DE WILDE ZWANEN.

Ver van hier, daar, waarheen de zwaluwen vliegen, wanneer wij winter

krijgen, woonde eens een koning. Deze had elf zonen en één dochter,

Elize genaamd. De elf broeders waren prinsen. Zij gingen met de ster

op de borst en de sabel op zijde naar school toe, zij schreven met

diamanten griften op gouden leien en leerden even goed van buiten, als

zij lazen; men kon dadelijk hooren, dat het prinsen waren. Hun zuster

Elize zat op een klein bankje van spiegelglas en had een prentenboek,

dat voor het halve koninkrijk gekocht was.

O, die kinderen hadden het zoo goed, als het maar kon; doch zoo zou

het niet altijd blijven!

Hun vader, die koning over het geheele land was, trouwde met een

booze koningin, die de arme kinderen volstrekt niet mocht lijden. Op

den eersten dag konden zij dit al merken. Op het kasteel heerschte

groote pracht, en nu speelden de kinderen, dat zij visite hadden;

maar in plaats dat zij, evenals vroeger, zooveel koek en gebraden

appels kregen, als er maar te vinden waren, gaf zij hun slechts zand

in een theekopje en zeide, dat zij nu maar net moesten doen, alsof

dit iets was.

In de daarop volgende week bracht zij de kleine Elize naar het

platteland naar een boer en een boerin toe, en lang duurde het niet,

of zij loog den koning zooveel van de arme prinsen voor, dat deze

zich volstrekt niet meer om hen bekommerde.

«Vliegt de wijde wereld in en helpt u zelf!» zei de booze

koningin. «Vliegt, evenals de groote vogels zonder stem!» Maar zij

kon het toch niet zoo erg maken, als zij graag wilde; het werden elf

prachtige wilde zwanen. Met een zonderling geschreeuw vlogen zij uit

de ramen van het kasteel, over het park heen en het bosch in.

Het was nog vroeg in den morgen, toen zij daar voorbijkwamen, waar hun

zuster Elize in de kamer van den boer lag te slapen. Hier zweefden

zij boven het dak, draaiden met hun lange halzen heen en weer en

sloegen toen met hun vleugels; maar niemand hoorde of zag het. Zij

moesten weer verder, hoog naar de wolken op, de wijde wereld in; nu

vlogen zij naar een groot, donker bosch, dat zich tot aan het strand

der zee uitstrekte.

De arme, kleine Elize stond in de kamer van den boer en speelde met

een groen blad: want ander speelgoed had zij niet. Zij stak een gat

in dit blad, keek er doorheen naar de zon, en nu was het, alsof zij

de heldere oogen van hare broeders zag; telkens wanneer de warme

zonnestralen op haar wangen vielen, dacht zij aan al hun kussen.

De eene dag verliep evenals de andere. Als de wind door de groote

rozenheggen buiten voor het huis gierde, dan fluisterde hij de rozen

toe: «Wie kan schooner zijn dan gij?» Maar de rozen schudden het hoofd

en zeiden: «Elize is schooner!» En als de oude vrouw des Zondags

voor de deur zat en in haar gezangboek las, dan keerde de wind de

bladeren om en zeide tegen het boek: «Wie kan vromer zijn dan gij?»

En dan antwoordde het gezangboek: «Elize is vromer!» En het was de

volle waarheid, wat de rozen en het gezangboek zeiden.

Toen zij vijftien jaar oud was, zou zij naar huis terugkeeren;

maar toen de koningin zag, hoe schoon zij was, werd zij toornig

op haar. Gaarne zou zij haar in een wilden zwaan veranderd hebben,

evenals haar broeders; maar dat waagde zij niet dadelijk, omdat de

koning zijn dochter wilde zien.

's Morgens vroeg ging de koningin in het bad, dat van marmer gebouwd

en met zachte kussens en de prachtigste dekens versierd was; zij nam

drie padden, kuste ze en zei tegen de eene: «Ga op het hoofd van Elize

zitten, als zij in het bad komt, opdat zij even dom moge worden, als

jij bent!»--«Zet je op haar voorhoofd neer,» zeide zij tegen de tweede,

«opdat zij even leelijk moge worden, als jij bent, zoodat haar vader

haar niet herkent!»--«Rust aan haar hart!» fluisterde zij de derde toe;

«laat haar een boos karakter krijgen, opdat zij daarvan verdriet moge

hebben!» Daarop zette zij de padden in het heldere water, dat terstond

een groene kleur aannam, riep Elize, kleedde haar uit en liet haar in

het water neerdalen. En terwijl Elize onder water dook, zette de eene

pad zich in haar haar, de andere op haar voorhoofd en de derde op haar

borst neer. Maar Elize scheen dit niet te bemerken; zoodra zij zich

oprichtte, dreven er drie roode papavers op het water. Als de dieren

niet vergiftig geweest waren en een kus van de heks gekregen hadden,

dan zouden zij in roode rozen veranderd zijn. Maar bloemen werden zij

toch, omdat zij op haar hoofd, haar voorhoofd en haar hart gezeten

hadden. Zij was te vroom en te onschuldig, dan dat de tooverij macht

over haar zou kunnen hebben!

Toen de booze koningin dit zag, wreef zij Elize met het sap van een

walnoot in, zoodat zij donkerbruin werd, bestreek haar schoon gelaat

met een stinkende zalf en liet haar prachtig haar in de war raken. Het

was onmogelijk, de schoone Elize nu te herkennen.

Toen haar vader haar zag, verschrikte hij en zeide, dat het zijn

dochter niet was. Geen anderen dan de hond en de zwaluwen konden haar

herkennen; maar dat waren arme dieren, die niets te zeggen hadden.

Nu weende de arme Elize en dacht aan haar elf broeders, die allemaal

weg waren. Bedroefd sloop zij het kasteel uit en liep den geheelen dag

over veld en moeras, totdat zij in het groote bosch kwam. Zij wist

niet, waar zij naar toe zou gaan, maar gevoelde zich diep bedroefd

en verlangde naar haar broers; dezen waren zeker ook, evenals zij,

de wijde wereld ingejaagd; en nu wilde zij hen zoeken en vinden.

Slechts korten tijd was zij in het bosch geweest, toen de nacht

aanbrak; zij wist nu weg noch steg meer; daarom ging zij op het zachte

mos liggen, deed haar avondgebed en leunde met haar hoofd tegen een

boomtronk aan. Er heerschte een diepe stilte; de lucht was zacht, en om

haar heen in het gras en in het mos gaven honderden glimwormpjes, als

een groen vuur, gloed van zich; toen zij een der takken zachtjes met

haar hand aanraakte, vielen de lichtgevende insecten als verschietende

sterren naast haar neer.

Den geheelen nacht droomde zij van haar broers; zij speelden weer

als kinderen, schreven met de diamanten griften op de gouden leien

en keken in het prachtige prentenboek, dat het halve koninkrijk

gekost had. Maar op hun leien schreven zij niet, evenals vroeger,

cijfers, maar de moedige daden, die zij volbracht, alles, wat zij

ondervonden en gezien hadden; en in het prentenboek leefde alles;

de vogels zongen en de menschen kwamen het boek uit en spraken met

Elize en haar broers. Maar als dezen het blad omkeerden, sprongen

zij er dadelijk weer in, opdat de prenten niet in de war zouden raken.

Toen zij wakker werd, stond de zon al hoog aan den hemel; Elize kon

haar echter niet zien; want de hooge boomen spreidden hun takken dicht

boven haar uit. Maar de stralen speelden daarboven als een gouden lint;

er was een geur van het groen, en de vogels zetten zich bijna op haar

schouders neer. Zij hoorde water plassen: dat waren groote bronnen,

die alle in een meer uitliepen, met den heerlijksten zandgrond. Het

was omringd door dichte struiken; maar op één plaats hadden de herten

een groote opening gemaakt, en hier ging Elize naar het water toe. Dit

was zoo helder, dat men, als de wind de takken en de struiken niet

had aangeraakt, zoodat zij zich bewogen, zou gedacht hebben, dat zij

op den bodem van het water afgeteekend waren; zoo duidelijk spiegelde

ieder blad zich daarin af, zoowel dat, hetwelk door de zon beschenen

werd, als dat, hetwelk in de schaduw was.

Zoodra Elize haar eigen gezicht zag, verschrikte zij, zoo bruin en

leelijk was het; maar toen zij haar kleine hand nat maakte en daarmee

over haar oogen en haar voorhoofd wreef, kwam haar blanke huid weer te

voorschijn. Nu kleedde zij zich uit en daalde in het frissche water

neer! Een schooner koningskind, dan zij was, werd er in de wereld

niet gevonden!

Toen zij zich weer aangekleed en haar lange lokken gevlochten had,

ging zij naar de springbron toe, dronk uit het holle van haar hand

en liep het bosch dieper in, zonder zelf te weten waarheen. Zij

dacht aan haar broeders, dacht aan den goeden God, die haar zeker

niet zou verlaten. God liet de wilde appelen in het bosch groeien,

om de hongerigen te verzadigen. Hij wees haar zulk een boom aan;

de takken daarvan bogen zich onder den last der vruchten. Hier hield

zij haar middagmaal, zette stutten onder de takken en ging toen het

donkerste gedeelte van het bosch in. Daar was het zoo stil, dat zij

haar eigen voetstappen hoorde, alsmede het ritselen van ieder dor blad,

dat zich onder haar voet boog. Geen enkele vogel was er te zien, geen

enkele zonnestraal kon door de groote, donkere takken heendringen;

de hooge stammen stonden zoo dicht bij elkaar, dat het, wanneer zij

voor zich uitkeek, den schijn had, alsof zij door een hek van balken

omgeven was. O, hier heerschte een eenzaamheid, zooals zij vroeger

nooit gekend had.

De nacht werd stikdonker; geen enkel glimwormpje gaf meer licht in

het mos. Bedroefd legde zij zich ter neer om te slapen. Nu scheen

het haar, alsof de takken der boomen boven haar ter zijde weken en

de goede God met milde blikken op haar neerzag; en de kleine engelen

keken boven Zijn hoofd en onder Zijn armen uit.

Toen zij 's morgens wakker werd, wist zij niet, of zij het gedroomd

had, dan of het werkelijk zoo geweest was.

Zij deed eenige schreden voorwaarts. Nu ontmoette zij een oude vrouw

met bessen in haar mand; de oude vrouw gaf haar daarvan wat. Elize

vroeg haar, of zij niet elf prinsen door het bosch had zien rijden.

«Neen,» zei de oude vrouw; «maar ik heb gisteren elf zwanen, ieder

met een gouden kroon op den kop, hier in de nabijheid over de rivier

zien zwemmen.»

En zij bracht Elize een eindje verder tot aan een helling; aan den

voet daarvan kronkelde zich een riviertje; de boomen op de oevers

strekten hun lange, lommerrijke takken naar elkander uit, en waar zij,

tengevolge van hun natuurlijken groei, niet aan elkander konden raken,

daar waren de wortels uit den grond losgerukt en hingen, met de takken

in elkaar gestrengeld, over het water heen.

Elize zei de oude vrouw vaarwel en liep langs het riviertje tot aan

de plaats, waar dit naar den grooten, open oceaan vloeide.

De geheele heerlijke zee lag voor het jonge meisje, maar geen

enkel zeil vertoonde zich daarop, geen enkel schip was er op te

zien. Hoe zou zij nu verder komen? Zij bekeek de tallooze kleine

steentjes, die er op het strand lagen: het water had ze allemaal

rond gemaakt. Glas, ijzer, steenen, alles, wat daar aangespoeld was,

had zijn vorm gekregen door het water, dat toch veel zachter dan haar

fijne hand was. «Dat rolt onvermoeid voort, en zoo wordt het harde

glad; ik zal ook zoo onvermoeid zijn. Dank voor uw les, gij heldere,

rollende golven! Eenmaal, dat zegt mij mijn hart, zult ge mij naar

mijn broeders toe brengen!»

Op het aangespoelde zeegras lagen elf witte zwaneveeren; zij bond ze

bij elkaar. Er lagen waterdroppels op: of het dauwdroppels of tranen

waren, kon niemand zien. Eenzaam was het daar aan het strand, maar zij

gevoelde het niet; want de zee bood een eeuwige afwisseling aan, ja,

meer in slechts weinige uren, dan de zoete landwateren in een jaar

kunnen opleveren. Als er een groote, zwarte wolk kwam, dan was het,

alsof de zee wilde zeggen: «Ik kan er ook donker uitzien,» en dan

blies de wind en keerden de golven den witten kant naar buiten. Maar

als de wolken rood schenen en de winden sliepen, dan was de zee als

een rozeblad; nu eens werd zij groen, dan weer wit. Maar hoe stil

zij ook was, aan den oever was toch altijd een zachte beweging; het

water verhief zich slechts even, gelijk de borst van een slapend kind.

Toen de zon zou ondergaan, zag Elize elf witte zwanen met gouden kronen

op hun koppen naar het land toe komen; zij vlogen vlak achter elkaar,

zoodat ze een lang wit lint schenen. Nu klom Elize de helling op en

verborg zich achter een kreupelboschje; de zwanen zetten zich dicht

bij haar neer en sloegen met hun groote witte vleugels.

Zoodra de zon in het water verdwenen was, vielen de zwaneveeren

plotseling af, en nu stonden daar elf schoone prinsen, de broeders

van Elize. Zij gaf een luiden gil; ofschoon zij heel wat veranderd

waren, wist zij toch, dat zij het waren, gevoelde zij, dat zij het

zijn moesten. En zij vloog hun in de armen en noemde hen bij name;

en de prinsen voelden zich hoogst gelukkig, toen zij hun kleine

zuster zagen en herkenden ook haar, die nu groot en schoon was. Zij

lachten en weenden, en al spoedig hadden zij begrepen, hoe slecht

hun stiefmoeder voor hen allen geweest was.

«Wij broeders,» zei de oudste, «wij vliegen als wilde zwanen, zoolang

de zon aan den hemel staat; zoodra zij ondergegaan is, krijgen wij onze

menschelijke gedaante terug. Daarom moeten wij altijd oppassen, dat

wij bij den ondergang der zon een rustplaats voor onze voeten hebben;

want als wij op dien tijd naar de wolken opvliegen, dan moeten wij als

menschen in de diepte neerstorten. Hier wonen wij niet; er ligt een

even schoon land als dit aan gene zijde der zee. Maar de weg daarheen

is ver: wij moeten over de groote zee heen, en er bevindt zich geen

eiland op onzen weg, waar wij kunnen overnachten: alleen een kleine

klip steekt er in het midden daarvan uit; deze is slechts zoo groot,

dat wij, dicht naast elkander liggende, daarop kunnen slapen. Is

de zee in hevige beweging, dan spat het water hoog boven ons uit;

maar toch danken wij God voor die klip. Daar overnachten wij in onze

menschelijke gedaante; zonder deze zouden wij ons lieve vaderland

nimmer kunnen bezoeken, want twee van de langste dagen des jaars

hebben wij voor onzen tocht noodig. Slechts eenmaal in het jaar is

het ons vergund, een bezoek aan ons vaderland te brengen; elf dagen

mogen wij hier blijven en over het groote bosch heenvliegen, vanwaar

wij het kasteel waarin wij geboren zijn en waar onze vader woont, en

de hooge kerktorens, waar onze moeder begraven is, kunnen zien. Hier

komt het ons voor, alsof boomen en planten aan ons verwant waren;

hier loopen de wilde paarden over de steppen heen, zooals wij dit in

onze kindsheid gezien hebben; hier zingt de kolenbrander zijn oude

liederen, waarop wij als kinderen dansten; hier is ons vaderland;

hierheen gevoelen wij ons aangetrokken, en hier hebben wij u, o lieve,

kleine zuster, gevonden! Twee dagen kunnen wij hier nog blijven,

dan moeten wij over de zee naar een heerlijk land, dat ons vaderland

echter niet is. Hoe zullen wij je daar naar toe brengen? Wij hebben

geen schip en geen boot!»

«Op welke wijze kan ik je verlossen?» vroeg hun zuster. En zij spraken

bijna den geheelen nacht met elkaar: zij sliepen slechts eenige uren.

Elize ontwaakte door het geklep der zwanevleugels, die over haar heen

bruisten: haar broeders waren weer veranderd en vlogen in groote

kringen en eindelijk ver weg; maar een hunner, de jongste, bleef

achter; en de zwaan legde zijn kop in haar schoot en zij streelde

zijn vleugels; den geheelen dag waren zij bij elkaar. Tegen den avond

kwamen de anderen terug, en toen de zon ondergegaan was, stonden zij

daar weer in hun natuurlijke gedaante.

«Morgen vliegen wij van hier weg en kunnen voor het einde van een

geheel jaar niet terugkeeren. Maar wij kunnen je zoo niet verlaten. Heb

je moed om mee te gaan? Ik ben sterk genoeg om je door het bosch te

dragen. Zouden wij met ons allen niet zulke sterke vleugels hebben,

om met je over de zee te vliegen?»

«Ja, neemt mij mee!» zei Elize.

Den heelen nacht waren zij bezig van buigzame wilgenschors en taaie

biezen een net te vlechten, en dit werd groot en stevig. Op dit

net legde Elize zich neer, en toen de zon te voorschijn kwam en

haar broeders in wilde zwanen veranderd werden, pakten zij het net

met hun snavels beet en vlogen met hun lieve zuster, die nog sliep,

hoog naar de wolken op. De zonnestralen vielen vlak op haar gezicht,

daarom ging een der zwanen boven haar hoofd vliegen, opdat zijn breede

vleugels haar zouden beschutten.

Zij waren al ver van het land verwijderd, toen Elize wakker werd;

zij dacht, dat zij nog droomde, zoo zonderling kwam het haar voor,

hoog door de lucht over de zee gedragen te worden. Naast haar lag een

tak met heerlijke, rijpe bessen en een bosje smakelijke wortelen;

deze had de jongste der broeders voor haar verzameld en bij haar

neergelegd. Zij glimlachte hem toe, want zij herkende hem; hij was het,

die boven haar vloog en haar met zijn vleugels beschaduwde.

Zij waren zoo hoog, dat het grootste schip, dat zij onder zich zagen,

een witte meeuw scheen te zijn, die op het water dreef. Een groote

wolk stond achter hen; dat was een berg. En op dezen zag Elize haar

eigene schaduw en die der elf zwanen; zoo reusachtig groot vlogen

zij daar. Dat was een tooneel, prachtiger dan zij er vroeger ooit

een gezien had. Maar toen de zon hooger steeg en de wolk verder

achterbleef, verdween ook het zwevende schaduwbeeld.

Den geheelen dag vlogen zij voort, als een snorrende pijl door de

lucht; maar het ging toch langzamer dan anders, want nu hadden zij hun

zuster te dragen. Er was ruw weer ophanden; de avond viel; angstig zag

Elize de zon al meer en meer dalen, en nog was de eenzame klip in zee

niet te zien. Het kwam haar voor, alsof de zwanen krachtiger slagen

met hun vleugels deden. Ach! zij was er de schuld van, dat zij niet

vlug genoeg konden voortkomen. Als de zon ondergegaan was, dan moesten

zij menschen worden, in de zee neerstorten en verdrinken. Nu zond zij

uit het binnenste haars harten een gebed tot God op; maar nog zag zij

geen klip. De zwarte wolk kwam naderbij; de wolken schenen een enkele,

groote, dreigende massa te zijn, die er bijna als lood uitzag en al

meer en meer voorwaarts dreef; bliksemstralen doorkliefden de lucht.

Nu was de zon juist aan den rand der zee. Het hart van Elize beefde;

nu daalden de zwanen naar beneden, zoo snel, dat zij meende te

vallen. Maar nu vlogen zij weer verder. De zon was half onder het

water; nu zag zij eerst de kleine klip onder zich. Deze zag er niet

grooter uit, dan of het een zeehond was, die met zijn kop boven het

water uitstak. De zon daalde zeer snel; nu scheen zij nog slechts als

een ster; daar raakte haar voet den vasten grond aan. De zon doofde

uit, evenals de laatste vonk in brandend papier: arm in arm zag zij

haar broeders om zich heen staan; maar meer plaats dan juist voor

dezen en voor haar was er ook niet. De golven sloegen tegen de klip

aan en spatten als een stofregen over haar heen; de lucht stond als

in vuur, en de eene donderslag na den anderen ratelde; maar zuster

en broeders grepen elkaar bij de hand en zongen psalmen, waaruit zij

troost en moed putten.

Toen het den volgenden morgen begon te schemeren, was de lucht helder

en stil; zoodra de zon opging, vlogen de zwanen met Elize van het

eiland weg. De golven gingen nog hoog; het had, terwijl zij zoo hoog

in de lucht waren, den schijn, alsof het witte schuim op de zwartachtig

groene zee millioenen zwanen waren, die op het water zwommen.

Toen de zon hooger steeg, zag Elize voor zich, half in de lucht

drijvend, een bergachtig land met schitterende ijsmassa's op de

rotsen; en in het midden daarvan verhief zich een kasteel van wel een

mijl lang, met de eene kolossale zuilengang boven de andere; beneden

golfden palmbosschen en prachtige bloemen. Zij vroeg, of dit het land

was, waar zij naar toe wilden; maar de zwanen schudden met hun kop,

want datgene, wat zij zag, was het heerlijke, aldoor afwisselende

wolkenkasteel der Fata Morgana; daarin konden zij geen menschen

brengen. Elize staarde het aan; daar stortten bergen, bosschen en

kasteel ineen, en twintig trotsche kerken, alle aan elkaar gelijk,

met hooge torens en spitsboogvensters stonden voor hen. Zij meende een

orgel te hooren spelen, maar het was de zee, die zij hoorde. Nu was

zij zeer dicht bij de kerken, en eensklaps werden deze tot een geheele

vloot, die onder haar voortzeilde; maar toen zij naar beneden keek,

waren het slechts nevelen, die over het water heen dreven. Zoo had

zij een voortdurende afwisseling voor oogen, totdat zij eindelijk het

werkelijke land zag, waar zij naar toe wilden; daar verhieven zich de

heerlijkste blauwe bergen met cederbosschen, steden en kasteelen. Lang

voordat de zon onderging, zat zij op de rotsen voor een groote grot,

die met fijne groene slingerplanten begroeid was; het zag er uit,

alsof het geweven tapijten waren.

«Nu zullen we eens zien, wat je hier van nacht droomt!» zei de jongste

broer en wees haar haar slaapkamer.

«Moge de Hemel geven, dat ik droom, hoe ik je kan verlossen!» zeide

zij. En deze gedachte hield haar geheel en al bezig; zij bad innig

tot God om Zijn hulp; ja, zelfs in den slaap ging zij met bidden

voort. Daar kwam het haar voor, alsof zij hoog in de lucht vloog,

naar het wolkenkasteel der Fata Morgana; en de toovergodin kwam haar

te gemoet, schoon en van licht stralende; en toch geleek zij precies

op de oude vrouw, die haar in het bosch bessen gegeven en haar van

de zwanen met gouden kronen op den kop verteld had.

«Uw broeders kunnen verlost worden,» zeide zij; «maar bezit ge moed

en volharding? Wel is het water zachter dan uw fijne handen, maar

toch rondt het de steenen af; doch het voelt de smarten niet, die uw

vingers zullen voelen; het heeft geen hart en lijdt den angst en de

kwelling niet, die gij zult moeten doorstaan. Ziet ge die brandnetel,

die ik in mijn hand houd? Van die zelfde soort groeien er verscheidene

rondom de grot, waarin ge slaapt; alleen die daar en die, welke op de

graven van het kerkhof groeien, zijn bruikbaar: let daar wel op! Die

moet ge plukken, ofschoon zij uw hand vol blaren zullen branden. Braak

deze brandnetels met uw voeten, dan krijgt ge vlas; daarvan moet ge

elf hemden met lange mouwen vlechten en naaien; werp deze over de

elf zwanen heen, dan is de betoovering geweken. Maar bedenk wel, dat

ge van het oogenblik, waarop ge met dezen arbeid begint, totdat deze

voltooid is, al mochten er ook jaren mee verloopen, niet moogt spreken;

het eerste woord, dat ge spreekt, dringt als een doodende dolk in de

harten van uw broeders door! Aan uw tong hangt hun leven! Neem dat

alles wel ter harte!»

En zij raakte met haar hand tegelijkertijd de brandnetel aan; deze was

als een brandend vuur; Elize werd er wakker van. Het was klaarlichte

dag, en dicht bij de plaats, waar zij geslapen had, lag een brandnetel

evenals die, welke zij in den droom gezien had. Nu viel zij op haar

knieën, dankte God en ging de grot uit, om een begin met haren arbeid

te maken.

Met haar fijne handen greep zij in de leelijke brandnetels; deze

waren als vuur; zij brandden groote blaren op haar handen en armen:

maar gaarne wilde zij dit lijden doorstaan, als zij er haar geliefde

broeders maar door kon verlossen. Zij braakte iedere brandnetel met

haar bloote voeten en vlocht het groene vlas.

Toen de zon ondergegaan was, kwamen haar broeders en verschrikten,

toen zij merkten, dat zij stom was; zij dachten, dat dit een nieuwe

betoovering van hun booze stiefmoeder was. Maar toen zij haar handen

zagen, begrepen zij, wat zij om hunnentwil deed. De jongste broeder

weende; en waar zijn tranen vielen, daar voelde zij geen pijn meer;

daar verdwenen de brandende blaren.

Den heelen nacht bracht zij met haar arbeid door; want zij had geen

rust, voordat zij haar broeders verlost had. Den volgenden dag,

terwijl de zwanen weg waren, zal zij in haar eenzaamheid; maar nog

nooit was de tijd haar zoo gauw voorbijgegaan als thans. Één hemd

was reeds klaar, nu begon zij aan het tweede.

Eensklaps weerklonk er een jachthoorn tusschen de bergen; zij werd door

vrees aangegrepen. Het geschal kwam gedurig naderbij; zij hoorde honden

blaffen; verschrikt vluchtte zij in de grot, bond de brandnetels,

die zij verzameld en gebraakt had, in een bosje samen en zette zich

daarop neer.

Terstond kwam er een groote hond uit de kloof te voorschijn, en al

spoedig daarop weer een, en nog een; zij blaften luide, liepen terug

en kwamen andermaal weer. Het duurde slechts weinige minuten, en nu

stonden al de jagers voor de grot, en de schoonste van hen was de

koning des lands. Hij ging naar Elize toe; nooit had hij een schooner

meisje gezien.

«Hoe zijt ge hier zoo gekomen, beste meid?» vroeg hij. Elize schudde

met het hoofd: zij mocht immers niet spreken; het gold de verlossing

en het leven van haar broers. En zij verborg haar handen onder haar

schort, opdat de koning niet zou zien, wat zij moest lijden.

«Ga met mij mee!» zeide hij. «Hier kunt ge niet blijven. Als ge even

goed zijt als schoon, dan zal ik u in zijde en fluweel kleeden, een

gouden kroon op uw hoofd zetten, en dan zult ge in mijn prachtigste

kasteel wonen en heerschen!»--Daarop tilde hij haar op zijn paard. Zij

weende en wrong zich de handen; maar de koning zei: «Ik wil slechts

uw geluk. Eenmaal zult ge mij daarvoor danken.» Met deze woorden reed

hij door het gebergte heen en zette haar voor zich op het paard neer,

en de jagers reden achter hen.

Toen de zon onderging, lag de schoone koningstad met kerken en koepels

voor hen. En de koning bracht haar in het kasteel, waar groote

fonteinen in de marmeren zalen sprongen, en waar schilderijen aan

de muren prijkten. Maar zij had daarvoor geen oogen: zij weende en

treurde slechts. Gewillig liet zij zich door de vrouwen koninklijke

kleeren aandoen, paarlen in de haren vlechten en fijne handschoenen

over haar verbrande vingers aantrekken.

Toen zij daar in al haar pracht stond, was zij verblindend schoon,

zoodat het hof diep voor haar boog. En de koning verkoos haar tot zijn

bruid, ofschoon de aartsbisschop het hoofd schudde en fluisterde, dat

het schoone meisje uit het bosch zeker een heks was: zij verblindde

de oogen des konings en maakte zijn hart verdwaasd.

Maar de koning luisterde daar niet naar, liet de muziek weerklinken,

de kostelijkste gerechten opdragen en de bekoorlijkste meisjes om

haar heen dansen. En zij werd door geurende tuinen in prachtige

zalen gebracht, maar geen enkel glimlachje kwam er op haar lippen

of uit haar oogen: als een beeld der treurigheid stond zij daar. Nu

deed de koning een kleine kamer daarnaast open, waar zij zou slapen;

deze was met kostbare groene tapijten versierd en geleek op de grot,

waarin zij geweest was; op den vloer lag een bosje vlas, dat zij

uit de brandnetels vervaardigd had, en onder een gordijn hing het

hemd, dat geheel gereed was. Dit alles had een der jagers als een

curiositeit meegenomen.

«Hier kunt ge u in uw vroegere woonplaats terugdroomen!» zei de

koning. «Hier is de arbeid, die u daar bezighield; thans, midden in al

uw pracht, zal het u een genoegen zijn, aan dien tijd terug te denken.»

Toen Elize zag, wat haar zoo na aan het hart lag, speelde er een

glimlach om haar lippen en keerde het bloed naar haar wangen terug. Zij

dacht aan de verlossing van haar broeders, kuste den koning de hand,

en hij drukte haar aan zijn hart en liet door al de kerkklokken het

bruiloftsfeest verkondigen. Het schoone, stomme meisje uit het bosch

werd de koningin van het land.

Nu fluisterde de aartsbisschop booze woorden in de ooren van den

koning, maar deze drongen niet tot zijn hart door. De bruiloft zou

plaats hebben; de aartsbisschop zelf moest haar de kroon op het hoofd

zetten, en hij drukte met kwaadwilligheid den nauwen diadeem vast

op haar voorhoofd, zoodat het haar pijn deed. Maar een heviger pijn

gevoelde zij in haar hart: de smart over haar broeders. Zij voelde

het lichamelijk lijden niet. Haar mond was stom; een enkel woord zou

immers aan haar broeders het leven kosten; maar in haar oogen verried

zich innige liefde jegens den goeden, schoonen koning, die alles deed

om haar genoegen te geven. Van ganscher harte kreeg zij hem van dag

tot dag meer lief. O, mocht zij haar hart slechts voor hem kunnen

uitstorten en hem haar lijden klagen! Doch stom moest zij zijn, stom

moest zij haar werk volbrengen. Daarom sloop zij des nachts van zijn

zijde weg, ging naar de kleine kamer, die evenals de grot ingericht

was, en maakte het eene hemd na het andere gereed. Maar toen zij aan

het zevende zou beginnen; had zij geen vlas meer.

Zij wist, dat de brandnetels, die zij moest hebben, op het kerkhof

groeiden; maar deze moest zij zelf plukken. Hoe zou zij daar naar

toe kunnen gaan?

«O, wat is de pijn in mijn vingers bij de foltering, die mijn hart

doorstaat!» dacht zij. «Ik moet het wagen! Het zal mij stellig aan

hulp niet ontbreken!» Met een angst, alsof het een booze daad was,

die zij in den zin had, sloop zij in den nachtelijken maneschijn naar

den tuin en liep door de lanen en door de eenzame straten naar het

kerkhof. Daar zag zij op een der grootste grafsteenen een troep heksen

zitten. Deze leelijke heksen trokken haar lompen uit, alsof zij zich

wilden baden, en daarop dolven zij met haar lange, magere vingers de

versche graven op, haalden er met duivelsche begeerigheid de lijken

uit en aten van hun vleesch. Elize moest er op een kleinen afstand

voorbij, en zij vestigden haar booze blikken op haar; maar zij bad

in stilte, verzamelde de brandnetels en bracht ze naar het kasteel toe.

Slechts een enkel mensch had haar gezien, en wel de aartsbisschop;

hij was wakker, wanneer de anderen sliepen. Nu had hij toch gelijk,

dat het met de koningin niet was, zooals het wezen moest; zij was

een heks, daarom had zij den koning en het volk verblind.

In den biechtstoel zeide hij tegen den koning, wat hij gezien had en

wat hij vreesde. En toen de harde woorden van zijn lippen vloeiden,

schudden de heiligenbeelden met hun hoofden, alsof zij wilden zeggen:

«Het is zoo niet! Elize is onschuldig!» Maar de aartsbisschop gaf er

een andere uitlegging aan; hij dacht, dat zij tegen haar getuigden,

en dat zij om haar zonde het hoofd schudden. Nu biggelden den koning

twee tranen langs de wangen; hij ging naar huis met twijfel in zijn

hart en hield zich 's nachts, alsof hij sliep. Maar er kwam geen

geruste slaap in zijn oogen: hij merkte, dat Elize opstond. Iederen

nacht herhaalde zij dit, en telkens achtervolgde hij haar stilletjes

en zag, hoe zij in haar kamer verdween.

Van dag tot dag werd zijn voorkomen somberder; Elize zag dit, maar

begreep niet, hoe het kwam; het maakte haar echter ongerust, en wat

leed zij niet in haar hart voor haar broeders! Op het koninklijk

fluweel en purper vloeiden haar heete tranen; deze lagen daar als

fonkelende diamanten en allen, die deze schitterende pracht zagen,

wenschten koningin te zijn. Intusschen was zij al spoedig met haar

arbeid gereed; slechts één hemd ontbrak er nog aan; maar vlas had

zij ook niet meer en geen enkele brandnetel. Nog eenmaal, en wel

voor den laatsten keer, moest zij daarom naar het kerkhof, om eenige

handenvol te plukken. Zij dacht met angst aan dezen eenzamen tocht

en aan de verschrikkelijke heksen; maar haar wil stond vast, alsmede

haar vertrouwen op den Heer.

Elize ging er heen; maar de koning en de aartsbisschop volgden

haar. Zij zagen haar het hek van het kerkhof doorgaan, en toen zij daar

dichter bij kwamen, zaten de heksen op den grafsteen, evenals Elize ze

gezien had; en de koning wendde zich af, want hij meende ook haar daar

te zien, wier hoofd nog dien zelfden avond aan zijn borst gerust had.

«Het volk moet haar vonnissen!» zeide hij. En het volk veroordeelde

haar tot den dood op den brandstapel.

Uit de prachtige koninklijke zalen werd zij naar een donkeren,

vochtigen kerker overgebracht, waar de wind door de tralies heenfloot;

in plaats van fluweel en zijde gaf men haar het bosje brandnetels,

dat zij verzameld had: daar kon zij haar hoofd op neerleggen: de

harde, brandende hemden, die zij vervaardigd had, zouden haar dekens

zijn. Maar men had haar niets kunnen geven, wat haar aangenamer was;

zij vatte haar werk weer op en bad tot God. Buiten zongen de jongens

spotliederen op haar; niemand troostte haar met een vriendelijk woord.

Daar klapten er tegen den avond dicht voor het getraliede raam

zwanevleugels; dat was de jongste der broeders. Hij had zijn zuster

gevonden; en zij snikte luid van vreugde, ofschoon zij wist, dat

de nacht, die aanstaande was, waarschijnlijk de laatste zou zijn,

dien zij te leven had. Maar nu was het werk ook bijna geëindigd,

en haar broeders waren hier.

De aartsbisschop kwam nu, om in haar laatste uren bij haar te zijn:

dat had hij den koning beloofd. Maar zij schudde het hoofd en smeekte

met blikken en gebaren, dat hij heen zou gaan. Dezen nacht moest zij

haar arbeid immers voltooien, anders was alles vruchteloos, alles:

smart, tranen en slapelooze nachten. De aartsbisschop verwijderde zich,

terwijl hij haar toornige woorden toevoegde; maar de arme Elize wist,

dat zij onschuldig was en ging met haar werk voort.

De kleine muizen liepen over den vloer; zij sleepten brandnetels naar

haar toe, om toch ook wat te helpen; en de lijster zette zich voor

het raam neer en zong den heelen nacht zoo vroolijk, als zij maar kon,

opdat Elize den moed niet zou verliezen.

Het was nog schemerachtig; eerst na verloop van een uur ging de zon

op. En daar stonden de elf broeders voor de poort van het kasteel en

verlangden tot den koning toegelaten te worden. Dat kon niet gebeuren,

werd hun ten antwoord gegeven; het was immers nog nacht: de koning

sliep en mocht niet wakker gemaakt worden. Zij smeekten en dreigden,

de wacht kwam, ja, zelfs de koning ging naar buiten en vroeg, wat dat

moest beteekenen? Daar ging de zon op, en nu waren er geen broeders

te zien; maar boven het kasteel vlogen er elf wilde zwanen.

Het geheele volk stroomde de stadspoort uit: het wilde de heks zien

verbranden. Een oud paard trok de kar, waarop zij zat, voort; men

had haar een kiel van grof zaklinnen aangetrokken; haar prachtig

haar hing verward om haar hoofd; haar wangen waren doodsbleek, haar

lippen bewogen zich zachtjes, terwijl haar vingers het groene vlas

vlochten. Zelfs op haar doodsweg hield zij niet met het begonnen werk

op; de tien hemden lagen aan haar voeten, aan het elfde werkte zij

nog. Het gepeupel bespotte haar.

«Kijk die leelijke heks eens! Geen gezangboek heeft zij in de hand;

neen, met haar afschuwelijke tooverij zit zij daar! Scheurt haar in

duizend stukken!»

En zij snelden allen op haar los en wilden de hemden verscheuren,

toen er elf wilde zwanen kwamen aanvliegen, die zich rondom haar

op de kar neerzetten en met hun groote vleugels klapten. Nu week de

menigte verschrikt op zijde.

«Dat is een teeken van den hemel! Zij is zeker onschuldig!» fluisterden

velen. Maar zij waagden het niet, dit overluid te zeggen.

Nu greep de beul haar bij de hand, waarop zij de elf hemden haastig

over de zwanen heenwierp. En onmiddellijk stonden daar elf schoone

prinsen. Maar de jongste had een zwanevleugel in plaats van zijn

eenen arm, want er ontbrak een mouw aan zijn hemd: deze had zij niet

klaargekregen.

«Nu mag ik spreken!» zeide zij. «Ik ben onschuldig!»

En het volk, dat zag, wat er gebeurd was, boog zich voor haar als voor

een heilige; maar zij zonk levenloos in de armen van haar broeders:

zoozeer hadden overspanning, angst en smart haar aangegrepen.

«Ja, onschuldig is zij,» zei de oudste broeder, en nu vertelde hij

alles, wat er gebeurd was. En terwijl hij sprak, verspreidde zich een

geur, als van millioenen rozen, want ieder stuk brandhout van den

brandstapel had wortelen geschoten en kreeg takken; er stond daar

een geurende heg, hoog en groot, met roode rozen; bovenaan prijkte

een bloem, wit en schitterend; deze fonkelde als een ster. De koning

plukte haar af en stak haar op de borst van Elize: nu ontwaakte zij

met vrede en gelukzaligheid in het hart.

En alle kerkklokken luidden van zelf, en de vogels kwamen bij groote

scharen aan. Het werd een bruidsstoet naar het kasteel terug zooals

geen koning nog ooit gezien had!

Andersens Sproken en vertellingen Morgenrood · 第 29 / 83 题