Flip barstte uit: "Kijk 's! hij zoent die ouwe knol!"

Hesse deed alsof hij niets hoorde, ondanks 't dol gelach van de

jongens. Langzaam stond hij op en hij keek Flip alleen maar aan. Deze

ging voort met lachen en smaalde:

"Hij ziet bleek, zien jullie wel, om zoo'n beest! Jasses, wat 'n

jongen! 't is 'n meisje!"

Natuurlijk lachten de vrienden weer mee en Flip, belust om nog méér

de lachers op z'n hand te krijgen, riep: "Die knol is dood, kijk maar!"

Tegelijkertijd schopte hij 't dier tegen den kop....

Toen verloor Hesse alle bezinning!

Eer Wibbe hem kon weerhouden, vloog hij Flip aan, klemde zich als 'n

kat aan hem vast en met één vrije hand, sloeg hij hem in 't gezicht....

Even stonden de jongens en de omstanders verbluft--toen trokken ze

Hesse weg en Flip liep huilend naar huis....

"Dat zal je berouwen!" riep Miel Gelder, en druk redeneerend volgden

ze Flip.

Alleen Henk Mees kwam naar Hesse toe, die zelf ontdaan, bevend naast

Wibbe stond:

"Flip is 'n lafbek! Jij bent er één, die durft. Mag ik je vrind zijn?"

Er kwam 'n glanzing in Hesse's oogen--hij keek Henk even strak aan

als geloofde hij de woorden niet. Toen greep hij z'n arm en hij zei:

"Zeker!"

Meer kon hij niet zeggen, want door overspanning waren z'n oogen

vochtig geworden en in z'n keel zat 'n prop.

Wibbe sprak des te meer! De aanmelding van 'n nieuwen vriend gaf hem

'n weldadig gevoel. Van nu af zouden ze niet meer alleen staan. En

dan--Henk zorgde zooals hij beloofde voor meer aanhangers.

Dat baasje spelen van Flip moest nu maar eens uit zijn! 't Had al

lang genoeg geduurd.

Henk bracht ze een eind en beloofde voor 'n uitbreiding van 't nieuwe

verbond te willen zorgen.

Wel mat, maar toch met vreugde in 't hart kwam Hesse thuis. Hij at niet

veel, maar des te meer dacht hij over 't gebeurde en met glinsterende

oogen luisterde hij naar 't verslag, dat Wibbe er van deed.

De notaris mocht vrij aanmerkingen maken, Hesse schaamde zich niet

over z'n daad.

Dien avond kwam er niemendal van het bezoek aan den toren.

Na 't afmaken van hun werk, voelden ze er geen van beiden lust toe.

Den volgenden morgen wachtte Henk, 'n lange jongen met eerlijke open

oogen, hen bij de brug al op.

"Voorzichtig, vandaag," zei hij, "ik ben te weten gekomen, dat ze

jou willen afrossen. Ik zal je helpen en 'k heb nog twee helpers. We

moeten aldoor bij elkaar blijven, dàn durven ze niet."

Dicht bij school kwamen Jan de Bas en Kees Vermeer hen tegemoet en

zonder veel woorden sloten de vijf 'n klein verbond, eigenlijk alleen

gericht tegen Flip, maar ook wel zeker om meer met elkander om te gaan,

elkaar bij te staan in moeielijke omstandigheden.

Flip droeg 'n leelijke herinnering aan den dag van gisteren op z'n

linkeroog. Doodstil, zonder 'n woord te spreken liet hij de vijf

voorbijgaan, en ook de vrienden bleven onbeweeglijk en stom.

Veilig kwamen de vijf de school in, maar juist die stilte maakte

hen ongerust. Zonder twijfel hadden ze 'n plan van wraak gesmeed. Ze

bleven dus op hun hoede en voortdurend vlak bij elkaar.

Op de speelplaats gebeurde er niets, evenmin om twaalf uur en voor

tweeën, maar nauwelijks waren de vijf op weg naar de brug toen de

school uit was, of daar werden ze opgewacht door 'n bende jongens,

waarvan ze er niet één kenden, vergezeld door Flip en z'n makkers.

Onmiddellijk begon de strijd, die niet lang duurde want op raad van

Henk kozen ze de verstandigste partij--ze vluchtten.

Het bleek nu, dat 't voornamelijk om Hesse te doen was. Hèm volgden

ze door de straten, en niet dan met de grootste inspanning gelukte

het hem te ontsnappen, natuurlijk met Wibbe.

Doodmoe en veel te laat kwamen ze thuis.

"Morgen ga ik naar meneer Weler, er moet 'n eind aan komen," zei

de notaris.

Hij hield woord en 't eerste gevolg was 'n streng onderzoek door

't Hoofd van de school. Hij gelastte onmiddellijke staking van de

vijandelijkheden en hij probeerde 'n vriendschapsverbond te sluiten.

Dat lukte hem niet.

Wèl eindigden nu de algemeene vechtpartijen, maar de kleine geniepige

aanvallen hielden niet op en de geest in de tiende bleef treurig.

Al sloofde meneer Fube zich nog zoo uit door z'n praten over 't minne

en laaghartige van 'n dergelijken strijd, 't hielp niet.

Hesse bleek vergevensgezind genoeg, maar Flip wrokte en weigerde

elke toenadering.

"Je kunt er op aan," zei Henk, "dat hij den een of anderen dag

plotseling 'n streek zal uithalen. We moeten oplettend blijven."

De ridders van den halven toren · 第 26 / 77 题