Haastig kleedde hij zich aan en met nadruk zei hij: "Rip!"

Wibbe vond 't best, nam de zorg voor den hond over onder toezicht

van den redder.

't Dier zag er alles behalve welvarend uit! De toegebrachte slagen

hadden hem leelijk toegetakeld, maar hij lééfde!

Voor de rest zou Hesse zorgen.

Wibbe mocht de natte plunje dragen, terwijl Hesse Rip meevoerde.

Dat ging niet zoo heel gemakkelijk omdat de hond moeielijk liep en

te groot was om te dragen. Wibbe draafde dus maar vast vooruit en

vertelde aan mevrouw, dat Rip in aantocht was.

Mevrouw keek 'n beetje raar en kortaf zei ze: "Krijg ik dien hond

ook in huis? Nee hoor, breng me dat beest maar in jullie kelder."

Waarom ook niet?

Inderhaast werd Rip naar de ridderzaal overgebracht en daar legden

Wibbe en Hesse den grootsten ijver aan den dag om 't arme beest goed

te doen.

Tot hun groote verrassing ontvingen de jongens bezoek!

Niemand minder dan de notaris en z'n vrouw. De laatste wilde toch

met alle middelen, die haar ten dienste stonden, meewerken om dien

viezen hond te verbinden of te reinigen.

Nog een bezoeker meldde zich aan--Dodo!

Die gluurde met z'n ronde oogjes den nieuwen bewoner nieuwsgierig aan.

Meestal waren de honden hem ware plaaggeesten geworden als hij in

de dorpen verscheen. Maar nu begreep 't aapje, dat er van dit zieke

beest niets te vreezen viel.

Rip kwam aardig bij!

De zalf verzachtte de beschadigde plekken en 't brood met restjes

vleesch smaakten hem ten slotte uitstekend.

Ingebakerd werd hij neergelegd in 'n hoek van de kelder op 'n oud

karpet.

"Slaap moet de rest doen," zei de notaris, "vooruit, gunt hem z'n

rust."

Zacht verlieten ze allen de kelder, Hesse sloot zorgvuldig den toegang

af en toen bleef Rip alleen.

"Jullie hebt 't daar heel aardig ingericht," zei de notaris, "je kunt

er best 'n asyl van maken, 'n toevluchtsoord voor lijdende dieren.

"Ik word begunstiger en stort 'n bijdrage van tien gulden in de

kas. In sommige bijzondere gevallen kan die verhoogd worden."

"Als de kaarsen op zijn," aldus Hesse.

"Nee, alleen voor de dieren! Zoo heb ik Dodo voor jullie

gekocht. Schadeloosstelling aan den eigenaar vijftig gulden!"

De jongens keken den notaris vreemd aan.

Nu pas schoot 't hen te binnen, dat ze hem nog niet eens hadden

bedankt.

Lachend weerde hij hen af en hij vertelde nu maar meteen, hoe 't gezin

nog meer geholpen was om eerlijk 't dagelijksche brood te verdienen.--

Den anderen morgen vroeg zochten Wibbe en Hesse hun beschermeling op,

vergezeld van Dodo.

Tot hun groote vreugde vonden ze Rip rechtop zitten en machtig mooi

bewoog z'n staart toen hij z'n redders herkende.

't Ontbijt werd gemeenschappelijk gebruikt en wonder boven wonder,

Dodo deed heelemaal niet schuw.

Integendeel, hij kruiste onderzoekend om Rip heen om eindelijk vlak

bij z'n kop te gaan zitten, peuzelend uit z'n handpootje.

Toen de zon 'n lichtplek op 't zand in de kelder begon te werpen,

moest Rip daar 'n verdere genezingskuur ondergaan.

Wel kreunde hij zacht bij 't heengaan van de drie nieuwe vrienden,

maar 'n poosje later merkten de ridders, dat hij weer sliep.

Henk, Jan en Kees werden aan Rip voorgesteld en de kennismaking

beloofde van weerskanten aangenaam te zullen zijn.

Kees had groot nieuws!

Hij was dien morgen 'n wolf voorbijgeloopen en die had hem toegebeten:

"Wacht maar! je zult wat beleven!"

De ridders van den halven toren · 第 56 / 77 题