Flip keek over den rand naar beneden....
De uitroep van Wibbe deed de andere ridders verschrikt oprijzen....
Hesse drukte Dodo beschermend tegen zich aan, z'n oogen fonkelden.
Maar 't hoofd van Flip was weer verdwenen, en flauw drong 'n gerucht
van stemmen tot de jongens door.
Eén oogenblik wisten ze geen raad!
Ze voelden zich gevangen, weerloos hier in die kelder tegenover
de wolven.
Hesse kreeg 't snelst z'n tegenwoordigheid van geest terug.
"De trap!" gilde hij, "naar de trap!"
Haastig legde hij Dodo in 't verste hoekje en nam toen z'n plaats in
onder aan de trap....
Maar tot hunne verbazing gebeurde er niets. Wel verschenen er telkens
eenige hoofden over den rand van 't lichtgat, maar even gauw verdwenen
ze weer.
"Ze durven niet verder!" zei Kees.
"Ze zijn wat van plan," fluisterde Jan.
Hesse aarzelde even--toen klom hij de trap op, kwam in den toren,
liep naar den toegang en juist zag hij de wolven over de puinhoopen
terug klimmen.
Hesse floot....
De vijf ridders vereenigden zich en ze waren even verbaasd als Hesse!
"Er steekt wat achter!" meende Henk, "ze gaan hulp halen of ze willen
ons met iets hinderen."
Hesse haalde voor alle zekerheid 't aapje uit de kelder, holde er
mee naar huis, en bracht 't daar in veiligheid.
Onderwijl trokken de vier anderen op verkenning uit en zóó merkten ze,
dat de wolven 't dorp inliepen.
Wibbe volgde ze nog even op 'n afstand--hij kwam terug met de
tijding: "Ze gaan naar de stad."
Onmiddellijk hielden de ridders 'n bijeenkomst, waarin maatregelen
werden beraamd tegen 'n mogelijken aanval.
Wibbe: De toegang tot den toren moet versperd worden.
Jan: We moeten om de beurt op den uitkijk gaan staan.
Henk: We dienen ze in 't dorp al af te wachten.
Kees: Laten we 'n afsluiting van de trap maken!
Na lang overleg namen ze 't besluit èn de toegang tot den toren en
die tot de kelder te versperren. Al drongen de wolven dan ook tot
den toren door, dan bleef de kelder nog gesloten.
"Maar onze vlag?" riep Wibbe, "als wij in de kelder zitten, kunnen
zij den toren beklimmen en onze vlag veroveren."
'n Nieuwe moeilijkheid!
't Slot was, dat ze met alle krachten 'n versperring van den toren
gingen aanbrengen.
Waarlijk geen kleinigheid!
De vroegere deur leverde 't eerste materiaal.
Verder sjouwden ze stukken balk, brokken steen en ook de zerk van
't keldergat voor de deuropening.
Met veel moeite kregen ze zóó 'n sterke versperring en toch bleef er
'n gat waar ze door konden kruipen.
Nu konden ze de vijanden geduldig afwachten.
Maar dien dag verscheen er geen enkele!
Dus werkten ze met grooten ijver aan de verbetering van de kelder
zelf en ook maakten ze 'n vernuftige afsluiting van de keldertrap.
Toch hielden ze nog genoeg tijd over om met Dodo te spelen.
Heel gezellig vond 't aapje de uitkijk boven op den halven toren,
waar het doodkalm op 't meest uitspringende puntje ging zitten.
De vroeger geleerde kunstjes bracht Dodo nu uit eigen beweging in
toepassing!
Zonder de minste moeite klom hij langs den buitenkant van den toren
en veel vlugger dan de jongens van binnen.
Om te toonen, hoe hij op Hesse gesteld was, buitelde hij telkens
vrijwillig over z'n kop of danste komiek in 't rond.
Misschien vond Dodo 't zelf zóó prettig, omdat de jongens wel 'n heel
dankbaar publiek vormden. Ze lachten huizen hoog, hun oogen schitterden
en in plaats van nieuwe kaarsen kochten ze telkens wat nootjes.
Zonder de angst voor de wolven zou er geen wolkje aan de lucht
geweest zijn.
En toch bracht die angst in hun leventje 't gewichtige avontuurlijke
waar alle jongens naar verlangen!
's Avonds, toen Hesse en Wibbe samen nog wat rond slenterden, terwijl
Dodo al rustig in z'n mand te slapen lag, hadden ze 'n ontmoeting,
die hun optreden als ridders weer noodzakelijk maakte.
Ze dwaalden ongemerkt af tot aan de brug over de vaart.
Hier zaten ze dikwijls naar voorbijgaande schepen te kijken.
't Was 'n mooi zitje met 't gezicht op 't glinsterende water van de
vaart, die met flinke bochten links en rechts tusschen de weilanden
door slingerde.
Hier en daar 'n boomgroep van de een of andere buitenplaats.
Veel koeien graasden overal en heel wat boeren hofsteden vormden
kleurige plekken tegen 't groen van de landen.
Nog niet lang zaten Wibbe en Hesse bij de brug of er naderde 'n schuit,
voortgetrokken door een armzalig paard.
Bij de brug werd de lijn losgelaten en 't moede beest met de doffe
oogen sjokte voorbij de jongens.
Hesse kon niet nalaten de noodige opmerkingen te maken, wat hem haast
'n venijnigen slag met de zweep deed oploopen.
Maar gelukkig werd z'n aandacht getrokken door 'n voorval op de
schuit zelf.
De schipper scheen 't met 'n hond te kwaad te hebben, ten minste,
hij schopte en trapte uit alle macht!
't Dier wist van angst niet waar 't zich bergen zou.... z'n gejank
drong de jongens door merg en been....
Eensklaps trof 'n heftige stoot van den vaarstok 't beest, dat nu
plotseling in 't water stortte. Toen begon de schipper den hond met
dien zelfden stok op den kop te slaan, zoodat 't dier in 't water
verdween....
Maar er verdween nog iemand in 't water!
Dat was Hesse!
Hij kòn 't mishandelen van dieren nu eenmaal niet aanzien....
Wibbe probeerde nog, hem tegen te houden, maar jawel! Hesse stoorde
zich nergens aan, hij dacht alleen aan dien wegzinkenden hond en dus
sprong hij van den kant de vaart in.
Tot z'n overgroote verbazing zag de schipper 'n jongen naderbij
zwemmen.
'n Leelijke lach verscheen op z'n gezicht....
Gelukkig, dat de schuit onderwijl al verder dreef, anders....
Hesse zag duidelijk de plek waar de hond was gezonken....
Eensklaps dook hij onder.... voelde in 't rond.... ja.... hij greep
iets vast....
Dadelijk keerde hij om....
Wibbe had intusschen z'n kleeren uitgerukt, bang voor ongelukken....
Ja, Hesse kon goed zwemmen, maar toch, je kon niet weten!
Zoo snel mogelijk draafde hij naar den brugwachter, vroeg 'n stok,
holde er mee terug, en kwam nog tijdig genoeg om dien Hesse toe te
steken en hem met den hond aan wal te trekken.
De hond bleef voor dood liggen, maar Hesse sprong als 'n levende
jongen uit waterland in 't rond, schudde zich heftig en toen kreeg
de drenkeling 'n beurt.
Hesse wist zoo iets van de bewegingen, die je moest toepassen om
't water uit de maag te krijgen en 't bloed te doen stroomen.
Met Wibbe en den brugwachter trok hij van leer. En ziet! de hond begon
't ingeslikte water terug te geven en na verloop van enkele minuten
opende hij de oogen.
Weer enkele minuten later durfde de bruggeman te beweren: "Hij haalt
't!"
En na nog tien minuten zat 't dier al!
Nu drong Wibbe er op aan, dat Hesse om zich zelf moest denken.
"Haal jij maar wat droge kleeren," kommandeerde Hesse, "ik doe hier
alles uit, 't is geen spier koud en dan hebben ze thuis de vuile boel
niet. Loop, Wibbe!"
Wibbe liep.
Hij ving de boosheid van mevrouw op, hij holde terug en vond Hesse
in Adams-kostuum bezig om Rip te wrijven en te rollen.