Over dit antwoord stonden de ridders verbaasd, alleen Henk zei:
"Je ziet maar, dat 't dikwijls domheid is, als kinderen wreed zijn."
De kikkers kregen 'n fijn plaatsje, veel gras en 'n partijtje vliegen,
zoodat ze zoetjes aan bij kwamen. Nu konden de ridders toch duidelijk
zien, hoe fraai die beestjes eigenlijk zijn.
Dien zelfden middag werden ze in de gelegenheid gesteld nòg 'n goede
daad te verrichten.
Het gebeurde buiten 't dorp op den weg naar Elde.
Vermoeid van 't zwerven, zaten de vijf aan den kant van den weg
te rusten.
Eensklaps werden ze opgeschrikt door luid geschreeuw....
Daar kwam 'n hondenkar aan, en de kerel, die er op zat, gilde als
'n bezetene, sloeg met de zweep woedend naar 'n hond. 't Dier liep
snel voort, maar nog niet snel genoeg naar den zin van den kerel. Hij
vloekte en raasde, tot plotseling enkele meters van de ridders af,
de hond ineenzakte, half hangend tusschen de boomen. De tong kwam
als 'n trillende bleekroode lap uit z'n bek en een geelachtig schuim
vlakte op den grond. Maar nu werd de kerel nòg woedender!
Hij rukte aan de leidsels, sprong van den wagen en begon 't machtelooze
beest te schoppen, tot hij er zelf van hijgde....
De jongens waren opgesprongen, in 't eerst verschrikt, maar toen
ontwaakte bij Hesse weer 't heftig medelijden met 't gemartelde dier.
Met 'n vaart stoof hij op den beul af en haast gillend klonk z'n stem:
"Schei uit! laat 't! beul! beul! beul!"
Even verwonderd liet de kerel de zweep rusten en hij staarde de
jongens met z'n beloopen oogen aan, maar toen hij begreep, alleen
met kinderen te doen te hebben, begon hij opnieuw....
't Bloed steeg Hesse naar 't hoofd!
Z'n driftige aard kwam boven en als 'n dolleman vloog hij op den
kerel aan, greep de zweep en als 'n roofdier klampte hij zich aan
den man vast om hem verder martelen te beletten....
Toen keerde zich de woede van den kerel tegen Hesse en hij begon
heftige pogingen in 't werk te stellen om zich van den jongen te
ontdoen....
Dat ging niet zonder pijn gepaard en dus schreeuwde Hesse om hulp....
Dat deed de overige ridders eindelijk aanpakken!
Onder aanvoering van Henk stormden ze op den kerel los en ze begonnen
hem aan te vallen bij 't uiten van doordringende kreten....
't Duurde niet lang, of van twee zijden naderden nieuwsgierigen en
't spreekt van zelf, dat de jongens geholpen werden....
Hesse trad als aanklager op, en iedereen, die 't stervende dier zag
liggen, moest de waarheid erkennen van Hesse's woorden.
Een auto hield stil....
Snel stapte 'n heer uit, ondervroeg enkele omstanders en toen richtte
hij zich tot den kerel, stelde hem enkele vragen, sneed onderwijl
alle touwen en riemen los en toen volgde z'n bevel: "Sjouw jij zelf
je kar, dat arme beest neem ik onder m'n bescherming. Je zult er meer
van hooren!"
De drank had uitgewerkt.... stumperig stond de kerel tegenover den
burgemeester van Elde en mompelde flauwe verontschuldigingen.
Onderwijl droegen Hesse en Wibbe den hond in de auto en na 'n kort
gesprek tusschen den burgemeester en Hesse klommen de vijf ridders
óók in den wagen, twee bij den chauffeur.
Beteuterd zag de kerel de auto wegrijden en onder 't minachtend
lachen van de omstanders, die nu dóór liepen, bleef de dierenbeul
alleen bij z'n kar....
In de auto leerde de Eldensche burgemeester den jongen ridder Hesse
pas goed kennen. Hij hoorde van den halven toren, van Dodo, Rip,
Oortje en Knuppeltje. Het spreekt van zelf, dat hij den hond Kas heel
graag onder bescherming van de vijf ridders stelde.
Hesse begon meteen over 't katknuppelen en nu bleek, dat dit laffe
spel werkelijk verboden was. De burgemeester zou er achterheen zitten,
dat beloofde hij.
In korten tijd reden ze naar Kooten, waar jongens en hond bij den
notaris werden afgezet.
Notaris en burgemeester wisselden 'n paar woordjes en 't zaakje kwam
in orde.
Daar deed 'n nieuw slachtoffer z'n intrede! De andere bewoners van
de kelder toonden zeer groote belangstelling, behalve de kikkers.
De arme Kas, met litteekens overdekt, ellendig uitgezakt en vergroeid
door het te zware trekken, lag languit op 't stroo.
Hij begreep den toestand niet....
Waar bleven 't dreigend geschreeuw, de felle slagen, de ruwe
trappen?....
Hij liet z'n helpers stil begaan en 't leek wel of hij zacht huilde....
De ridders voelden zich trotsch met deze redding en vooral Hesse.
Er kwam enkele dagen later 'n geldzending als bijdrage in de kosten
van onderhoud. De vroegere eigenaar was afgekocht en toch bekocht,
want hij kreeg straf ook.
De burgemeester van Elde deed door 't gestuurde geld van z'n
belangstelling blijken en de ridders konden nu van alles koopen voor
hun beschermelingen.--
Na dien dag scheen 't wel, of de ridders alle ongelukkige dieren in den
omtrek moesten ontmoeten. Ten minste de kelder werd achtereenvolgens
bevolkt door nog vier nieuwe beklagenswaardige dieren. Daar kwam
eerst 't geitje, Lizi gedoopt en gered uit de handen van 'n vrouw,
die algemeen voor niet goed wijs werd gehouden.
Op Lizi volgde 't eekhoorntje Koko, uit 't geldpotje vrijgekocht na
'n ellendig leven in 'n soort van molentje.
Na Koko verscheen Witje, de duif, verlost uit de ruwe handen van Joe,
den mandenmaker. Deze had 't diertje aan één poot opgehangen!....
Ten slotte volgde--Bles!
'n Paard toch zeker niet?
Toch wel!
'n Oud, halfblind, kreupel uitgemergeld paard! Dat was 'n triomf voor
de ridders, dit armzalige dier uit z'n slavernij gehaald te hebben
voor de som van zeventien gulden, eerlijk voldaan uit de geldpot voor
de dieren.
De notaris zorgde wel, dat die pot goed gevuld was, zoogenaamd door
allerlei dierenvrienden, maar in werkelijkheid.... nou ja.
Zegepralend voerden ze Bles mee en bezorgden den stakker 'n lekkeren
stal in den toren!
Ziezoo.
Even de lijst oplezen: Dodo, Rip, Oortje, Knuppeltje, Groenrokken,
Kas, Lizi, Koko, Witje en Bles.
De groenrokken verlieten 't gezelschap na hun herstel. Zij voelden
zich hier vreemd en ze toonden ook heelemaal geen belangstelling in
de anderen. De rest blééf.
Geen wonder, dat de ridders 't druk hadden en vooral Bles eischte
heel wat zorgen, wilde de arme knol niet dood gaan.
Maar hij háálde 't, gelukkig!
Natuurlijk kreeg de kelder nu ook bezoek van nieuwsgierigen en van
dierenvrienden.
Elk betaalde één dubbeltje toegangsprijs, 'n bijdrage in de kosten
van onderhoud.
En 't was de burgemeester van Elde, die na 'n bezichtiging van de
kelder tot de jongens zei:
"Jullie bent echte ridders van den halven toren, je hebt mooi en
flink gehandeld! 't Zal jullie wel goed gaan!"
Maar Flip was met z'n vreeselijk plan klaar! Op zekeren donkeren
avond in de laatste week van de vacantie wist hij langs 'n omweg
't dorp te bereiken, geheel alleen!
Hij droeg 'n zak over den schouder....
Voorzichtig sloop hij buiten om achter de boomen tot bij den toren....
Hij wierp zich nu voorover en kroop naar den voet tot vlak bij de plek,
waar de steen was los gemaakt.
Hier werkte hij zich door de opening en nu stond hij onder in 't
duister van den toren.
Even schrikte hij, omdat Bles met z'n poot op den vloer stampte....
't Lantarenlicht deed hem 't paard zien, zoodat hij gerust gesteld
werd.
In 'n hoek opende hij den zak en haalde er enkele pakken uit....
Hij wierp den inhoud, veel gelijkend op grijs zand onder de trap op
'n hoop....
Daarna kwam er uit den zak 'n zeer lange witte in elkaar gedraaide
driedubbele katoenen draad....
't Uiteinde legde hij in 't grijze zand....
Toen wikkelde hij den draad af en kroop met 't uiteinde in de hand
weer naar buiten....
Daar stond hij behoedzaam stil....
De honden hadden even aangeslagen, meer niet. 't Uiteinde van den
draad hield hij in de kaarsvlam.... 't ding begon te smeulen en
zachtjes verplaatste zich de gloed....
Flip verdween snel in 't duister....
En de lont brandde langzaam op.... 'n blauwachtig vlammetje kroop den
toren in en schoof al maar voort.... met 'n wijden boog om Bles heen
in de richting van 't kruit....