De kleine Rudy.
Laat ons een bezoek aan Zwitserland brengen, laat ons een reis
doen door het bergland, waar de bosschen tegen de steile rotswanden
aangroeien; laat ons opklimmen naar de verblindend witte sneeuwvelden
en weer neerdalen in de groene weiden, waardoor rivieren en beken
voortbruisen met een vaart, alsof zij de zee niet snel genoeg konden
bereiken en verdwijnen. Verzengend staat de zon boven het diepe dal,
en ook in de hoogte, op de zware sneeuwmassa's brandt zij, zoodat
deze met de jaren tot glinsterende ijsblokken samensmelten en zich
tot rollende lawinen, tot opeengestapelde gletschers vormen. Twee
zulke gletschers liggen er in de breede rotskloven onder den
Schreckhorn en den Wetterhorn, bij het bergstadje Grindelwald;
zij zijn merkwaardig om bezichtigd te worden, en daarom komen er in
den zomer vele vreemdelingen uit de geheele wereld hier naar toe;
zij komen over de hooge, met sneeuw bedekte bergen, zij komen ook
uit de diepe dalen, en dan moeten zij verscheidene uren klimmen, en
terwijl zij klimmen, daalt het dal al dieper; zij zien daarop neer,
alsof zij het uit een luchtbol zagen. Boven hen hangen de wolken
dikwijls als dikke, zware sluiers om de bergtoppen, terwijl beneden
in het dal, waar de vele bruine, houten huizen verstrooid staan,
nog een zonnestraal fonkelt en een plekje in het groen te voorschijn
doet komen, alsof het doorzichtig was. Daar beneden gonst en suist en
bruist het water, daarboven stroomt en babbelt het; het ziet er uit,
alsof er zilveren linten over de rotsen naar beneden fladderden.
Aan beide kanten van den weg, die bergopwaarts loopt, staan houten
huizen; ieder huis heeft zijn aardappeltuin, en deze is onmisbaar:
want vele monden zijn er in die hutten, kinderen zijn hier in menigte,
die altijd grage magen hebben; overal komen zij te voorschijn en
scharen zich om de reizigers, onverschillig of dezen te voet zijn of
in rijtuigen zitten; de geheele kinderschaar drijft hier handel, de
kleinen bieden mooi gesneden huisjes te koop aan in den vorm van die,
welke men hier in het gebergte bouwt. Al moge het regen of zonneschijn
wezen, de kinderen zijn er altijd met hun koopwaren.
Voor omstreeks twintig jaren stond hier dikwijls, maar altijd op
eenigen afstand van de andere kinderen, een kleine jongen, die
ook handel wilde drijven; hij stond daar, zette een heel ernstig
gezicht en hield zijn mars zoo stevig met zijn beide handen vast,
alsof hij niet geneigd was, er iets uit te verkoopen; maar juist
deze ernst en dat het jongentje zoo klein was, maakte, dat hij de
aandacht trok, dikwijls door de vreemdelingen geroepen werd en vaak
den meesten aftrek van zijn koopwaren had; de knaap wist zelf niet
waarom. Een uur hooger, ook in het gebergte, woonde zijn grootvader,
die de fijne, mooie huisjes sneed, en bij den grijsaard in de kamer
stond een groote kast met dergelijke gesneden voorwerpen in menigte:
notenkrakers, messen en vorken, doozen met boomen en springende gemzen,
juist zoo iets aantrekkelijks voor kinderoogen; maar de knaap--Rudy
heette hij--keek met meer plezier en verlangen naar de oude buks,
die onder den balk aan de zoldering hing; zijn grootvader had hem
beloofd, dat hij deze later zou krijgen; maar hij moest eerst groot
en sterk worden, om haar te kunnen hanteeren.
Hoe klein de knaap ook was, toch moest hij reeds de geiten hoeden,
en als hij een goede geitenhoeder mag heeten, die met de dieren weet
te klimmen, dan was Rudy er zeker een; hij klom zelfs een weinig
hooger dan de geiten, hij hield er veel van, de vogelnestjes hoog
boven in de boomen uit te halen; hij was stoutmoedig en driest, maar
glimlachen zag men hem slechts, als hij bij den bruisenden waterval
stond of het neerrollen van een lawine hoorde. Hij speelde nooit met
de andere kinderen; hij kwam slechts dan met dezen in aanraking, als
zijn grootvader hem den berg afzond, om handel te drijven, en van den
handel hield Rudy juist niet bijzonder; hij klom liever alleen op de
bergen rond, of zat bij zijn grootvader en hoorde dezen van den ouden
tijd en van de menschen in het naburige Meiringen, zijn geboorteplaats,
vertellen. De menschen daar, zei de grijsaard, hadden er niet van
oudsher gewoond; zij waren uit het hooge Noorden gekomen, waar hun
stamvaders woonden en Zweden heetten. Rudy beroemde er zich nog al
wat op, dat hij dit wist; maar hij leerde ook nog wat van anderen,
en deze anderen waren zijn huisgenooten, die tot het dierengeslacht
behoorden. Er was een groote hond, die Ajola heette en aan Rudy's
vader toebehoord had, en ook was er een kater; deze kater stond bij
Rudy vooral hoog aangeschreven; die had hem het klimmen geleerd.
«Kom maar eens met mij op het dak!» had de kater gezegd, en wel
duidelijk en verstaanbaar, want als men een kind is en nog niet
kan spreken, dan verstaat men de kippen en de eenden heel goed;
de katten en de honden spreken ons dan even verstaanbaar toe als
vader en moeder, alleen moet men daarvoor nog heel klein zijn; zelfs
grootvaders stok kan dan hinniken, en een geheel paard worden met kop,
pooten en staart. Bij eenige kinderen houdt dit verstaan later dan
bij andere op, en van dezulken zegt men dan, dat zij achterlijk en
heel lang kinderen gebleven zijn. Wat zegt men al niet!
«Kom maar eens met mij op het dak, Rudy!» was zeker wet hel eerste,
wat de kater gezegd en Rudy verstaan had. «Wat de menschen van het
naar beneden vallen zeggen, is louter verbeelding: men valt niet,
als men er niet bang voor is. Komaan, zet uw eenen poot zoo en uw
anderen zoo! Voel eerst met uw voorpooten! Ge moet oogen in uw kop
en lenige ledematen hebben! Komt er ergens een kloof, spring dan maar
en houd u vast. Zoo doe ik het!»
En zoo deed Rudy het dan ook; daarom zat hij zoo dikwijls op de
dakvorst bij den kater, zat met hem in de toppen van de boomen, ja,
hoog op den rand van de rots, waar de kater niet kon komen.
«Hooger op!» zeiden boom en struik. «Ziet ge wel, hoe hoog wij kunnen
reiken, hoe wij ons vasthouden, zelfs aan den uitersten smallen kant
van de rots!»
Rudy bereikte de bergtoppen, dikwijls nog voordat de zon daar kwam, en
daar dronk hij zijn morgendrank, de frissche, versterkende berglucht,
dien drank, dien slechts de goede God weet klaar te maken en waarvan de
menschen alleen maar het recept kunnen lezen, waarin geschreven staat:
de frissche geur van de kruiden van den berg, van de kroezemunt en
den tijm van het dal.--Alles, wat zwaar is, zuigen de hangende wolken
in, en de wind slijpt en wrijft ze over de toppen der dennen heen,
de geest van den geur gaat in de lucht over, om haar lichter en
frisscher, gedurig frisscher te maken. En dat was Rudy's morgendrank.
De zonnestralen, die zegenbrengende dochters der zon, kusten zijn
wangen, en de duizeligheid stond op de loer, maar waagde het niet, hem
te naderen, en de zwaluwen van het huis van zijn grootvader, waarop
niet minder dan zeven nesten waren, vlogen naar hem en de geiten op
en zongen: «Wij en gij! Gij en wij!» Zij brachten groeten van huis,
van zijn grootvader, ja, zelfs van de beide kippen, die eenige vogels
in huis, waarmee Rudy zich echter nooit inliet.
Hoe klein hij ook was, had hij toch een reis gedaan, en voor
zoo'n klein jongetje juist geen kleine reis; hij was in het kanton
Walliserland geboren en over de bergen hierheen gedragen; nog kort
geleden had hij te voet den naburigen Staubbach bezocht, die als een
zilveren lint voor den met sneeuw bedekten, verblindend witten berg,
de Jungfrau, in de lucht fladderde. Ook te Grindelwald bij den grooten
gletscher was hij geweest; maar dat was een treurige geschiedenis: daar
vond zijn moeder den dood, daar was de kleine Rudy zijn kinderlijke
vroolijkheid kwijtgeraakt, zei zijn grootvader. «Toen de jongen nog
geen jaar oud was, lachte hij meer dan dat hij huilde,» had zijn moeder
geschreven; «van dien tijd af, waarop hij in de ijskloof gezeten had,
was er een andere geest in hem gevaren.» Zijn grootvader sprak hierover
maar zelden; doch men wist het toch overal in het gebergte.
De vader van Rudy was postiljon geweest; de groote hond, die in de
kamer van zijn grootvader lag, had hem altijd op zijn tocht over den
Simplon naar het meer van Genève vergezeld. In het Rhônedal, in het
kanton Walliserland, woonden nog bloedverwanten van vaderszijde van
Rudy; zijn oom was een onverschrokken gemzenjager en een welbekende
gids.--Rudy was nog maar een jaar oud, toen hij zijn vader verloor, en
zijn moeder verlangde nu met haar kind naar haar bloedverwanten in het
Berner Oberland terug; haar vader woonde eenige uren van Grindelwald
af; hij sneed allerlei houten voorwerpen en verdiende daarmee zoo
veel, dat hij kon leven. In de maand Juni ging zij met haar kind,
in gezelschap van twee gemzenjagers, over den Gemmi naar Grindelwald
toe. Reeds hadden zij het grootste eind afgelegd en waren over den
hoogen bergrug tot in het sneeuwveld gekomen, reeds zagen zij het
dal met de welbekende houten huizen voor zich liggen en hadden nog
slechts een grooten gletscher over te loopen. De sneeuw was versch
gevallen en verborg een kloof, die wel is waar niet tot op den diepen
grond reikte, waar het water bruiste, maar toch altijd dieper dan een
manslengte; de jonge vrouw, die haar kind droeg, gleed uit, viel naar
beneden en was verdwenen; men hoorde geen gil, geen zucht, maar men
vernam het huilen van een klein kind. Meer dan een uur verliep er,
voordat haar beide metgezellen uit de naast bijgelegene huisjes touwen
en stokken gehaald hadden, om zoo mogelijk nog hulp te bieden, en na
veel inspanning haalde men uit de ijskloof twee lijken te voorschijn,
naar het scheen. Allerlei middelen werden er aangewend; het gelukte,
het kind in het leven terug te roepen, maar de moeder niet, en zoo
kreeg de oude grootvader slechts een kleinzoon in huis, een wees,
denzelfden knaap, die meer lachte dan huilde; het scheen echter, alsof
hij nu het lachen geheel verleerd had, en die verandering moest zeker
in de gletscherkloof plaats gegrepen hebben, in de koude, zonderlinge
ijswereld, waar de zielen der verdoemden tot aan den jongsten dag
ingekerkerd zijn,--zooals de Zwitsersche boer gelooft.
Als een bruisend water, tot ijs gestold en samengeperst als tot
groene brokken glas, ligt de gletscher, het eene groote ijsblok op het
andere gestapeld; beneden in de diepte bruist de snelvlietende stroom
van gesmolten sneeuw en vloeibaar geworden ijs; diepe holen, groote
kloven strekken zich daar beneden uit, het is een zonderling glazen
paleis, en hierin woont de ijsjonkvrouw, de gletscherkoningin. Zij,
de doodende, de verpletterende, is half een kind der lucht, half de
machtige gebiedster der rivier; daarom is zij ook bij machte, zich
met de snelheid der gems op den bovensten top van den sneeuwberg te
verheffen, waar de stoutmoedige bergbeklimmers eerst trappen in het
ijs moeten hakken, om hun voeten neer te zetten; zij zeilt op het
dunne dennenrijs den snellen stroom langs, en springt daar van het
eene rotsblok op het andere, omfladderd door haar lange, sneeuwwitte
lokken en haar blauwachtig groen gewaad, dat als het water in de
diepe meren van Zwitserland schittert.
«Verpletteren! Vasthouden! Aan mij behoort de macht!» spreekt zij. «Een
schoonen knaap heeft men mij ontstolen, een knaap, dien ik gekust,
maar niet doodgekust heb. Hij is weer onder de menschen, hij hoedt
de geiten op het gebergte, klimt opwaarts, gedurig hooger, ver van de
anderen weg, maar niet van mij! Hij behoort mij toe, ik zal hem halen!»
Zij gaf de duizeligheid bevel, voor haar te handelen; want het was
de ijsjonkvrouw in den zomertijd in het groen, waar de kroezemunt
groeit, te warm; en de duizeligheid klom op en neer; er verhief zich
een, er verhieven zich drie. De duizeligheid heeft vele zusters,
een geheele schaar, en de ijsjonkvrouw koos de sterkste van die
velen, die buiten en binnen haar taak vervullen. Zij zitten op de
balustrades van trappen en torens, zij loopen als katten langs de
kanten der rotsen, zij springen over de balustrades heen, slaan in
de lucht, als de zwemmer in het water, en lokken haar slachtoffer in
den afgrond. De duizeligheid en de ijsjonkvrouw, zij grijpen beiden
naar den mensch, evenals de poliep naar alles grijpt, wat er in haar
nabijheid komt. De duizeligheid moest Rudy grijpen.
«Ja, dien grijpen!» zei de duizeligheid. «Daartoe ben ik niet in
staat! De kat, dat ondier, heeft hem haar kunsten geleerd. Dit
menschenkind bezit een eigenaardige macht, die mij van zich stoot,
ik vermag hem niet te grijpen, dezen knaap, als hij op de takken boven
den afgrond zit, en hoe graag zou ik hem op de voetzolen kittelen of
hem een buiteling in de lucht doen maken! Maar ik ben hiertoe niet
in staat!»
«Wij zullen het wel gedaan krijgen,» zei de ijsjonkvrouw. «Gij of
ik! Ik, ik!»
«Neen, neen,» klonk het om haar heen, alsof het een echo van het
gelui der kerkklokken in de bergen was; maar het was gezang, het was
een samensmeltend koor van andere natuurgeesten, goede, beminlijke
geesten,--het waren de dochters der zonnestralen. Deze legeren zich
iederen avond in een kring rondom den bergtop; daar spreiden zij
haar rooskleurige vleugelen uit, die met het dalen der zon gedurig
schitterender worden en een gloed over de hooge Alpen verspreiden;
de menschen noemen dat «Alpengloed.» Als de zon dan gezonken is,
verbergen zij zich op de bergtoppen in de witte sneeuw en slapen daar,
totdat de zon weer opgaat; dan komen zij op nieuw te voorschijn. Vooral
hebben zij de bloemen, de kapellen en de menschen lief, en onder deze
laatsten hadden zij zich inzonderheid Rudy uitverkoren.
«Ge vangt hem niet! Ge krijgt hem niet!» zeiden zij.
«Grooter en sterker heb ik er wel gevangen!» zei de ijsjonkvrouw.
Nu zongen de dochteren der zon een lied van den reiziger, wiens
mantel de stroom wegvoerde,--de wind nam het hulsel, maar den man
niet; «ge kunt hem wel grijpen, maar niet vasthouden, gij kinderen
der kracht! Hij is sterker dan wij zelfs zijn! Hij klimt hooger dan
de zon, onze moeder, hij bezit het tooverwoord, dat wind en water aan
banden legt, zoodat zij hem moeten dienen en gehoorzamen. Gij maakt
het zware, drukkende gewicht los, en hij verheft zich hooger!»
Heerlijk klonk het koor, als het gelui eener klok.
Iederen morgen drongen de zonnestralen door het eenige raampje het huis
van den grootvader binnen en beschenen het stille kind. De dochters
der zonnestralen kusten het; zij wilden den ijskus ontdooien, doen
smelten en uitwisschen, dien de koninklijke maagd der gletschers hem
gegeven had, toen hij op den schoot van zijn doode moeder in de diepe
ijskloof lag en daaruit als door een wonder gered werd.