Ja juist, 'n zeil moesten ze hebben.
Wie had er één?
Niemand!
Ja toch! Hesse wist raad!
"Ga mee!" riep hij, en al wisten ze niet wat hij wilde, ze volgden hem.
Hesse dacht aan boer Peggers van wien hij óók den vlaggestok had
gekregen.
Hesse wist, dat boeren heel dikwijls zeilen gebruiken om 't hooi toe
te dekken of de koeien.
Probeeren er één te krijgen!
Boer Peggers zat juist binnen smakelijk 'n pijp te rooken, toen er
vijf jonge duivels over z'n erf schoten en in 't lage achterhuis
bijeen propten.
Hesse deed 't woord....
Nou, wat Hesse aanpakte, dat lukte haast altijd.
Ze kregen 'n zeil!
'n Reusachtig zeil!
Ze moesten het met d'r vijven meesjouwen!
Wel zat 't vol gaten en scheuren, maar dan eenvoudig wat geplooid en
dubbel gelegd! Het lukte prachtig!
Nu zaten ze weer droog! De kaarsen moesten opnieuw aangestoken, de
natte plek werd omgespit en zóó kon de feestzitting voortgezet worden,
bestaande in 't verorberen van nog zeven pinda's.
Nu er niets meer te bikken viel, verlangden de ridders naar beweging
en aldoor bleef de regen stroomen!
Ze kletterde met luid geraas op 't zeil en ondanks 't zorgvuldige
plooien en dubbel leggen begonnen er toch straaltjes te vallen. Ze
maakten dus 'n afvoerkanaal, te meer noodig, omdat er nu ook water
van de trap afliep.
Door 't open deel van den afgebroken toren stroomde de regen op de
platjes en van daar de trap af naar den bodem en hier door 't gat in
de kelder.
Ze misten bepaald 'n ingenieur, die voor 'n behoorlijke rioleering en
'n goed gotenstelsel kon zorgen.
Gelukkig brak na 'n kwartier de zon weer door!
't Zeil werd weggetrokken en al kwam er nog aardig wat water in de
kelder, de toevloed hield eens op.
De ridders brachten nog 'n goed uur in de kelder door, toen vertrokken
de stadsvrienden, met de belofte den volgenden dag tijdig terug
te komen.
"Denk om je eed van trouw!" riep Hesse hen nog na.
Dien zelfden avond spoorden Hesse en Wibbe 't eerste slachtoffer van
menschelijke wreedheid op.
Ze waren samen nog eens in de kelder geweest, ze hadden de vlag
ingehaald en gingen daarna 't land in om 't gewone bezoek aan de
paarden te brengen.
Op zeker oogenblik zagen ze langs den weg, die 't weiland begrensde,
'n vreemde stoet naderen.
Hesse was er als de kippen bij!
Hij stond aan den slootkant en keek naar 'n vuile oude kar, moeizaam
voortgetrokken door 'n armzalig paard.
Wibbe kwam nu bij Hesse en de jonge scherpe oogen ontdekten in de
kar onder de huif 'n smerige vrouwengedaante en de vuile hoofden van
'n paar kinderen.
Bij de kar liep 'n havelooze kerel, die 't afgetobde paard met z'n
zweep bewerkte.
't Gevoelige hart van Hesse begon te kloppen en onwillekeurig volgde
hij de kar.
Met één sprong waren de twee jongens over de sloot en nu gingen ze
vrij dicht achter den wagen loopen.
Eensklaps wees Wibbe op 'n bruine plek, die zich tegen 't grauwe
linnen afteekende.
Waarschijnlijk door 't zien van de jongens kwam er beweging in
't aapje....
Ja, 't wàs 'n aapje!
Hesse sperde z'n oogen wagenwijd open en nu ook herkende hij 't
kleine diertje.
Met de uiterste belangstelling bleven ze achter de kar loopen om te
zien wat 't aapje deed. Maar 't deed niets!
Na de eerste bewegingen hield 't zich verder stil en alleen z'n
donkere oogjes gluurden de jongens voortdurend aan.
Hesse voelde plotseling 'n diep medelijden met 't beest en op z'n
gewone manier begon hij zachte woordjes te zeggen....
Eensklaps stoof de kerel op hen af, joeg ze vloekend en tierend
achteruit en met 'n driftigen ruk trok hij 't aapje van z'n plaats,
zoodat er 'n kreet van pijn door de stilte klonk. Nijdig smeet de kerel
't diertje op den bok....
Hesse was vuurrood geworden!
Hij kòn de harde behandeling van dieren niet aanzien.
"We moeten dat aapje verlossen," zei hij, "laten we nu toonen, dat
we echte ridders zijn!"
Wibbe trok 'n bedenkelijk gezicht.
"Je kan 't dien kerel toch niet afnemen?" merkte hij op.
Hesse antwoordde niet.
Zijn aandacht werd getrokken door de verschijning van 'n meisje.
Uit 'n morsig gezicht keken 'n paar groote oogen Hesse aan en zacht
zei ze tot hem:
"Vader heeft gedronken, pas maar op."
Toen verdween ze weer.
Wibbe hield z'n vrind dadelijk tegen.
"Voorzichtig jò! doe nou geen gekke dingen!"
Hesse liet zich raden.
Op 'n afstand volgden ze de kar, tot deze eindelijk bleef stilstaan.
't Paard werd afgespannen en te grazen gezet.
De vrouw en de kinderen kwamen uit den wagen en gingen aan den zoom
van den weg zitten.
De kerel schold en raasde wat--toen nam hij 't aapje op den arm en
liep naar 't dorp.
Eerst bleven de jongens even staan, geboeid door 't vreemde schouwspel:
die magere bleeke vrouw en die stakkerds van kinderen.
Nauwelijks was de kerel 'n goed eind verwijderd, of 't zelfde meisje
liep naar Hesse toe en ze vroeg:
"Geef ons wat, we hebben honger!"
Tot hun groote spijt bezaten de jongens geen cent!
Gelukkig kwam Wibbe op den inval om te vragen:
"Blijven jullie hier?"
"Vader moet naar den burgemeester en als die ja zegt, blijven we
van nacht."
"Slapen jullie in die kar?"
"Waarom niet?"
"Geeft je vader je dan geen eten?"
"Vader heeft gedronken en dan geeft hij niets."
"We zullen je strakjes wat brengen," beloofde Wibbe.