Wibbe antwoordde: "Dodo en Rip!"

'n Schok voer door Hesse heen....

Aan den hond en 't aapje had hij niet gedacht.

"Zie je," vervolgde Wibbe, "ze zullen begrijpen dat we aan de beesten

gehecht zijn en ze gebruiken om ons de baas te blijven."

"Als ze 't toch wagen om ze kwaad te doen!" zoo barstte Hesse uit.

"Ik stel dus vóór, om eerst eens poolshoogte te nemen en 't allereerste

moeten we probeeren om Dodo en Rip uit de kelder te krijgen."

De woorden van Wibbe klonken verstandig. In de grootste haast kleedden

ze zich aan, deden verwarde verhalen beneden, verslikten zich door

't snelle eten en eindelijk gingen ze er op uit.

Nauwelijks naderden ze den toren, of van boven klonken er helsche

kreten, die hen verschrikt achteruit deden stuiven.

Verschillende hoofden verschenen over den rand en dreigende handen

vertoonden brokken steen, gereed om hen te wonden.

"Hadden we nu 't schild maar niet gebruikt in de kelder!" zoo barstte

Hesse los.

Ze stonden achter de boomen vrij veilig en daar dachten ze na over

't geen hen te doen stond.

De kelder bereiken ging moeielijk door 't groote gevaar om door

steenen te worden getroffen.

Eén kans bleef er nog over, dat de wolven niet aan Dodo en Rip dachten.

Toch móést er wat gedaan worden.

Hesse trilde van opwinding!

Hij kon de gedachte niet verkroppen, dat de toren door de wolven

bezet was.

De ridders van den halven toren · 第 62 / 77 题