TWEE JUFFERS.

Hebt ge wel eens een juffer gezien?--dat is te zeggen, wat de

straatmakers een juffer noemen, een ding, waarmee zij de straatsteenen

vaststampen. Zulk een juffer is geheel en al van hout, onderaan breed

en van ijzeren handen voorzien, bovenaan smal met een stok er door

heen,--en dezen stok heeft de juffer voor armen.

In de schuur stonden twee zulke juffers; zij hadden haar plaats

tusschen straathamers, handwagens en kruiwagens, en tot deze allen was

het gerucht doorgedrongen, dat de juffers voortaan niet meer «juffers,»

maar «straatstampers» zouden heeten, hetgeen in de straatmakerstaal

de eenige en alleen juiste benaming is voor het ding, dat men in

vroegere tijden altijd een juffer noemde.

De twee juffers in de bergplaats dachten er volstrekt niet aan,

haar ouden naam zoo maar op te geven en zich «straatstampers» te

laten noemen.

«Juffer is een menschennaam,» zeiden zij, «maar straatstamper is een

ding, en wij laten ons niet zoo maar een ding noemen; dat zou een

smaad voor ons zijn!»

«Mijn minnaar zou in staat zijn, het engagement te verbreken!» zei

de jongste, die met een heiblok verloofd was; en een heiblok is een

ding, dat groote palen in den grond drijft en dus in het grove datgene

verricht, wat de juffer in het fijne doet. «Hij wil mij als juffer tot

vrouw nemen, maar of hij dit zou doen, als ik een straatstamper werd,

is de vraag nog, en daarom laat ik mij ook niet herdoopen.»

«En ik,» zei de oudste, «laat liever mijn beide armen afhouwen!»

De kruiwagen was echter van een ander gevoelen, en de kruiwagen was

nog al iemand van beteekenis; hij beschouwde zich als het vierde

gedeelte van een koets, omdat hij op één wiel liep.

«Ik moet u echter doen opmerken,» sprak deze, «dat juffer vrij

alledaagsch en op verre na niet zoo deftig klinkt, als straatstamper

of stempel, welke naam ook voorgesteld is, en waardoor ge b. v. in de

klasse der cachetten zoudt treden, en denkt maar eens aan het groote

staatscachet, waarmee men het staatszegel opdrukt en aan de wet eerst

kracht verleent. Neen, als ik in uw plaats was, dan zou ik dat «juffer»

maar opgeven.»

«Neen, dat nimmer! Daar ben ik te oud voor!» zei de oudste.

«Ge hebt waarschijnlijk nog nooit hooren spreken over het ding,

dat men de «Europeesche noodzakelijkheid» noemt,» bracht de eerlijke

wisse in het midden. «Men moet zich in tijd en omstandigheden weten

te schikken, en is er eenmaal een wet uitgevaardigd, dat de juffers

straatstampers moeten heeten, welnu, dan moeten zij ook straatstampers

heeten, en dan helpt het niet, of men er al tegen moppert.»

«Neen,» zei de jongste, «dan zou ik mij, als er dan toch een

verandering moet plaats hebben, nog liever jonkvrouw laten noemen:

jonkvrouw klinkt toch nog altijd wat deftiger dan juffer!»

«Maar dan laat ik mij liever tot brandhout hakken!» zei de oudste

juffer.

Eindelijk ging men aan het werk; de juffers reden, zij werden op den

kruiwagen gelegd, dat was wel een goede behandeling, maar met dat al

noemde men ze toch straatstampers.

«Juf...!» zeiden zij, terwijl zij de straatsteenen

vaststampten. «Juf...!» En het scheelde niet veel, of zij hadden het

geheele woord «juffer» uitgesproken, maar zij braken plotseling af

en slikten de laatste lettergreep in, want na rijp beraad achtten

zij het beneden haar waardigheid om er zich tegen te verzetten. Maar

onder elkaar noemden zij zich altijd «juffer» en prezen den goeden,

ouden tijd, toen men ieder ding bij zijn waren naam noemde en men

juffer genoemd werd, als men juffer was; en dat bleven zij allebei;

want het heiblok verbrak inderdaad het engagement met de jongste:

hij wilde slechts een juffer tot vrouw hebben.

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 28 / 83 题