Hesse schoot naar de deur en hij barstte los: "Ik kàn ze niet, toe,
help me even!"
"Dat mag ik niet, jò, je moet ze zèlf vinden."
Flap deed de deur! Wibbe stond er met z'n neus tegen aan op de gang
en Hesse zat weer op z'n stoel.
Hij zou en moest ze nu vinden!
Wibbe liep naar beneden en toen de notaris hem alleen zag dwalen,
vroeg hij naar Hesse. Hij hoorde van diens ploeteren en nu mocht
Wibbe hem wel 'n handje helpen, vooral niet voorzeggen.
Wibbe naar boven! En daar vond hij z'n vrind uit 't raam hangen,
onverklaarbare geluiden naar 'n onzichtbaar wezen uitsturende.
Hij merkte niets van Wibbe's binnenkomen, tot hij aan z'n been
voelde trekken.
"Zoo zul je wel klaar komen! Heb je ze af? Wat doe je?"
Wibbe keek naar beneden en zag de duiven van den burgemeester heen
en weer trippelen.
"Kom, schiet nou toch op! Zal ik je den weg wijzen? Kijk hier dan!"
En nu begon Wibbe kalmpjes les te geven.
Hesse lette zóó goed op, dat hij de vraagstukken begreep en nu binnen
'n half uur klaar was.
Toen holden ze de trap af, draafden den tuin in en begonnen
geheimzinnig te fluisteren.
"Van avond gaan we even kijken en morgenavond beginnen we."
"Zou je 't wel doen?"
"Ja," zei Hesse, "ik wil er in!"
Ze maakten samen 'n plan en toen gingen ze langs 'n omweg naar
den toren.
Daar bestudeerden ze grondig den toestand van 't steenwerk, zochten de
beste plek uit om te beginnen en verdwenen toen weer snel. Niemand had
erg in de jongens gehad, behalve de notaris, die met 'n veldkijker uit
't bovenraam had gespionneerd....
Nog 'n half uurtje doolden de twee jongens rond, om daarna thuis aan
tafel wat te lezen en te babbelen.
Hesse hield niet van lezen.
"Omdat je 't niet goed kunt," zei Wibbe kalm,
Hesse deed geraakt en trok aan 't voorlezen, maar 't leek niet veel! 'n
Gestotter en 'n gebrabbel zonder eind.
Toen Wibbe!
En Hesse zei niets.
De nieuwelingen hadden 't op school niet héél erg prettig. 't Plagen
hield aan en vooral Flip scheen 'n wrok tegen Hesse te koesteren.
Hij verzon overdreven treiterijen, die Hesse niet kòn verdragen,
nieuwe vechtpartijen veroorzaakten, 'n nieuwe nederlaag en verhoogde
vijandschap.
Om vier uur gebeurde er iets, waardoor 'n bepaalde scheuring tusschen
de jongens van de tiende ontstond.
Wibbe had met Hesse afgesproken om zoo snel mogelijk weg te hollen.
Hesse vond dat wel laf, maar Wibbe ontkende dit ten stelligste.
"Twee tegen veertien? dat is geen partij!" meende hij, "je kleeren
stuk te laten trekken, vuil en smerig te worden, ik dank je!"
Wibbe haalde z'n vriend ten slotte over om er mee van door te gaan.
"'t Is geen gewoon plagen, 't is gemeen van Flip wat hij doet, zie
je. Dat moet dood bloeden! We zullen de verstandigsten zijn."
En dus draafden de twee om vier uur hals over kop weg, in de verte
gevolgd door Flip en de anderen.
Op den hoek lag 'n paard bloedend op de steenen.... vergeefs probeerden
enkele mannen 't dier overeind te krijgen. 't Plofte telkens weer
neer en bleef ellendig en stervend liggen.
Hesse voelde 'n diep medelijden met 't afgetobde beest en eer hij
't wist, bukte hij, om 't stervende dier enkele zachte woorden in
te fluisteren.
Juist toen bereikten Flip en de makkers de plaats van 't onheil.
Even vergaten ze de nieuwelingen, geboeid door 't schouwspel, maar
toen zagen ze, hoe Hesse medelijdend deed....