"Wat!" gilde Hesse, "opgeven? Dulden dat de wolven ze misschien
mishandelen? Nooit!"
"Wat wil je doen? Wij samen kunnen ze niet uit den toren verdrijven!"
"Hulp ga ik halen, iedereen moet helpen! De wolven zijn vreemde
indringers, ze mógen niet in den toren! Ga mee!"
Wibbe volgde z'n vriend, die snel achter de boomen heen liep.
Van boven klonk 'n hoonend gelach en enkele steenen vlogen langs
hen heen.
Maar de jongens bereikten veilig den anderen kant en verdwenen achter
de huizen.
Hesse klampte 't allereerst boer Peggers aan en die deed wel boos,
maar hij kon op 't oogenblik niet helpen en evenmin de knechts door
de drukte op 't veld.
Andere dorpelingen vonden 't weer zoo erg niet en gaven ze den raad er
den burgemeester in te halen. Die kon den veldwachter op kommandeeren!
Alleen wat kleine jongens, die in de vacantie wat rond scharrelden,
spitsten de ooren en liepen mee.
Hesse kòn de teleurstelling niet goed dragen! Hij had zóó vast gehoopt
dat zoowat 't heele dorp achter hem aan zou komen, en nu niets meer
dan die peuters.
Hij zou wel in huilen kunnen uitbarsten.
Wibbe troostte wat hij kon!
Die had niet anders verwacht en die wist hem eindelijk kalm te krijgen.
"Wacht nu tot vanmiddag, jò, dan komen de vrienden! Laten we alvast
beginnen om schilden te maken anders kunnen we toch niets."
Wibbe bracht afleiding!
Hesse veegde woest z'n oogen uit en driftig riep hij: "Schilden,
já, schilden!"
En ze trokken naar den tuin, ze hadden 'n zaag, spijkers en 'n hamer,
ook beitels en boren.
Toen begon er 'n groot werk!
Ze wilden niet één schild maken, één, voor hen allemaal, neen,
vijf kleine! Dus zaagden ze in 't zweet huns aanschijns plankjes,
timmerden die aan elkander door middel van dwarsbalkjes, óók eerst
mooi passend afgezaagd.
Onderaan kwam 'n kunstig handvat of beter gezegd: 'n armgat. Daarvoor
namen ze reepen oud linnen, bereidwillig door mevrouw afgestaan. Die
reepen spijkerden ze aan 't schild vast met de twee uiteinden, zóó dat
't middelste gedeelte bol bleef en daar kon dan 'n arm door.
Op die wijze kregen ze vier fijne schilden, terwijl als nummer vijf
de deksel van 'n groote vuilnispot dienst deed.
Na de voltooiïng van twee stuks waagden Wibbe en Hesse 'n tweeden
onderzoekingstocht. Zorgvuldig hielden ze 'n schild boven zich,
terwijl ze over de puinhoopen voortstapten.
Ze bereikten 't luchtgat en probeerden nu de afsluiting om te duwen,
want ze wisten dat de stutpalen gemakkelijk scheef zakten. Toch
lukte hun poging niet, te minder door 't gekletter van steenen op
hun schilden.
's Middags werden de vrienden met heftig ongeduld ontvangen. Dadelijk
kregen die 't groote nieuws te hooren en inderhaast stelden ze samen
'n plan op, voor den aanval.
Henk zag 't zwaar in!
"We weten zelf, hoe moeilijk 't is, om in den toren te komen! En zij
zijn met d'r tienen!"
"Wat wou je dan?" vroeg Hesse nijdig, "moeten we soms niets doen en
zoo maar kalmpjes toezien? Ik dènk daar niet aan!"
Henk suste den opgewonden Hesse en kalm antwoordde hij: "Ik bedoel
alleen, dat we goed verzinnen moeten om 't beste plan te vinden. Ik
dacht er over, ze eenvoudig uit te hongeren. We omsingelen den toren
en waken dagen lang, tot ze er wel uit móéten!"
Henks plan werd toegejuicht, maar Hesse had terecht bezwaren.
"Wou je dan 's nachts óók waken? Krijg jij verlof van huis om weg
te blijven?"
Ja, daar begonnen de moeielijkheden te rijzen!
Toch bleef 't plan van Henk besproken en na lange beraadslagingen
besloten ze verlof te vragen en anders, ja, anders maar zònder verlof!
Wibbe en Hesse konden natuurlijk 's nachts geen dienst doen! Die
hadden den notaris te dicht bij zich.
Er zat dus niets anders op, dan dat Henk, Jan en Kees er de straf
voor over hadden en dien nacht weg bleven....
Hesse kreeg er zijn voorstel nog door: "Zooveel mogelijk hulp halen
als 't werk op 't veld afgeloopen was. Dan stormloopen!"
Mislukte die aanval, goed, daarna kon de insluiting beginnen.
Dit voorstel werd aangenomen!
Elk gewapend met 'n schild nam 'n post in bij den toren. Met
verschrikkelijke gezichten liepen ze heen en weer en stoorden zich
niet aan de tartende kreten van de wolven.
Wacht maar!....
Flip, de aanvoerder hield met z'n mannetjes krijgsraad, want ze
begonnen te mopperen.
Ze vonden 't een vervelende boel!
Er gebeurde niets en door dat schildwachtje spelen van de ridders
begonnen ze lont te ruiken.
"Ze willen ons insluiten," meende Geert, "daar dank ik voor, want ik
heb 'n honger als 'n paard."
Vandaar dat Flip hen suste door 't volgende voorstel: "We wachten
't goede oogenblik af en dan kruipen twee van ons door 't gat en
halen brood...."
"Brood?" vroeg Geert, "doen we 't dan zonder middageten? En wou je
ons hier den heelen nacht laten blijven? Ik zou je danken. Ik wil op
tijd thuis zijn."
Nog 'n paar andere wolven waren 't met Geert eens.
Toen zei Flip: "Gaan jullie dan weg! Wij zullen 't zonder jullie ook
wel klaar spelen."
Nijdig draaide hij zich om, vast besloten nu vol te houden.
Geert smoesde met 'n paar anderen en hij sprak met hen af, om tegen
vijven ongemerkt door 't gat te ontsnappen....
Onverstoorbaar hielden de ridders de wacht.
Om de beurt verdween er één!
Die ging op hulp uit en zoo kregen ze ten minste de belofte van boer
Peggers, dat hij na 't werk en na 't eten met enkele knechts eens
zou komen kijken.
Maar 'n hoop klein goed hoopte zich bij den toren opeen, nieuwsgierig
naar 't einde.
Omstreeks half vijf trachtte Geert door 't gat te kruipen na heel
lang geloerd te hebben. Maar Kees kreeg 'm dadelijk in 't oog. Hij
gilde ontzettend en met vereende krachten dreven ze Geert terug.
Ze stonden er alle vijf van te kijken!
Daar was nu 't gat, waar zij zoo hard voor gezwoegd hadden.
Dadelijk werd de opening sekuur dicht gestopt en de bewaking ging
nog scherper voort!
Geert was woedend, omdat hij er niet uit kon. Hij begon al te praten
van overgeven....
Flip wilde er niet van hooren en dus bleven ze zonder brood op post.
't Ging spannen!
Werkelijk verschenen er later 'n aantal boerenarbeiders en ook boer
Peggers zelf.
Deze liet zich de zaak uitleggen.
Toen trad hij in 't gezicht van de wolven naar voren en riep: "Kom
er gauw uit! Dan zullen we je stil weg laten gaan, maar anders krijg
je een pak rammeling!"
Zeer nieuwsgierig naar 't antwoord naderden de ridders, voorzien van
hun schilden den toren.
Eensklaps klonk er 'n rauwe gil....
Hesse greep Wibbe met 'n fellen ruk beet.... z'n oogen staarden
angstig naar boven.... "Dodo! Rip!...."
Allen keken naar den torenrand en--op den afgebrokkelden kant
onderscheidden ze 't aapje.... en iets verder Rip!....
De wolven hielden ze vast.... ze zagen den hond probeeren zich los
te wringen en 't aapje schreeuwde....
Daar klonk de stem van Flip en ze hoorden: "Laat ons dóór, of anders
smijten we ze allebei naar beneden!"
Dat werd 'n moeilijk oogenblik!
Alle hoofden gingen bij elkaar....
"Beloof 't!" schreeuwde Flip weer.
Konden ze toen wel anders doen dan de wolven ongehinderd den toren
doen verlaten? En was 't trouwens niet de eenige bedoeling?