Woedend rukte hij zich los, vloog voor 't gemartelde dier en
schreeuwde: "Gooi mij dan dood, lafbekken!"
Door 't spektakel kwamen de boer, z'n vrouw en 'n paar knechts
naar buiten.
Ze verjoegen de lummels en de boer vroeg aan z'n zoon, wat er gebeurde.
"We hadden dat leelijke beest gevangen en nou moest 't dood, zoo'n
monster!"
"'t Is geen monster! 't Vangt duizenden muggen, 't doet geen mensch
kwaad!" riep Hesse, "en maak 't dan in eens dood, als 't moet!"
"'t Zijn leelijke beesten, ze vliegen de meisjes in d'r haren en ze
zuigen je bloed uit."
"Leugens! Heb je 't ooit gezien?.... Nou, zeg op! 't Zijn leugens! Er
is geen woord van aan! De een praat 't den ander na. Ik heb 't pas
gelezen, hoe nuttig die dieren zijn, en van al die verhalen is geen
woord waar!"
De boer, die wel wist wie hij vóór had, trok de spijkers los en toen
viel 't gefolterde dier met de gehavende vliezen en de gekneusde
pootjes op den grond....
Hesse was er dadelijk bij!
Voorzichtig nam hij 't diertje op....
Ja, 't had 'n leelijk snuitje, maar hoe fijn zag 't er uit en 't deed
toch niemand ooit kwaad! Het vloog 's avonds rond, laag over 't erf,
en 't ving de ellendige muggen. Verder deed 't niets, dat de menschen
schade berokkende of hinderde.
De boer scheen half overtuigd, want hij zond z'n zoon met 'n standje
naar binnen en vergoelijkend zei hij: "Ze wisten niet beter."
Hesse antwoordde geen eens!
Hij ging heen zonder groeten, met de gewonde vleermuis op z'n
zakdoek....
Mevrouw vond 't een griezelig dier, maar toen ze 't beestje eens goed
bekeek, zag ze de mooie vliezen, de ronde oogjes, en 't hulpbehoevende
van 't dier deed haar toch helpen.
De pootjes werden gezwachteld, de gescheurde vliezen tusschen de
lange teenen glad gelegd.
Die moest de natuur weer genezen, en eerder kon 't vleermuisje niet
fladderen.
De notaris toonde zich ook kwaad over de domheid van die lummels.
"Die vleermuizen dooden duizenden insecten, die de koeien en paarden
anders gek maken! Zulke nuttige beesten willen ze dooden! En dan
die kletspraatjes over bloedzuigen en in 't haar vliegen! Gewone
verzinsels!"
Zoo bromde de notaris.
De vleermuis werd in 'n doos op wat wol gelegd en allen hoopten, dat
't gemartelde beest weer gauw herstelde.
Omstreeks kwart voor tienen sprongen vier jongens over de sloot achter
de kerk.
Langs 'n omweg waren ze ongemerkt in de wei van boer Peggers
gekomen. Wèl had de hond aangeslagen, maar doordat ze niet de hofstede
naderden, zweeg 't dier na 'n poos.
En nu naderden Flip en drie van z'n makkers den ouden halven toren.
Sluipend bereikten ze den voet en hier begonnen ze dadelijk in 't
duister met twee meegebrachte ijzeren staven te werken.
De voorspelling van Flip kwam mooi uit!
De moeite, door de ridders indertijd besteed, werd nu in haar gevolgen
duidelijk, want na korten tijd liet 'n groot brok steen los....
Er ontstond 'n gat, groot genoeg om 'n jongen door te laten!
Flip gluurde naar binnen, maar hij onderscheidde niets. Geert liet
't licht uit 'n dievenlantaren in de opening vallen....
Toen kroop Flip in den toren, alleen maar voor 't gevoel, dat ze hun
doel bereikt hadden. Hij klom gauw terug en met de anderen stelden ze
't brok steen weer op z'n oude plaats.
Toen verdwenen ze in de duisternis....
Den anderen morgen werd Hesse al bizonder vroeg wakker. Op z'n teenen
sloop hij naar de keuken, waar 't doosje met de vleermuis stond.
Daar lag 't diertje en de vreemde oogjes staarden den jongen aan.
Dadelijk ging Hesse aan 't vangen van muggen en na 'n lange jacht
kon hij er twee aan de vleermuis geven.
Even Wibbe halen!
Met den vriend zamen brachten ze het tot zeven stuks!
"Zou 't genoeg zijn?" vroeg Hesse.
Wibbe meende van niet en toch, méér muggen konden ze met geen
mogelijkheid ontdekken.
"We zullen na 't ontbijt naar de slooten gaan," stelde Wibbe voor,
en dus klauterden ze weer naar boven, wierpen 't raam van Wibbes
kamer wijd open, en gingen in de goot zitten. Dat gaf 'n fijn uitzicht!
Je keek over de landen en als je ging staan, dan zag je net den halven
toren nog.
Hesse bleef niet lang rustig zitten, maar klom in de goot overeind,
half leunend tegen 't dak. Plotseling hoorde Wibbe hem 'n kreet slaken,
en hij zag hem met uitgestrekten arm wijzen naar iets in de verte....
Snel kwam Wibbe naast hem en ook hij kéék. In 't eerst begreep hij
niet, wàt er te zien viel, maar eensklaps vielen z'n oogen op den
halven toren....
Zag hij goed?.... de vlag....? niet oranje met 'n hond, maar
wit.... wit!.... met 'n wolf!....
Hesse begon ijselijke woorden te uiten, Wibbe beefde en allebei rolden
haast van de goot naar beneden!....
Heelhuids raakten ze in 't kamertje en nu brulde Hesse: "De wolven! de
wolven! Ze zijn in onzen toren!"
Wibbe gaf geen kik!
Hij kòn 't niet begrijpen!
"Stommelingen, die we zijn, om den toegang niet beter af te
sluiten. Maar ik zal ze helpen! Ze zijn er in en nu blijven ze er in!"
Wibbe zweeg aldoor, hij staarde Hesse met verschrikte oogen aan.
Deze vervolgde: "We roepen boer Peggers en de knechts en al onze
kennissen op 't dorp te hulp. Dan sluiten we den toren in en na
'n poos moeten ze zich overgeven."
Wibbe was de wijsste en zei niets. Vandaar dat Hesse hem vroeg:
"Lijkt 't jou niet?"