik aan, dat hij, zooals men hem verteld had, met zijn moeder

diep beneden in een van deze kille kloven gelegen had, maar al spoedig

werden deze gedachten verbannen, en kwam dit hem voor als de andere

geschiedenissen, waarvan hij er zoo vele had hooren vertellen. Nu en

dan, als de mannen dachten, dat de weg toch wel wat al te bezwaarlijk

voor het knaapje was, staken zij hem een hand toe, maar hij werd niet

moede, en op het gladde ijs stond hij vast als een gems. Zij betraden

nu den rotsgrond en liepen nu eens tusschen naakte rotsen, dan weer

tusschen dennen en over groene weiden, telkens door afwisselende

nieuwe landschappen; in de rondte verhieven zich de sneeuwbergen, wier

namen de «Jungfrau,» de «Mönch» en de «Eiger,» aan ieder kind in die

streken en ook aan Rudy bekend waren. Rudy was vroeger nog nooit zoo

hoog op het gebergte geweest en had nog nooit de uitgestrekte sneeuwzee

betreden; hier lag deze nu met haar onbeweeglijke sneeuwgolven, waarvan

de wind nu en dan een vlok wegblies, evenals hij het schuim van de

golven der zee wegblaast. De gletschers staan hier, om zoo te spreken,

hand aan hand; elke is een glazen paleis voor de ijsjonkvrouw, wier

macht en wil het is, te grijpen en te begraven. De zon scheen warm,

de sneeuw was verblindend en als met blauwachtig witte, fonkelende

diamanten bezaaid. Ontelbare insecten, inzonderheid kapellen en bijen,

lagen bij hoopen dood op de sneeuw neer; zij hadden zich te hoog

gewaagd, of de wind had ze zoo hoog gedragen, totdat zij van de koude

stierven. Om den Wetterhorn hing een dreigende zwarte wolk; zij daalde

naar beneden, opgezwollen van hetgeen zij in zich verborg: een orkaan,

vernielend, wanneer hij losbarst. De indruk van deze geheele reis,

het nachtverblijf hier boven, de latere weg, de diepe rotskloven, waar

het water gedurende een tijdruimte, waarbij de gedachten duizelden,

de rotsblokken doorgezaagd heeft, prentten zich onuitwischbaar in

het geheugen van Rudy.

Een verlaten steenen gebouw aan gene zijde van de sneeuwzee verleende

hun gedurende den nacht beschutting; hier vonden zij houtskolen en

rijshout; al spoedig was er een vuur aangelegd en het nachtleger

gereedgemaakt, zoo goed als het ging; de mannen schaarden zich om

het vuur, rookten hun pijpen en dronken den warmen, geurigen drank,

dien zij zelf toebereid hadden; ook Rudy kreeg zijn aandeel van den

drank, en er werd van het geheimzinnige karakter van het Alpenland,

van de zonderlinge, reusachtige slangen in de diepe meren, van

het heirleger van nachtspoken verteld, dat den slapende door de

lucht naar de wonderbare, drijvende stad Venetië overbracht, van

den wilden herder, die zijn zwarte schapen over de weide dreef;

al had men deze ook niet gezien, in allen gevalle had men toch het

geklingel van hun belletjes gehoord, het schorre geblaat der kudde

vernomen. Rudy luisterde nieuwsgierig, maar zonder eenige vrees;

deze kende hij niet; en terwijl hij luisterde, kwam het hem voor,

alsof hij het spookachtige holle gebrul hoorde; ja, het werd gedurig

duidelijker, ook de mannen hoorden het, hielden met hun gesprekken op,

luisterden en zeiden tegen Rudy, dat hij niet mocht gaan slapen.

Het was een «föhn,» die geweldige stormwind, die zich van de bergen af

in het dal werpt en in zijn woede de boomen knakt, alsof het rietjes

waren, die de houten huizen van den eenen oever naar den anderen

slingert, evenals wij een stuk op het schaakbord verzetten.

Na verloop van omstreeks een uur zeiden zij tegen Rudy, dat het gevaar

nu geweken was en dat hij kon gaan slapen, en vermoeid van de reis,

viel hij als op kommando in slaap.

Den volgenden morgen zetten zij hun tocht weer voort. De zon bescheen

op dezen dag voor Rudy nieuwe bergen, gletschers en sneeuwvelden;

zij waren in het kanton Walliserland gekomen en bevonden zich aan

gene zijde van den bergrug, dien men van uit Grindelwald ziet,

maar zij waren nog ver van Rudy's nieuwe woning verwijderd. Er

vertoonden zich andere kloven, andere weiden, bosschen en rotspaden;

ook andere huizen en andere menschen kwamen te voorschijn, maar wat

voor menschen? Het waren wangedrochten: zij hadden akelige, bolle,

geelachtige gezichten, hun halzen waren zware, leelijke klompen vet,

die als zakken naar beneden hingen; het waren kroplijders; zij sleepten

zich met moeite voort en keken de vreemdelingen met wezenlooze blikken

aan; de vrouwen zagen er vooral afschuwelijk uit. Waren dat de menschen

in zijn nieuwe woonplaats?

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 60 / 83 题