Het grootste groene blad in Denemarken is zeker wel dat van het
kliskruid; houdt men er een voor zijn lijf, dan is het als een schort,
en legt men het op zijn hoofd, dan is het bij regenachtig weer bijna
even goed als een paraplu, want het is buitengewoon groot! Nooit
groeit een klis alleen; waar er een groeit, daar groeien er ook meer;
het is een pracht om te zien! En al deze pracht is slakkenkost.
De groote, witte slakken, waarvan de deftige lui in oude dagen
fricassée lieten klaarmaken en, als zij het gegeten hadden, zeiden:
«Hé! wat smaakt dat!»--want zij geloofden nu eenmaal, dat het
overheerlijk smaakte, zij leefden van klisbladeren. En daarom werd
er kliskruid gezaaid.
Nu was er een oud ridderkasteel, waar men geen slakken meer at. De
slakken waren uitgestorven, maar de klissen niet. Deze groeiden
en groeiden in alle paden, op alle bedden; men kon ze niet meer
keeren; het was een echt klissenbosch. Hier en daar stonden appel- of
pruimeboomen, anders zou men zeker nooit op de gedachte gekomen zijn,
dat het hier een tuin was. Alles was kliskruid, en daarin woonden de
beide laatste stokoude slakken, een mannetje en een wijfje.
Zij wisten zelf niet, hoe oud zij waren; maar zij konden zich zeer
goed herinneren, dat zij veel grooter in getal geweest waren, dat
zij van een familie uit vreemde landen afstamden, en dat het bosch
voor hen en de hunnen geplant was. Zij waren er nooit buiten geweest,
maar het was hun bekend, dat er nog iets in de wereld was, dat het
ridderkasteel heette; daar werd men gekookt, dan werd men zwart en
op een zilveren schotel gelegd;--wat er later nog meer gebeurde, dat
wisten zij niet. Hoe dat overigens is, wanneer men gekookt en op een
zilveren schotel gelegd wordt, konden zij zich niet voorstellen, maar
heerlijk moest het zijn, en vooral moest het heel deftig staan. Noch
de meikever, noch de pad, noch de regenworm, die zij daarnaar vroegen,
konden hun daaromtrent inlichtingen geven; want geen van hun soort
was ooit gekookt of op een zilveren schotel gelegd.
De oude, witte slakken waren de voornaamsten in de wereld: dat wisten
zij! Het bosch was er ter wille van hen, en het ridderkasteel ook,
opdat zij gekookt en op een zilveren schotel gelegd zouden kunnen
worden.
Zij leefden nu zeer ingetogen, en daar zij zelf kinderloos waren,
hadden zij een kleine gemeene slak, een jongetje, tot zich genomen, dat
zij als hun eigen kind opvoedden. Maar de kleine wilde niet groeien,
want het was maar een gemeene slak; doch de oudjes, inzonderheid de
pleegmoeder, meenden wel te merken, dat hij toch grooter werd. En zij
verzocht den pleegvader, als hij dit niet kon zien, toch eens aan het
kleine slakkehuisje te willen voelen; nu betastte hij dit en vond,
dat zijn vrouw gelijk had.
Op zekeren, dag regende het geducht.
«Hoor eens, hoe het op de klisbladeren trommelt!» zei de pleegvader.
«Dat noem ik droppels!» zei de pleegmoeder. «Het loopt immers bij den
steel neer! Je zult eens zien, dat het hier nat zal worden. Ik ben
maar blij, dat wij onze goede huisjes hebben, en dat de kleine er
ook een heeft! Er is toch werkelijk meer voor ons gedaan, dan voor
alle andere schepselen; men kan het toch duidelijk zien, dat wij de
hoogste plaats in de wereld bekleeden! Wij hebben van onze geboorte af
huisjes, en het klissenbosch is ter wille van ons gezaaid! Ik zou wel
eens willen weten hoe ver dit zich uitstrekt en wat er buiten ligt.»
«Daar is niets,» zei de pleegvader, «dat beter zou kunnen zijn,
dan bij ons: ik heb volstrekt niets te wenschen.»
«Ja,» zei de pleegmoeder. «Ik zou wel naar het ridderkasteel gebracht,
gekookt en op een zilveren schotel gelegd willen worden; dat is
met al onze voorvaderen gebeurd, en je kunt gelooven: daar is een
bedoeling bij.»
«Misschien is het ridderkasteel wel ingestort,» zei de pleegvader,
«of is het klissenbosch er overheen gegroeid, zoodat de menschen er
niet meer uit konden komen. En bovendien is daarbij toch ook geen
haast. Maar je haast je altijd te veel, en de kleine begint dat ook
al te doen. Kruipt hij niet reeds sedert drie dagen tegen den steel
op? Ik krijg er waarlijk hoofdpijn van, als ik naar hem opkijk.»
«Je moet niet op hem knorren!» zei de pleegmoeder. «Hij kruipt immers
heel voorzichtig; wij zullen zeker veel vreugde aan hem beleven; en
wij oudjes hebben immers niets anders, waarvoor wij leven. Maar heb
je er wel eens over nagedacht, waar wij een vrouw voor hem vandaan
zullen krijgen! Denk je niet, dat er zich verder in het klissenbosch
nog zulke van onze soort ophouden?»
«Zwarte slakken zullen daar wel zijn, denk ik,» zei de pleegvader,
«zwarte slakken zonder huisje! Maar die zijn te gemeen en toch
verbeelden zij zich heel wat. Maar wij zouden aan de mieren wel
eens last kunnen geven om naar een vrouw voor hem uit te kijken;
die loopen toch heen en weer, alsof zij heel wat zaken aan de hand
hadden; die zullen zeker wel een vrouw voor onzen kleine weten.»
«Ik zou er wel een weten,» zeide een der mieren; «maar ik vrees,
dat dit niet zal gaan, want het is een koningin.»
«Dat doet er niet toe!» zeiden de oudjes. «Heeft zij een huis?»
«Zij heeft een kasteel!» antwoordde de mier; «het mooiste mierenkasteel
met zevenhonderd gangen.»
«Hartelijk bedankt!» zei de pleegmoeder. «Onze pleegzoon zal niet
naar een mierennest toe. Als je niets beters weet, dan zullen we aan
de muggen maar eens last geven, die vliegen overal rond in regen en
zonneschijn, die kennen het klissenbosch van haver tot gort.»
«Wij weten een vrouw voor hem!» zeiden de muggen. «Honderd
menschenstappen hier vandaan zit op een kruisbessenboom een kleine
slak met een huisje; die woont heelemaal alleen en is oud genoeg om
te trouwen. Het is maar honderd menschenstappen hier vandaan.»
«Ja, laat haar maar eens bij hem komen!» zeiden de oudjes. «Hij heeft
een klissenbosch, zij maar een boom.»
En nu haalden zij het kleine dametje. Het duurde acht dagen voordat
zij kwam; maar dat stond juist deftig, en daaraan kon men zien,
dat zij van de rechte soort was.
Daarop hielden zij bruiloft. Zes glimwormpjes gaven licht, zoo goed
als zij konden; overigens ging alles heel stil in zijn werk, want
de oude slakken konden geen geraas en getier velen. Maar er werd een
heerlijke toespraak door de pleegmoeder gehouden.
De pleegvader kon niet spreken: hij was te geroerd. Daarop gaven zij
hun als erfenis het geheele klissenbosch en zeiden, wat zij altijd
gezegd hadden: dat het het beste van de wereld was, en dat zij,
als zij rechtschapen en eerbaar leefden en zich vermenigvuldigden,
eenmaal benevens hun kinderen op het ridderkasteel zouden komen, en
zwart gekookt en op een zilveren schotel gelegd worden. En nadat deze
toespraak geëindigd was, kropen de oudjes in hun huisje en kwamen
er nooit meer uit: zij sliepen. Het jonge slakkenpaar regeerde nu
in het bosch en kreeg een talrijke nakomelingschap. Daar zij echter
nooit gekookt op den zilveren schotel kwamen, maakten zij daaruit op,
dat het ridderkasteel ingestort en dat alle menschen op de wereld
uitgestorven waren. En daar niemand hen tegensprak, moest het immers
wel waar zijn. De regen viel op de klissenbladeren neer, om voor
hen trommelmuziek te maken, de zon scheen, om het klissenbosch voor
hen te verven; en zij waren zeer gelukkig, en de heele familie was
gelukkig, overgelukkig.