Wibbe klopte en riep: "Hesse is weg! weet u er soms iets van?"

Dadelijk ging de deur open, mevrouw verscheen en met ontsteld gezicht

vroeg ze: "Wat weg, hoe weg? Vertel dan!"

Maar Wibbe kòn niets vertellen!

't Huis raakte in rep en roer, vooral omdat z'n kleeren nog op z'n

stoel lagen....

"Hij heeft nooit last van slaapwandelen gehad," zei mevrouw, "er moet

iets bizonders aan de hand zijn."

Ze zochten--ze zochten--alle drie!

Eensklaps klonk er 'n kreet!

Wibbe riep: "Misschien heeft ie van z'n dieren gedroomd! Hij zal in

de kelder zijn!"

't Kòn niet anders!

In alle haast rende Wibbe naar de kerk....

Geen vijf minuten later keerde hij doodsbleek terug en met moeite

stamelde hij: "Hesse--dáár--in den--toren--dood"....

Mevrouw viel op 'n stoel--de notaris liep snel de deur uit, en

Wibbe volgde.

"Dat moet nu uit zijn met dien toren!" dacht hij onder 't loopen,

"'k heb er niets dan last van."

Hij klom naar binnen, keek in 't halve duister van den toren, en ja,

daar lag Hesse naast het paard....

De schrik sloeg den notaris om 't hart bij 't zien van de witte

gedaante met de bloote voeten.... Onmiddellijk bukte hij, voelde den

hartslag--Goddank! Hesse leefde!

Voorzichtig nam de notaris den jongen op en droeg hem in één adem

naar huis, legde hem in bed, terwijl Wibbe zoo gauw hij kon den dokter

moest halen.

Mevrouw, in 't eerst hevig ontdaan, wist zich te herstellen. Ze

bracht Hesse weer bij, wikkelde hem warm in de dekens en vóór alles--

ze sprak geen woord.

Hesse bleek zéér zwaar ziek.

Angstige dagen volgden, waarin 't huis als uitgestorven scheen en

Wibbe onhoorbaar door de kamers sloop.

Niemand mocht bij Hesse, en zoo moest Wibbe alleen naar de kelder om

voor de dieren te zorgen.

En Wibbe, nu pas voelend, hoe hij aan Hesse was gehecht, práátte tegen

Dodo en de honden. Hij vertelde hun wat er gebeurd was en de schrandere

oogen van de dieren keken hem oplettend aan, alsof ze hem heelemaal

begrepen. Eenzaam dwaalde Wibbe rond en tien keer kwam hij vragen hoe

't met z'n vriend ging. En altijd hoorde hij: "Ssst! rustig!"

Meer niet!

Maar hij begreep wel, dat de toestand ernstig was, want de dokter

kwam haast elk uur kijken.

De drie stadsridders stonden verbluft, toen ze 's middags van

't ongeval hoorden en nog grooter werd hun verbazing tijdens 'n

ondervraging van den notaris.

Deze had willen weten waarom Hesse naar den toren was gegaan, omdat

er volgens den dokter iets heel bizonders moest gebeurd zijn.

En bij z'n onderzoek vond hij 't laatste stukje lont en--'t kruit.

Vandaar, dat hij de vier ridders aan 'n streng verhoor onderwierp,

maar natuurlijk--van hun kant geen sprake van dergelijke gevaarlijke

proefnemingen.

Wibbe wierp dadelijk de schuld op de wolven en nu gaf meneer

Broekenaaier last 'n onderzoek in die richting te beginnen, niet aan

de jongens, maar aan 'n vriend van hem in de stad. 't Kon de ridders

niet veel schelen!

Ze misten Hesse en meer en meer drong het tot hen door, dat hij in

doodsgevaar verkeerde. Niemand vertelde 't hun, maar ze konden 't

merken aan mevrouw, aan de vreemde gezichten van allerlei menschen

die er van gehoord hadden en belangstellend kwamen vragen.

De bel klingelde niet meer.... op 't straatje lag zand en op de straat

waren bossen stroo gespreid. Hesse leed door zware hersenkoortsen,

na iederen aanval lag hij verzwakt in 't stille bed....

Maandagmiddag voor 't begin van den schooltijd na de groote vacantie

kwam 't bericht, dat Flip de schuldige was en toen de ridders weer op

de banken zaten, stil en gedrukt, bleef de plaats van Flip leeg. En

wat er van hem geworden was, wist niemand.--

Wibbe sliep beneden met meneer--mevrouw waakte en overdag nam zij

wat rust.

En toen de dokter begon te praten van: u moet u vóórbereiden.... ja,

toen kon zij zich niet goed houden.

Hesse, haar lieve Hesse met z'n mooie open oogen, z'n warm hart.... zou

die van haar weg gaan? En eenzaam in haar binnenkamer bad ze vurig

om redding voor den lieven jongen....

Maar de redding kwam niet....

Af en toe hoorde Wibbe hoe z'n arme vriend lag te schreeuwen door

'n onbekende angst.... wild sloeg hij met armen en beenen en niet

dan met de grootste moeite hield meneer hem in bed....

Heftig worstelde de jongen tegen den dood....

En de dokter wist geen raad....

Toen kwam de negende dag!

Uren lang lag Hesse schijnbaar rustig in 't bed, tot opeens de

vreeselijkste aanval begon.

De dokter en de notaris stonden elk aan 'n kant van 't bed....

Met tranen in de oogen zag de pleegvader hoe 't kind weer werd

aangegrepen door 'n folterende angst.... wilde vluchten....

't Zweet overdekte z'n vermagerd gezicht, de oogen puilden uit de

kassen, en al door gilde hij de namen van de wolven, van Dodo, Rip

en de andere dieren....

Eensklaps riep de dokter door 't felle schreeuwen van Hesse heen:

"De dieren! gauw!"

De notaris begreep hem niet dadelijk, tot de woorden: "haal ze, gauw,

eer het te laat is!" hem alles vertelden.

Snel waarschuwde hij Wibbe, die als versteend zat te luisteren....

En Wibbe vlóóg!

Dodo en Rip en Kas en Lizi voerde hij met zich mee, en nu leidde de

dokter de dieren bij 't bed.

En ziet--daar geschiedde 't wonder!....

Eén oogenblik leek 't wel, of Hesse dood zou ineenzakken, maar

toen werd hij stil, keek onder 't krampachtig schudden van zijn

lichaam naar de trouwe vrienden, die hem met groote oogen aankeken

en eensklaps viel hij op de knieën, sloeg z'n armen om Rip en hij

snikte zóó hartbrekend, dat de twee mannen zich omkeerden. Maar toen

de dokter zich weer meester was, zag hij, dat Hesse nu van uitputting

dreigde te sterven....

Snel legde hij hem achterover, dreef alles de kamer uit, behalve

Rip....

Enkele vreeselijke minuten verliepen....

Toen ging de deur van de ziekenkamer heel langzaam open, de dokter

sloop naar buiten, wenkte met de vingers op de lippen: Stil. En allen

verzamelden zich beneden in de huiskamer.

"Hij is gered, als hij niet te zwak is geworden."

Nu schreide mevrouw en ze aaide den goeden Kas en Lizi, terwijl Dodo,

bang door al dit vreemde doen bij Wibbe troost zocht.

De jongen kon geen woord zeggen, hij pinkte maar met z'n oogleden en

drukte 't aapje tegen zich aan.

'n Half uur ging voorbij.

De dokter was weer naar boven gegaan.

Allen wachtten....

Toen keerde hij terug met 'n blijden glimlach.

"Hij slaapt met z'n arm om den nek van Rip.... over 'n minuut of wat

haal ik den hond weg. Waarschijnlijk zal hij binnen twee of drie uur

niet wakker worden. U luistert goed en zoodra de jongen ontwaakt,

brengt u den hond weer binnen!

"Geluk gewenscht, hoor! Ik geloof, dat hij behouden is."

Ja, 't wonder was geschied!

Hesse bleef behouden!

Doodelijk zwak lag hij in 't bed, maar elken dag sterkte hij aan.

En Wibbe werd z'n beste verpleger.

Om vier uur wachtte hem Hesse al met ongeduld en dan zaten de twee

jongens bij elkaar zonder veel te spreken of Wibbe maakte z'n huiswerk,

telkens 'n blik naar den mageren bleeken vriend werpende.

Ja, Hesse was behouden en begon uit alle macht weer te werken om de

oude Hesse te worden.

Eens op 'n Zaterdagmiddag fluisterde Hesse:

"Laat me ze eens zien."

Wibbe begreep hem onmiddellijk, en daar verschenen de dieren om hun

weldoener 'n eerste bezoek te brengen en om hem geluk te wenschen

met z'n herstel.

Wibbe voerde eerst Dodo naar 't bed. Dadelijk sprong 't aapje bij

z'n jongen baas en nu streelde Hesse met z'n magere hand 't diertje

en zacht zei hij: "Dodo."

Toen volgde Rip, die onmiddellijk aan 't hoofdeind naast z'n jongen

baas ging zitten en al maar met z'n stuk staart kwispelde.

Kas deed jaloersch en dus zocht hij aan den anderen kant van 't bed

'n plek, om daar eveneens hevig te gaan kwispelstaarten.

Knuppeltje dacht, dat zij wel op 't voeteneind mocht zitten.

Oortje, Witje, Lizi en Koko begrepen niet veel van den toestand en

dus vergenoegden ze zich maar met kalmpjes toekijken.

Met 'n paar overgelukkige oogen zag Hesse de gansche schare om z'n

bed en elk kreeg 'n woordje en--wat lekkers.

Mevrouw, die wel zag, hoe dit bezoek hem aangreep, hief de zitting op.

Daar gingen ze heen, de kamer uit en met 'n lange blik keek Hesse

hen na.

Voor hij ging slapen, vroeg hij mevrouw: "Zou ik ooit weer in den

kelder komen om Bles te zien?"

"Natuurlijk, jongen! waarom niet? Je moet wat geduld hebben, tot je

weer flink sterk bent!"

Hesse schikte zich in z'n lot en vooral door de groote toewijding van

Wibbe, die al z'n vrijen tijd opofferde om voor de dieren te zorgen

en om den herstellenden vriend bezig te houden.

Nu pas hoorde Wibbe 't verhaal van dien vreeselijken nacht, toen de

toren dreigde te worden verwoest door 'n ontploffing van 't kruit.

En nu pas hoorde Hesse, dat de schuldige van school was genomen en

door den oom, waar hij in huis woonde, naar 'n dorp was gestuurd in

huis bij 'n onderwijzer, die hem misschien wel tot 'n beteren jongen

zou weten op te voeden.

En Wibbe vertelde alles van school, alles!

Natuurlijk mochten de andere ridders nu ook op bezoek komen!

Niet lang, want onwillekeurig werden ze met d'r vijven te druk.

Eindelijk kwam 't groote nieuws: Hesse mag weer buiten en over twee

weken naar school!

Kort na dit bericht staken de vier ridders de hoofden bij elkaar en

met groot gejuich werd 't voorstel van Henk aangenomen om 't volledige

herstel van Hesse feestelijk te vieren en dat nog wel in den toren!

En 't prachtigste van alles zou zijn: 'n algemeene verzoening tusschen

de wolven en de ridders.

Na 't verdwijnen van Flip verloren de wolven de voornaamste reden

tot kwaad doen.

Ze hoorden uit alle monden 'n geweldige afkeuring van Flips roekelooze

daad, ze raakten zoozeer in 'n slecht blaadje, dat ze verheugd de

toenadering van Henk aanvaardden en toen deze op 'n edelmoedige

wijze voorstelde om ter eere van Hesse 'n broederfeest te vieren,

toen weigerden ze niet en ze beloofden hun volle medewerking om

't feest te doen slagen.

De onderwijzer glimlachte, toen hij 't hoorde.... zijn stil werk

droeg toch vruchten.

Hesse vermoedde niets van de grootsche plannen! Overgelukkig wandelde

hij op 'n middag aan den arm van Wibbe naar buiten.

Daar zag hij alles weer, den groenen tuin, nu al met de rijpende

vruchten.... hij zag den toren en de lieve vrienden in de kelder,

waar de zon stralend binnen viel.

't Groote schild behoefde alleen nog maar dienst te doen bij regen.

De honden blaften en sprongen om Hesse heen, Dodo zat ineens behendig

op z'n schouder, en Bles, de goede trouwe stakker, die eigenlijk z'n

jongen baas had gered, nou, die hinnikte! ja heusch, wat hem in geen

jaren meer was gelukt, dat gebeurde nu--hij hinnikte.

't Klonk wel heel akelig, maar Hesse hoorde 't als 'n vreugdevolle

groet.

Hij nam de kop van 't dier tusschen de handen, en--en--ja--waarom

mag je 't niet weten! hij gaf 't beest 'n zoen op den gerimpelden neus.

En allemaal mochten ze mee naar buiten en o wonder, Oortje, zeker

bang voor 't sterke licht, sloeg z'n herstelde vliegvliezen uit en

fladderde omhoog, verdween in den toren.

Vroolijk scheen de zon, de hemel kleurde zoo schitterend blauw en

Hesse lachte maar stil voor zich heen. De oude drukke levendigheid

bleef nog zoek, maar dat zou wel komen.

En Wibbe schreeuwde telkens erg raar en wel zevenmaal greep hij

Hesse's hand, zwaaide die heen en weer en riep: "Echt, jò, echt!"

En toen kwam 't groote feest!

De ridders van den halven toren · 第 70 / 77 题