HOOFDSTUK IV.

Willem keerde, na het verhoor bij den rechter-commissaris, niet weder

naar de cel terug; hij werd naar een zaal voor gemeenschappelijk

verblijf overgebracht.

Deze voorloopige gevangenis was een paradijs, in vergelijking met de

cel. Wel miste hij ook hier zijn vrijheid, maar dit was dan ook bijna

het eenige wat hem ontbrak.

En die vrijheid, och, hij verlangde er niet sterk naar; op straat zou

hij zich voor niets ter wereld hebben vertoond; iedereen zou hem er

immers op aanzien, dat hij in de gevangenis had gezeten; de menschen

zouden hem met den vinger nawijzen, de hoofden bij elkander steken en

elkaar toefluisteren: „daar heb je dien deugniet, dien moordenaar!”

Indien hem de keus was gelaten, zou hij waarschijnlijk de gevangenschap

boven de vrijheid hebben verkozen.

Tegen een ontmoeting met zijn ouders zag hij eveneens op, hoezeer hij

ook naar hen verlangde.

En hier was het nog zoo kwaad niet. Een heerlijk vuurtje snorde in de

groote kolomkachel, die bloosde van hitte.

Mannen van elken leeftijd, meest allen uit den burgerstand, waren hier

bijeen. Gijzelaars, wier schuldeischers op deze wijze hun wrok over

geleden schade koelden, of de familie der schuldenaars trachtten te

dwingen voor hun gevangen nabestaanden te betalen; jonge en oude

beschuldigden, die evenals Willem, op vrijspraak of veroordeeling

wachtten, en geld genoeg hadden om de onkosten te vergoeden; want ieder

leefde hier op eigen kosten, en kon tot op zekere hoogte alles krijgen,

wat hij verlangde.

Onze kreupele bewaker deed hier den dienst van kellner; hij vloog of

liever kroop op ieders wenken en nam met zijn gewonen innemenden grijns

tersluiks het papiertje in ontvangst, dat hij later tegen eene fooi zou

kunnen inwisselen.

Ieder trachtte zoo goed mogelijk den tijd te verdrijven. Aan de tafel

speelde men domino, dam of schaak.

Rondom de kachel vermaakten anderen zich met gezelligen kout. Op Willem

maakte de kamer dan ook niet den indruk van een gevangenis.

Nauwelijks was hij binnengebracht, of hij moest de oorzaak van zijn

verblijf in de gevangenis vertellen.

De zaak boezemde den heeren belang in en Willem deelde in de

belangstelling: hij werd in den kring om de kachel opgenomen.

De kansen van vrijspraak en veroordeeling werden door de omzittenden

gewikt en gewogen, doch ééns werd men het niet.

„Ja, als we in ons land een jury hadden, dan zou hij zeker

vrijgesproken worden,” zei een jong man, die eenige dagen geleden nog

eerste boekhouder was; „zooals de zaken nu staan, twijfel ik er ten

sterkste aan.”

Op Willems vragenden blik, vertelde de zegsman, dat in Frankrijk,

Engeland en Amerika bij de meeste rechtszaken een aantal „gezworenen”

uit de medeburgers van den beschuldigde worden gekozen. Na het

getuigenverhoor bijgewoond te hebben, moeten deze mannen het schuldig

of onschuldig uitspreken. Spreekt de jury het onschuldig uit, dan is de

beklaagde van alle rechtsvervolging ontslagen; in het tegenovergestelde

geval hebben de rechters slechts den aard van het vonnis en den duur

der gevangenschap, volgens de landswetten, te bepalen.

Alle leden, die de jury vormen, moeten het met elkander eens zijn

omtrent het schuldig of onschuldig. Dit gaat niet altijd even vlot. De

heeren worden gezamenlijk in een zaal van het gerechtshof opgesloten en

krijgen eten noch drinken, alvorens, het gewichtige woord is

uitgesproken. Intusschen staat de beschuldigde, vooral wanneer op ’t

schuldig het doodvonnis moet volgen, in duizend angsten voor zijne

rechters.

De voor- en nadeelen van een jury werden nu opgesomd en met vuur

besproken.

Sommige der bestrijders wisten staaltjes van dergelijke rechtspraak te

vertellen.

Zoo verhaalde er één, dat bij een proces in Engeland, de jury een dag

en een nacht aan één stuk vergaderde, dat een der leden het schuldig,

alle overige het onschuldig wilden uitspreken. Er ontstond twist. De

eerste bleef zich hardnekkig tegen de meerderheid verzetten en nu

ranselden de overigen den weerspannige zoo lang af, tot hij toestemde.

Een anderen keer waren alle gezworenen door een venster ontvlucht en

gebruikten in een restauratie in de buurt een stevig maal, terwijl

rechters en beklaagde in spanning de uitspraak der heeren verbeidden.

Een verteller wist zijn verhaal zoo goed voor te dragen, dat alle

gevangenen, Willem niet uitgezonderd, schaterden van lachen. De

vroolijkheid bedaarde eenigszins, toen een oud man beweerde, dat het

zoo drommels jammer was, dat de pistole stond afgeschaft te worden.

Willem volgde met belangstelling het levendig gesprek; de tijd vloog

om, en eer hij er aan dacht, was het etenstijd geworden. Enkele der

gevangenen aten afzonderlijk, de meeste gemeenschappelijk.

Voor Willem werd een goed maal opgedischt, dat hem na anderhalven dag

vasten heerlijk smaakte; toch zou hij waarschijnlijk met minder smaak

gegeten hebben, indien hij geweten had, hoeveel zijn vader er voor

moest betalen; want Willem was genoeg met zijn vaders geldmiddelen

bekend geworden, om te weten, dat extra-uitgaven niet meer geoorloofd

waren.

Nauwelijks had hij zijn honger gestild, of hij werd buiten het vertrek

geroepen.

„Er is een heer om je te spreken,” zeide de cipier, die hem naar de

spreekkamer leidde.

De kamer, waar Willem nu gebracht werd, geleek veel op eene kooi voor

wilde beesten. Twee wanden van het hok waren zonder opening hoegenaamd;

in den achterwand bevond zich alleen de kleine deur, waardoor men

binnenkwam. Was in plaats daarvan een schuif aangebracht, de kamer zou

niet van een beestenhok te onderscheiden geweest zijn; want de voorwand

was weggenomen en vervangen door dunne, ronde ijzeren staven, die van

de zoldering tot den vloer reikten.

Door deze tralies heen, keek Willem in een halfdonkere kamer, waarvan

een stoel en een kachel het geheele ameublement uitmaakten. De stoel

was voor den cipier bestemd, die zorgen moest, dat den gevangene geen

verboden zaken overgereikt werden en tevens, dat er niet gefluisterd

werd.

Pas was Willem binnen en had de cipier zich met de deftigheid van een

rechter op den stoel gezet, of Willems vader werd binnengelaten. Hij

hield den zakdoek voor den mond, zoodat Willem slechts de helft van

zijn gelaat kon zien, maar toch deed hij van schrik een stap achteruit,

toen hij die holle oogen en vervallen trekken zag.

Ook Roda bleef op een schrede afstands van de tralies staan; vader en

zoon keken elkander een oogenblik sprakeloos aan. Willem las in zijn

vaders oogen boosheid noch verwijt; maar wel veel smart en zooveel

liefde, dat zijn hart vol werd. Hij beet zich tot bloedens toe op de

lippen, maar vermocht zijn tranen niet te bedwingen.

Roda keerde zich naar den muur en drukte zijn zakdoek voor de oogen.

De cipier keek een poosje strak op zijn horloge en zei toen deftig maar

niet onvriendelijk:

„U heeft nog juist tien minuten tijd, mijnheer!”

Toen stak Willem zijne beide armen door de tralies en snikte:

„Vader, ik kon het niet helpen; ik wist niet, wat ik deed!”

„Dat weet ik wel, mijn jongen; dacht je, dat ik je voor een misdadiger

in koelen bloede hield?

„Het ongeluk vervolgt ons beiden, mij en jou. Voor mij is er weinig

hoop op betere tijden, ik begin oud te worden; jij daarentegen hebt nog

een geheel leven vóór je. Houd maar goeie moed. Omens zegt, dat er kans

bestaat, dat je vrijgesproken wordt; dan gaan we met moeder en Emilia

een ander vaderland zoeken, ver van hier; daar zullen we werken voor

den kost. Hier zouden we allen wegkwijnen.

„Ik maak je geen verwijt van wat je gedaan hebt, ik weet nu op welke

woorden je zoo driftig bent geworden. Willem, als de gevolgen voor dien

jongen en voor jou niet zoo verschrikkelijk waren, zou ik me misschien

nog kunnen verheugen over de les, die je ontvangen hebt.

„Ik heb me al dikwijls bezorgd gemaakt over je opvliegendheid. Weet je

nog wel, hoe je een paar jaar geleden Emilia bijna een oog uitgeslagen

hebt, toen ze bij ongeluk inkt over je teekening wierp? In het vervolg

zul je die drift wel beheerschen. Die ongelukkige schop zal wel de

laatste misslag zijn, dien je drift je deed begaan.

„Mijn hart doet me zeer, Willem, als ik er aan denk, dat het nog erger

had kunnen afloopen. Elken dag zal mij de geneesheer bericht zenden,

hoe het met den armen jongen staat. Hij lijdt hevige pijnen, maar

levensgevaar is er Goddank niet meer.”

De cipier keek van tijd tot tijd, en telkens met korter tusschenpoozen

op zijn horloge en zag daarna Roda veelbeteekenend aan.

„Nu, Willem, ik ga heen en kom zoo dikwijls terug als het mij wordt

toegestaan, want wie weet in hoelang wij elkander niet weer zullen

zien. Moeder en Emilia komen ook. Omens eveneens. Ook Van Dal heeft

verlof gevraagd je te mogen bezoeken. De goede man doet alles, wat hij

kan om ons te troosten; hij heeft zelfs de huur van deze maand niet

willen ontvangen. Ik heb hem het geld natuurlijk zelf weer

bovengebracht. Ik bemerkte, dat hij en zijn vrouw zich daardoor

gekrenkt gevoelden; om hen weder in hun humeur te brengen, heb ik hun

moeten beloven, in tijd van nood bij hen aan te kloppen. De eenvoudige

lieden hadden er niet eens aan gedacht, dat zij ons nog erger gekrenkt

hadden.”

„Mijnheer, het is tijd,” zeide de cipier opstaande.

„Dag, Willem, tot weerziens, mijn jongen; houd je goed, als moeder

komt; ik heb tevergeefs getracht haar van haar plan af te brengen.”

Een hartelijke handdruk door de tralies, een dankbare blik van Willem

door zijne tranen heen—en Roda vertrok.

Den volgenden dag kwam Omens, die een half uur bij hem bleef. Daarna

kwam Van Dal.

De dikke man was nog eens zoo dik als gewoonlijk; hij had namelijk al

de zakken van zijn kleeding volgepropt met broodjes, belegd met kaas of

vleesch.

De cipier op den stoel, wien ’s mans zwaarlijvigheid verdacht voorkwam,

hield het wakend oog scherp op ’s mans handen gericht. Toen Van Dal

begreep, dat er geen kans bestond zijn lading ongemerkt te lossen en

hij, even dik als hij gekomen was, weer huiswaarts zou moeten keeren,

werd hij kregelig. Hij moest zijne verontwaardiging lucht geven en

pruttelde iets van: „een schandaal, zie je! tralies goed voor een

beestenhok” en „iemand op de vingers zitten kijken, of hij een dief

was.”

De cipier, die, als hij het soms nog niet begrepen had, aan den

nijdigen, zijdelingschen blik bemerken kon, dat ’t hem gold, stond op,

en kort aangebonden als hij was, pakte hij Van Dal bij den kraag.

„Ik ga al, ik ga al!” riep deze spartelend onder de stevige hand. „Maar

ik zal me beklagen over zoo’n onbeschoftheid, zie je!”

„Doe wat je niet laten kunt!” bromde de cipier en duwde hem tamelijk

onzacht de deur uit.

Den volgenden middag en nog dikwijls daarna bezochten Willems moeder en

zuster hem. Omens had weten te bewerken, dat zij hem in een

afzonderlijke kamer mochten spreken.

Eindelijk, nadat Willem bijna drie weken in voorloopige hechtenis had

doorgebracht, brak de dag der terechtzitting aan.

In een der zalen van het Paleis van Justitie hield de rechtbank

zitting.

Op een verhevenheid aan het boveneinde der zaal zaten de rechters

achter een breede, halfcirkelvormige, met groen laken bekleede tafel.

De dofzwarte toga’s en witte beffen verhoogden het buitendien reeds

eerwaardig voorkomen der vijf grijsaards. In het midden, op een stoel

met hooge vierkante leuning, zat de voorzitter, wiens lange,

sneeuwwitte baard tot aan de tafel reikte; aan weerszijden van hem

zaten twee raadsheeren; aan het linkereinde van de tafel was de zetel

van het Openbaar Ministerie, aan het rechtereinde, die van den griffier

der rechtbank.

In de laagte, op eenigen afstand van de tafel der rechters, waren twee

lange, smalle lessenaars aangebracht voor de advocaten van de vóór- en

de tegenpartij; tusschen deze lessenaars stond de smalle bank der

beschuldigden, en van daar voerden drie treedjes naar de tafel, vóór

den president.

Aan het einde der zaal bevond zich een balustrade van gedraaide

eikenhouten kolommen, waarachter een woelige menigte zich verdrong, om

een goed plaatsje te krijgen.

Het gedeelte der zaal tusschen de lessenaars en de balustrade was

aangevuld met twee rijen lange banken zonder leuning, voor de getuigen

bestemd.

Door de smalle, hooge vensters drong het daglicht, groen getint door de

saaien gordijnen, naar binnen, maar kon de zaal slechts spaarzaam

verlichten.

De wand achter de rechters was gedeeltelijk verborgen door groene

voorhangsels, die in stijve plooien tusschen vijf stijlen neerhingen en

een halfcirkelvormig scherm achter de rechtbank vormden.

Achter de portière in het scherm blonk het kale gezicht, het gele vest

en de hooge, witte stropdas van een deurwaarder.

Een soldaat, in groot tenue, het geweer op schouder, wandelde voor de

balustrade heen en weder; een tweede militair hield met moeite het

publiek in bedwang, dat zoo dicht mogelijk tegen de kolommen aandrong,

om geen woord van hetgeen gesproken zou worden te verliezen.

Op de banken hadden de getuigen reeds plaats genomen: de heer Walling,

een geneesheer, de politieagent, die Willem gearresteerd had, eenige

schooljongens en voorbijgangers, die bij het ongeval tegenwoordig

geweest waren, de rector, een leeraar en Willems vader.

De president schelde en gelastte den beschuldigde binnen te brengen.

Een ademlooze stilte verving het geschuifel en gefluister der

nieuwsgierige menigte achter de balustrade, die grootendeels uit

schoolkennissen van Willem, overigens uit straatslijpers en vaste

bezoekers bestond.

Ze rekten de halzen, om den beschuldigde beter te kunnen zien. Zou hij

erg bleek zijn? Zou hij alleen kunnen loopen?

Een deurwaarder opende een zijdeurtje en Willem kwam binnen, geleid

door een agent. Hij zag inderdaad zeer bleek. Een oogenblik was hij

verbijsterd op het gezicht der volle zaal; bedremmeld bleef hij bij den

ingang staan. Honderd paar oogen staarden in de zijne. Beschaamd boog

hij het hoofd voor zijn vroegere leeraars en kameraden.

De herhaalde verhooren, die hij had ondergaan, hadden hem eenigszins

vertrouwd gemaakt met de rechters; haastig keerde hij getuigen en

publiek den rug toe, en plaatste zich voor de rechtbank. Omens, zijn

advocaat, ging naast hem staan, en vlak achter Willem zette zich de

agent in postuur, de handen langs het lijf gestrekt, onbeweeglijk in

kaarsrechte houding. De soldaat schouderde het geweer.

De stilte werd door niets verbroken, totdat de president met luider

stemme Willem Roda vóór zich riep.

Willem klom wankelend de treden, die tot den rechter voerden op, en nu

volgden de gebruikelijke vragen naar eigennaam en voornaam, naar dien

der ouders, naar geboortedag, en jaar, enz.

Hoewel de toehoorders achter de balustrade met de holle hand hun

oorschelp trachtten te vergrooten, hoorden zij van Willem’s antwoorden

in het begin slechts een zacht gelispel.

„Luister naar de akte van beschuldiging, die de heer officier je zal

voorlezen,” zeide de voorzitter.

De rechter aan de linkerzijde stond op, en las op luiden toon de lange

aanklacht voor; doch zóó snel, dat Willem, wien het toch reeds in de

ooren suisde, er weinig van verstond.

Alleen hoorde hij iets van „Singel—December—genoemde Willem Roda,—schop

tegen den buik,—genoemde Albertus Johannes Fredericus

Walling,—aldus—zware—verwonding—commissaris van politie—rapport—aldus.”

Toen de rechter had geëindigd, vroeg de president:

„Willem Roda, beken je het feit, dat je ten laste wordt gelegd?”

Volmondig antwoordde Willem: „Ja!”

Na vele vragen en antwoorden, die den rechter het beloop der zaak

nauwkeurig deden kennen, richtte de voorzitter tot Willem deze vraag:

„Waarom heb je juist geschopt en niet geslagen? Met de vuist, bij

voorbeeld, dat doet toch ook pijn en is gewoonlijk minder gevaarlijk.”

„Ik weet het niet!”

„Weet je zeker, dat je geschopt hebt?”

„Neen.”

„Dat je geslagen hebt?”

„Ja, we hebben gevochten.”

„Daarover spreken we nu niet. Nadat je je omkeerde op de woorden van je

tegenpartij, bedoel ik.”

„Ik weet niet, wat ik toen gedaan heb; ik zag alles rood voor mijne

oogen.”

„En je hebt zooeven bekend, dat je het wèl gedaan hebt.”

„Ik weet wel, dat ik hem verwond heb, want ik heb hem zien liggen; maar

of ik gestompt of getrapt of geschopt heb, weet ik niet zeker.”

„Je dacht zeker bij die sarrende woorden: Wacht, jongetje, dat zal ik

je betaald zetten.”

„Neen mijnheer, ik heb er niets bij gedacht, ten minste ik weet het

niet; ik moet het wel gedaan hebben; maar als ik hem niet zoo akelig

had zien liggen, zou ik het zelf niet gelooven.”

„Herinner je je nog, dat je je omkeerde alvorens op Albertus Walling

aan te vliegen?”

„Neen, mijnheer, ik weet wel, dat ik stil bleef staan; ik kon niet

verder, het was of de grond op en neer ging.”

„Je zei zooeven, dat je alles rood voor de oogen werd; kon je je

tegenpartij dan zien?” vroeg een der raadsheeren.

„Ik weet het niet meer, mijnheer; misschien ben ik op het geluid van

zijn stem afgegaan.”

„Heb je toen hard geloopen, of ben je langzaam op hem toegestapt?”

„Dat weet ik niet meer, mijnheer!”

„Welnu, dat zullen de getuigen nog wel weten. ’t Is goed, je kunt op

dat bankje gaan zitten.”

Nu werden de getuigen gehoord. Hun gezamenlijke verklaringen vormden

een volledig verslag van het gebeurde.

De rector en een leeraar legden een gunstig getuigenis af van Willems

gedrag op school.

De geneesheer verklaarde, dat de toestand van den gewonde voor het

oogenblik geen levensgevaar meer opleverde, doch zeer ernstig bleef en

van dien aard was, dat lange verpleging noodig kon zijn. Willems vader

werd niet als getuige gehoord, hem werd alleen gevraagd, of zijn zoon

dikwijls aanvallen van zulk een waanzinnige drift had.

Walling, de vader van den gewonde, beweerde, dat er altijd een wrok

tusschen de beide jongens had bestaan; dat hij zijn zoon die anders de

zachtzinnigheid zelf was, dikwijls had hooren spreken over de

minachting, waarmede sommige jongens hem behandelden, en van die

jongens was Willem Roda gewoonlijk de aanvoerder. Zonder twijfel piepte

het jong, zooals de oude bromde. Hij, Walling, geloofde wel degelijk

aan een beraamd plan of aan opstokerij. Het was geen kunst voor een

geslepen advocaat, den jongen zijn lesje van buiten te laten leeren, en

den onnoozele te doen spelen. Hij zag het al vooruit; het zou wel op

vrijspraak uitdraaien, maar het zou toch wat moois zijn, als zoo’n

straatbengel maar ongestraft mocht moorden en doodslaan, net als zijn

vader hem, Walling, ongestraft had mogen uitkleeden, om zich zelf vet

te mesten.—Walling zou in steeds toenemende opwinding zijn voortgegaan,

indien de voorzitter hem niet in de reden ware gevallen:

„Mijnheer! u vergeet, waar u staat. U is hier geroepen om als getuige

antwoord te geven op de vragen, die u gedaan worden. Dit is afgeloopen.

U kunt uwe plaats op de getuigenbank weer innemen, of indien u het

verkiest, naar huis gaan!”

Bevend van woede gehoorzaamde Walling met een boosaardigen,

minachtenden blik op Roda.

Nu stond de rechter, die het openbaar ministerie als aanklager

vertegenwoordigde, op. Hij hield een lange rede, waarin hij de feiten

herhaalde; en daarna beweerde hij dat, al was de misdaad in blinde

drift gepleegd, dergelijke daad niet ongestraft mocht blijven, evenmin

als een strafbaar feit in dronkenschap gepleegd. De jeugdige leeftijd

van den beklaagde als verzachtende omstandigheid in aanmerking nemende,

eischte hij wegens moedwillige, zware verwonding, toegebracht zonder

wapen, gevangenisstraf voor den tijd van één jaar.

Na Willem gevraagd te nebben, of hij nog iets had aan te merken,—waarop

deze hoofdschuddend antwoordde,—gaf de voorzitter het woord aan den

verdediger.

Omens trok de wijde schepmouwen van zijne toga wat omhoog, legde de

eene hand op zijne aanteekeningen, kuchte even en ving toen onder diepe

stilte zijn pleidooi aan.

Hij begon met te zeggen, dat zijne vriendschap voor den zwaarbeproefden

vader van den beklaagde hem noopte, na jarenlange rust weer als

advocaat op te treden. Hij schetste het huiselijk leven van Roda, na

het verlies van zijn vermogen, en zijn handelwijze jegens zijn

minvermogende schuldeischers. Daarna weersprak en weerlegde hij, dat

een misdaad, in drift gepleegd en uitgelokt door den verslagene, gelijk

zou staan met eene in dronkenschap begaan.

„En was het wel drift, waarin de beklaagde op den zoon van den heer

Walling aanviel; was het niet eerder een aanval van krankzinnigheid,

van razernij, een zielstoestand waarin niemand mag toegerekend worden,

wat hij doet? En die aanval was na lang tergen uitgelokt, door een

gemeenen, boosaardigen zet van den overwonnene, die, zijn nederlaag

niet kunnende verkroppen, scherper wapen zoekt dan voeten en vuisten;

het was de bijtende spot met zijn vader gedreven, met een vader, zelf

vol opofferende liefde, dien de zoon boven alles hoogachtte, dien hij

in tijden van druk en tegenspoed had leeren begrijpen, en liefhebben,

zooals zelden een zoon zijn vader liefheeft.

Denk u terug in de dagen uwer jeugd, heeren rechters, wanneer het

bloed, als een bergstroom over eene rotsige bedding, onstuimig door de

aderen golft; denk u zelf als opgeschoten knaap, gesard, „getreiterd”,

gedwongen tot een worsteling, die het bloed nog meer verhit; denkt u

dan uw vader of uwe moeder, of ’t liefste dat ge op aarde bezit, in het

openbaar gelasterd, bespot, gehoond door uwen terger, en ge hebt een

flauw begrip van den gemoedstoestand, waarin de misdaad werd gepleegd.

De wet noemt het een misdaad, het valt, helaas! niet te ontkennen, maar

de dader is geen misdadiger; was het niet bijna zelfverdediging? Is

spot ook niet een wapen dat wondt, dat dooden kan?”

Zoo ging Omens voort en trachtte het hart der rechters tot medelijden

te roeren, gelijk hij reeds had gedaan met de overige aanwezigen,

behalve misschien met den heer Walling.

De oude advocaat, wiens wangen van inspanning gloeiden, wees er

vervolgens op, dat de rechtbank bij een veroordeeling meer deed dan

gevangenisstraf opleggen; dat ze het leven verwoestte van één nog niet

ten volle de kinderschoenen ontwassene; dat ze eene familie

schandvlekte, die jarenlang ieders achting had genoten.

Daarna beriep hij zich op het getuigenis van Willem’s onderwijzers. De

beschuldiging van samenspanning met den beklaagde wierp hij in edele

verontwaardiging verre van zich.

„Zie,” zeide hij ten slotte, „mijn haren zijn wit en mijn hand beeft

van ouderdom; de kronkelpaden der rechtspraak zijn mij door lange

onthouding een doolhof geworden. Ik heb tot u gesproken minder tot den

rechter, dan tot den mensch in u, die ook in den strengsten rechter mag

en moet wonen.

Laat de ijzeren wet en uw geweten geen vrijspraak toe, weest dan mijn

armen cliënt genadig.

Heeft de beschuldigde straf verdiend, hij heeft ze reeds ondergaan. Ik

heb getracht u te overtuigen, dat hij gehandeld heeft, zonder te weten

wat hij deed, zonder de gevolgen te kennen, zonder oordeel des

onderscheids. Heeren rechters, neemt zijne jeugd in aanmerking! Ik

vraag, neen, ik smeek u vrijspraak voor hem af, voor hem en voor zijne

ouders.”

Omens ging zitten en wischte de droppels weg, die op zijn voorhoofd

parelden.

De voorzitter stond op en vroeg Willem, die luid snikte, of hij nog

iets te voegen had bij de woorden van zijn advocaat. En zonder het

antwoord af te wachten, liet hij er op volgen:

„Dan zal de rechtbank heden over acht dagen, ’s morgens te tien uren,

uitspraak doen. De zitting is gesloten. Getuigen kunnen gaan. Publiek

buiten!”

Acht dagen van kwellende onrust en angstige spanning voor Willem en

zijn ouders volgden. Acht dagen van twistgesprek over de kansen van

vrijspraak of veroordeeling voor hen, die de familie kenden.

Doch ook die tijd verstreek. Het publiek was in nog grooter getal

opgekomen. Enkele nieuwe getuigen werden ondervraagd; daarna sprak de

voorzitter, terwijl het Willem duizelde, het vonnis uit, dat luidde:

„De rechtbank spreekt den beklaagde vrij van het hem ten laste gelegde

feit, als hebbende gehandeld zonder oordeel des onderscheids, maar

gelast opzending naar en verblijf in het Rijksopvoedingsgesticht voor

jongens op De Kruisberg voor den tijd van twee jaar.”

Willem Roda: Een jongensboek · 第 5 / 25 题