XIV.

'T WONDER.

Dienzelfden nacht sliepen Wibbe en Hesse al 'n paar uur, de eerste

rustig en vast, maar Hesse! Telkens voelde Hesse 'n schok door

z'n lichaam gaan.... dan keerde hij zich om en sliep weer half

in. Maar opeens werd hij klaar wakker! Hij ging rechtop in zijn bed

zitten, wreef zich de oogen en probeerde rond te zien--hij vond

't koud.... hij huiverde en eensklaps voelde hij 'n hevige angst in

zich opkruipen....

Wat was er nou?

Snel stapte hij uit bed en bleef 'n oogenblik voor 't raam staan

alsof hij daar iets vreeselijks verwachtte....

Niets.

Toen kroop de jongen weer in bed, maar hij bleef wakker liggen,

huiverend en bang....

Z'n onrust nam toe.... het scheen hem alsof er om hem heen

verschrikkelijke dingen gebeurden, die hij niet kon zien....

Weer zat hij rechtop, luisterend....

Hij hoorde niets....

Klappertandend zat hij op den rand van 't bed en allerhande

schrikbeelden verschenen hem voor de oogen....

Plotseling schoot hem 'n woord in de gedachte, wolven....

De wolven!

In geen twee weken hadden ze er iets van gehoord.... waarom dacht

hij dan nu ineens aan hen?

De wolven?....

Hesse zàg ze.... hij hoorde hen nader sluipen in z'n verbeelding.... ze

kwamen de dieren dooden!

Trillend over al z'n leden stond Hesse vóór 't bed en al maar sterker

werden de tooneelen, die de koorts hem voor de oogen bracht....

Hij zag de wolven de kelder binnengaan.... ze sloegen Dodo, trapten

Oortje dood....

Hesse werd aangegrepen door 'n felle angst, die hem als vanzelf naar

de deur van z'n kamertje dreef....

Lijkbleek en trillend, met wijde oogen daalde hij langzaam de trap

af....

Beneden schoof hij de grendels weg en daar kwam hij buiten in de

stille avondlucht....

Als in 'n droom liep hij 't straatje af, 't bruggetje over en zoo

volgde hij de kromming naar de kerk.

Daar rees de oude toren voor hem op....

Hesse keek omhoog en zag de vlag bewegen, zijn vlag!

Er was dus niets gebeurd, 't bleef doodstil, hij hoorde geen

ander geluid dan 't ritselen van de blaren, zacht bewogen door den

avondwind.... Hesse stond even stil, trillend, klappertandend. Daar

trof 'n vreemd gerucht z'n oor.... hij luisterde....

't Waren korte ploffen alsof Bles stond te stampen. Sliep 't beest

niet?

Stil!... daar hoorde hij 't schelle geblaf van Rip.... waarom?....

Hesse liep voort naar den toegang van den toren. Hij had moeite om

over de puinhoop te klimmen, telkens struikelde hij.... de maan wierp

'n vreemd licht over den bouwval.

Nu naderde hij de versperring, maar de heete gloed die de koorts naar

z'n hoofd deed stijgen, verbijsterde hem....

Hij leunde tegen de deurpost, heftig bevend....

Z'n krachten begonnen hem te begeven, z'n knieën knikten en alles

leek te bewegen....

Toch had hij nog besef om naar binnen te gaan en daar zakte hij

in elkaar....

Hesse sloot de oogen.... 'n ijskoude doortrok z'n lichaam en

onwillekeurig zocht hij bedekking....

Even sloeg hij de oogen op en--daar zag hij iets bewegen.... iets

blauws.... 'n dwaallichtje?.... Eén oogenblik week de koorts voor

't heftig gevoel van angst.... plotseling dacht hij aan den ouden

koster, die brand veroorzaakt had.... Hesse wilde weten, wat 't blauwe

vlammetje beteekende....

Hij probeerde overeind te komen, steunend op z'n armen.... 't viel

'm moeilijk, maar 't móést!

Met inspanning van z'n laatste krachten sleepte hij zich naar 't

vreemde lichtje.... hij wilde 't uitdooven.... natuurlijk uitdooven,

maar 't ging verder.... 't bewoog zich van hem af....

Weer verloor Hesse even alle bezinning en de lont brandde voort,

naderde 't kruit.... nog 'n paar handbreedten....

Bles had z'n jongen weldoener herkend bij 't zwakke schijnsel van

't flauw binnenvallende maanlicht. Telkens wendde hij den ouden kop

om en met 't eenige goede oog zocht hij de oorzaak van 't gerucht--

toen zag hij z'n jongen vriend.... en om z'n aandacht te trekken,

stampte hij telkens met z'n poot op den grond....

Dat hielp want iederen keer bewoog 't jonge baasje zich weer.... Zou

hij hem komen aaien net als zoo dikwijls?.... waarom lag hij daar

zoo op den grond?.... Ik zal nog eens stampen, dacht Bles, maar er

kwam geen beweging in Hesse meer....

Dat verdroot Bles vreeselijk en nu begon hij zich te verplaatsen zoo

goed z'n stramme pooten dat toelieten.... hij rukte aan 't touw, dat

hem losjes verbond aan 'n kram in den muur.... en--deze liet los....

Toen sjokte Bles naar den stilliggenden jongen baas toe en hij stootte

hem met z'n kop aan.... z'n warme adem woei over 't gezicht van

Hesse en--de jongen sloeg weer de oogen op.... hij zag de donkere

gedaante van 't paard.... flauw herinnerde hij zich z'n angst.... hij

keek.... zag weer 't blauwe vlammetje, nog enkele vinger-breedten van

't kruit verwijderd.... Hesse wentelde zich om en of hij al gloeide en

trilde, hij hield vol, sloeg z'n vingers om de steenen rand.... hijgend

ging z'n borst want nu--nu--in dit laatste oogenblik begreep

Hesse wat 't blauwe vlammetje beteekende.... plotseling kwam

't gelezen verhaal in z'n verhit hoofd.... de geschiedenis van

'n ontploffing.... daar kwam ook 'n lont bij te pas.... ja--ja!--

't was 'n lont!

Daar ginds, dat hoopje.... dat hoopje grijze stof moest kruit zijn!....

Nu kreeg Hesse alle kracht terug.... met één ruk was hij bij de lont

en trapte 't vuur dood.... toen stortte hij voorover....

Bles begreep 't niet, hij naderde den jongen baas, besnuffelde hem

en eensklaps raakte hij zelf aan 't eind van z'n kracht en met 'n

zacht kreunen zakte hij naast z'n redder in elkaar.....

De uren van den nacht kropen voorbij.

Wibbe ontwaakte, frisch en helder. Dadelijk tikte hij tegen 't beschot

om Hesse te roepen, maar hij kreeg geen antwoord.

Dus trok Wibbe er op uit, niet door de deur, maar door 't raam. Hij

gluurde in Hesse's kamertje--'t was leeg!

Wat flauw! dacht Wibbe, waarom roept ie me niet? Gisteravond was hij

ook al zoo vervelend. Wibbe keek nog eens goed, en--daar lagen toch

z'n buis en z'n vest, zelfs z'n kousen!

O, dan zat Hesse stellig op 't dak!

Wibbe aan den zoek!

Geen Hesse te vinden....

Ten einde raad kleedde Wibbe zich aan en hij kwam veel te vroeg

beneden.

Ook daar zocht hij overal en vervolgens in den tuin--géén Hesse!

Dat leek Wibbe verdacht!

Er welde 'n vage onrust in hem op....

Wacht, even aan de slaapkamer vragen!

De ridders van den halven toren · 第 69 / 77 题