Elke ridder bracht wat mee!
De feestelijke inwijding werd gevierd met 't ontsteken van alle
kaarsen, met 't oppeuzelen van reepjes kwatta, 'n half pond pinda's,
één half pond aalbessen zonder suiker.
Midden in de kelder, op de plaats waar eens 't putje was, stond
'n leege kist ondersteboven, tooverachtig beschenen door vijf kaarsen.
Hesse had 'n feestrede gehouden en heel genoegelijk zaten ze nu te
overleggen tot welke daden ze wilden overgaan om den naam ridders te
kunnen dragen.
Het was alweer Hesse, die 'n soort van plan klaar had.
Het kwam hierop neer:
Zooals padvinders er op uittrekken en zich voornemen elken dag minstens
één goede daad te verrichten, zoo moesten de vijf ridders van den
halven toren rondzwerven om lijdende of gemartelde dieren op te sporen.
Als 't kon, moest zoo'n dier bevrijd worden en hier in de kelder zou
't verzorging en bescherming vinden.
"En als 't een paard is?" vroeg nuchtere Henk.
--"Al was 't een olifant!" antwoordde Hesse.
"Zie je kans, 'n ongelukkig paard los te krijgen, breng 't hier en
't vindt er 'n paradijs."
Ze begrepen alle vijf best wat Hesse wilde. Nu kreeg hun plan vastheid,
nu wisten ze, wat hun te doen stond.
En Hesse eischte van allen de plechtige belofte, den eed van trouw.
De kaarsen flikkerden door den luchttrek.... grillige schaduwen
verschoven langs de muren.... de gezichten kregen in 't valsche licht
'n spookachtige kleur....
De jongens raakten onder den indruk en toen Hesse, ernstig en
zacht zei: "Stort één droppel van je bloed als bewijs van eeuwige
vriendschap en ten teeken van trouw aan ons heilig verbond tot redding
van gemartelde dieren!" ja, toen rilden ze even en ze lieten zich
prikken, en ze zagen, hoe Hesse 't bloed op één lapje ving en dit
plechtig in 'n doosje wegborg.
Zoo'n plechtigheid is toch ook wat waard. Terwijl de ridders bezig
waren, de verdere bloedstortingen te verhinderen door 't ombinden van
ettelijke min of meer zwarte zakdoeken, gebeurde er iets onverwachts.
Jan kreeg er 't eerste erg in!
Hij voelde iets op z'n hoofd.... even later weer.... nog eens....
Hij keek naar boven, betastte z'n haren en--die waren vochtig.
't Regende!
Eerst vielen er 'n paar druppels, maar toen begon 't liefjes te
plassen.
Dáár hadden ze niet aan gedacht! Op die manier zou al hun moeite voor
niemendal geweest zijn!
Henk wist raad!
"We moeten 'n deksel op 't gat maken," riep hij.
Ze wisten natuurlijk geen van vijven wat voor 'n deksel.
Toch holden ze de trap op naar buiten.
Waar was nou 'n deksel?
Henk moest 't maar zeggen.
Maar Henk wist 't ook niet!
En onderwijl kletste de regen op hen neer en in hun mooie droge kelder.