DE LONT.

'n Week lang merkten de ridders geen spoor van vijanden. Hun onrust

zakte en van zelf begonnen ze afleiding te zoeken in andere bezigheden.

Dodo en Rip waren weer hersteld, maar toch bleven ze in huis, de

kelder bleek 'n alles behalve veilige schuilplaats te zijn.

De notaris had de ridders ook eens onder handen genomen en hen gedreigd

met afsluiting van den toren als dat vechten niet ophield!

Hesse en Wibbe verdedigden zich!

Zij waren niet begonnen, zij wilden niets liever dan arme dieren

zoeken en die verplegen, zij waren geen laffe beulen....

De notaris wist 't wel en dus vertelde hij, dat de vreemde jongens

eenvoudig niet meer in 't dorp werden toegelaten.

Van nu af aan herleefden ze!

Wat wisten zij van Flips vreeselijke plan!

Onbewust van 't dreigend gevaar begonnen ze met nieuwen moed hun

zwerftochten door de omstreken, op zoek, zooals echte ridders betaamt

naar onderdrukte en lijdende dieren. En 't lot was hun gunstig!

In 't naburig dorp Elde werd kermis gevierd. Nou, kermis en jongens,

die trekken elkaar aan. Mevrouw had Wibbe en Hesse 'n extra kwartje

gegeven onder voorwaarde, dat ze 't geld niet al te dwaas zouden

besteden.

Henk en Jan en Kees waren óók van de partij!

'n Vroolijke boel, daar in Elde!

Langs de hoofdstraat aan weerskanten tal van kramen en stalletjes,

twee draaimolens en 'n paar spellen!

En 'n volk op de been! Heel veel uit de stad. Met d'r vijven lieten

ze zich door den stroom mee voeren, wrongen zich eens los om te

blijven kijken naar 't bal werpen, 't messen gooien en meer van die

vermakelijkheden, waar jongens dol op zijn.

Hesse waagde 'n dubbeltje, want hij zag 'n mes--'n mes, nee maar,

'n pracht van 'n mes. En hij zou den ring er ineens over wippen. Zeven

ringen voor één dubbeltje! Zeven kansen!

En Hesse mikte.... mikte.... gooide zes maal mis.... zeven maal

mis.... en Hesse had 'n dubbeltje minder en ook wat plezier.

Kees moest met alle geweld 'n koek winnen, 'n groote natuurlijk,

zoo één met 'n vracht suikerletters en kleurige vruchten.

Zoo'n koek had je pardoes voor 'n stuiver! Ja zeker, voor 'n stuiver,

als je ten minste wòn. Twaalf menschen moesten meedoen, elk voor vijf

centen en wie dan 't hoogste aantal oogen wierp, die hàd de koek.

Niets moeielijk!

Je zorgde maar, dat je méér gooide dan de anderen!

Tot z'n groot verdriet gooide Kees minder en dus kreeg hij géén koek en

'n stuiver was weg.

Henk liet zich nergens toe overhalen en lachte om Wibbe, die eventjes

met 'n bal zou werpen in 't kuiltje, waar 'n roode streep door

liep. Dan won je 'n doos chocolade!

Stel je voor, 'n groote doos voor 'n dubbeltje! Maar och help, Wibbe's

bal kwam in 'n heel ander kuiltje, en daarom kreeg hij 'n dun reepje

van zes centen waarde!

Henk zei: "Je had voor je dubbeltje beter 'n reep van 'n dubbeltje

kunnen koopen!"

En Jan probeerde listig met 'n flesch te slingeren, 'n leege flesch,

die aan 'n touwtje hing.

Bij 't teruggaan moest je 'n kegeltje omwerpen en dan won je iets

moois, dat je mocht kiezen uit 'n verzameling.

Maar die domme flesch slingerde akelig aan den linkerkant van 't

kegeltje terug, als je hem rechts had doen afgaan.

En Jan verloor ook 'n dubbeltje!

'n Dubbeltje, waarvoor je vijf keer in den draaimolen kon zitten, of

't kalf met twee koppen voor mocht bewonderen.

Henk deed niets, tot hij aan de schietkraam kwam. 't Gezicht van de

windbuksen, al de pijpen die je stuk mocht schieten, al de knoppen,

die je kon raken en waardoor dan iets aardigs te voorschijn kwam uit

'n hokje, 't dansende glinsterende balletje op 'n spuitend fonteintje,

't deed Henk 'n dubbeltje offeren om twee maal te kunnen schieten.

En Henk, bewonderend gadegeslagen, legde aan, mikte en schoot niets!

En Henk legde weer aan, mikte weer en schoot weer....

Toen raakte hij 't knopje van 't linkerkastje, waaruit onder algemeene

toejuichingen en groot gelach 'n komieke oude vrouw kwam schuiven.

Ze reed tot vlak bij en--gaf Henk 'n dubbeltje!

"Zie je," zei Henk, "twee maal geschoten, jool gehad en 't heeft

niets gekost."

"Nou ja, omdat je bij ongeluk geraakt hebt," zei Jan.

Henk stoof òp!

"Bij ongeluk? Raak is raak! Dan zijn alle raakschoten bij ongeluk!"

Ze kregen haast ruzie, maar gelukkig trok 'n nieuw schouwspel hun

aandacht.

Aan 't eind van de straat sloeg je rechts af, dan kwam je op

'n pleintje. Daar zat 'n kat in 'n ton en die ton hing hoog aan

'n paal. Met knuppels probeerden nu 'n aantal boerenjongens de kat

te raken.

't Beest klemde zich met de nagels in doodsangst vast, maar elke stoot

tegen de ton, deed er haar toch weer half uitvliegen. Dan probeerde

'n volgende 't dier te treffen, want wie 't beest doodelijk raakte,

die was winner!

Hesse geloofde z'n oogen niet!

Mòcht dat? Voelden die jonge mannen niet, hoe vreeselijk zoo'n dier

moest lijden?

Ze dachten er natuurlijk niet over. Hun vaders hadden ook heel wat

katten doodgeknuppeld, waarom zij niet? Ze vonden 't een leuk spel.

Hesse niet!

Zijn gevoelig hart kwam in opstand, maar wat kon hij er aan doen?

O, maar dan ken je Hesse niet!

In 'n oogenblik wist hij, wat hem te doen stond.

Tot verbazing van de spelers verscheen er 'n tweede kat, nee,

'n jongen, die als 'n kat in de paal klom, ruiter te paard over de

dwarsbalk schoof, zich liet zakken, de kat bij 't nekvel greep en

haar boven op de dwarspaal zette....

Toen eerst beseften de jonge kerels wat er gebeurde! Ze begonnen te

schreeuwen, maar Hesse liet ze schreeuwen!

Langzaam schoof hij terug, nam de kat mee, en daarna gleed hij met

't versufte beest naar beneden.

De spelers wachtten hem op, maar Hesse, vechtend voor 't leven van

'n dier, sprong als 'n dolleman heen en weer, nu geholpen door de

vrienden.

Schreeuwend als 'n bezetene, trappend en schoppend verdedigde Hesse

't geredde beest, tot één der beulen riep: "Laat loopen! katten

genoeg!" En Hesse liep!

En de vier ridders liepen!

De heele kermis vergaten ze, tot ze buiten 't dorp uitgeput neervielen

met poes.

't Dier zag er treurig uit!

Eén pootje hing er bij en één oog zat half toe.

Na kort beraad besloot Hesse, 't gewonde beest naar huis te brengen,

dan mochten de anderen verder kermis vieren.

"Tegen!" brulde Henk, "samen uit, samen thuis! We gaan mee en dan

laten we die heele kermis waaien."

"Dan gaan we morgen draaien!" riep Jan.

"Met rijmen!" bromde Henk.

"Dan redden we wéér 'n kat!" schreeuwde Hesse, "ik vind 't geen leuke

beesten, maar ik kan toch niet hebben, dat ze mishandeld worden."

Mevrouw sloeg de handen in elkaar van verbazing bij de verschijning

van de nieuwe gewonde.

"Nee maar!" riep ze, "dat is nummer vier! Hou nu alsjeblieft op! m'n

huis is toch geen ziekeninrichting!"

Ondanks d'r gemopper begon ze toch dadelijk de arme poes te behandelen

en daarbij keken acht belangstellenden toe, te weten: vijf ridders,

Dodo, Rip en de vleermuis.

Na 'n uitstekende verbinding werd poes in een mand gelegd

en--eensklaps, gebeurde er iets vreemds, want de huiskat, Mimi

genoemd, die van jaloezie weg was geloopen, kwam binnen en ze begon

bij 't zien van die indringster te blazen en aanstalten te maken tot

'n gevecht op leven en dood.

"Hoor 's," zei mevrouw, "jullie wolven komen waarschijnlijk nooit

terug. Ik zou dus de kelder maar weer in gebruik stellen, want je

ziet hoe 't hier zou gaan."

En ze drukte Mimi tegen zich aan, in elke hand, één poot.

Zoo kwam 't, dat vier zieken over werden gebracht naar de kelder,

waar elk 'n eigen hoekje kreeg.

't Groote schild lieten ze nog maar voor 't luchtgat. Je kon nooit

weten!

Dodo en Rip vonden 't niet zoo bar plezierig! Zij zouden liever

in gezelschap van die lieve mevrouw gebleven zijn, maar de ridders

sloofden zich uit, om 't den dieren naar den zin te maken.

En dan, ze waren nu toch met d'r vieren!

"Verbeeld je," zei Jan, "verbeeld je, dat Rip de kat dood bijt of de

kat eerst de vleermuis op eet."

Jan werd uitgelachen!

"Zieke dieren eten elkaar niet op en dan--ze zullen toch wel begrijpen,

dat zoo iets verboden is," beweerde Kees.

Toch sloten ze 't vleermuisje door wat latwerk 'n beetje af, en ook

poes diende zich voorloopig met 'n hokje te vergenoegen, tot gebleken

was, hoe Rip over die zaak dacht.

Het werd dien dag te laat om nog naar de kermis terug te gaan.

Maar--onder 't middagmaal vertelden Hesse en Wibbe van 't katknuppelen.

Eigenlijk gezegd zat Wibbe z'n vriend hemelhoog te prijzen om z'n

dappere daad, en natuurlijk stemde de notaris daar mee in.

Toen Hesse vertelde, dat hij den volgenden dag weer 'n kat ging redden,

stak de notaris er 'n speldje vóór.

"'t Is nu goed afgeloopen," zei hij, "'n tweeden keer zullen ze je

niet gemakkelijk laten begaan! Je hebt gehandeld uit echt medelijden

en dat is goed, heel goed! Maar verder--basta!"

Dat verbod speet Hesse geweldig, al moest Wibbe eerlijk bekennen,

dat 't voor de tweede maal een gevaarlijk werkje zou worden.

En de drie stadsridders vonden 't ook maar beter toen ze er den

anderen dag van hoorden. Dien morgen hielden de vijf zich met de vier

bezig. Het bleek dat Rip heelemaal niet van plan was om de verminkte

poes aan te vallen, integendeel, hij en Dodo zaten broederlijk bij

de doos en keken ook verder vredelievend toe bij 't vernieuwen van

't verband.

Knuppeltje noemden ze de kat en de vleermuis die nog steeds niet

fladderen kon, kreeg den naam van Oortje.

Na de algemeene verzorging van de dieren in de kelder, na 't

uitdeelen van verschillende lekkernijen vervaardigden de ridders

meerdere afgeschoten plaatsen en met d'r negenen gebruikten ze 't

tweede ontbijt.

's Middags trokken de ridders er weer op uit om goede werken te

verrichten.

't Lot bleef hen gunstig!

In 'n weiland zagen ze 'n aantal kinderen met iets bezig....

Hesse vermoedde mishandeling!

Hij er op af!

En jawel, 'n paar jongens hadden kikkers gevangen en nu waren ze

bezig om die dieren zoo goed als dood te martelen.

De ridders sloegen de martelaars op de vlucht, brachten vier half

doode beesten in de kelder.

Henk kreeg 'n paar folteraars te pakken. Hij schudde ze dan door

elkander en vroeg: "Waarom doen jullie dat, hè? Dacht je, dat die

arme beesten geen gevoel hadden?"

De ridders van den halven toren · 第 67 / 77 题