Een half uur gaans benoorden Doetinchem staat, te midden van
dennenbosschen en bouwland, een fraai heerenhuis. De sierlijke gevel,
met zachte, heldere kleuren beschilderd en gepleisterd, en een goed
aangelegd plantsoen, dat bijna tot onder de hooge vensters reikt, geven
het huis een vriendelijk voorkomen.
De aangename indruk, dien vorm en tinten geven, wordt echter
grootendeels bedorven door twee smakelooze gebouwen, tusschen welker
zijwanden het heerenhuis beklemd is.
Deze gebouwen zijn hooger en grooter dan het huis zelf, en elk is van
een dubbele rij kleine vensters voorzien.
Zóó hoog en zóó groot en zonder eenige versiering, zóó regelmatig, zóó
stevig zijn de kazerneachtige reuzen, en zóózeer verschillen ze in
bouwtrant met het vriendelijk huis, dat het geheel doet denken aan eene
sierlijk bewerkte Venetiaansche bloemvaas, tot brekens toe bekneld
tusschen twee groote grauwe Keulsche potten.
Rechthoekig op elk der beide kazernes staat eene rij lage baksteenen
huisjes, van allerlei vorm en grootte. Deze vormen met de drie
eerstgenoemde gebouwen, welker gevels nagenoeg in een lijn liggen, de
drie zijden van een rechthoekig plein.
Het midden van deze ruimte wordt ingenomen door het cirkelvormig
plantsoen, waarin ’s zomers in- en uitheemsche planten in kleurige
bloemen- en bladertooi prijken.
Het plein is aan de vierde, open zijde afgesloten door eene gracht of
liever door een breede sloot, waarover een houten brugje ligt, dat door
een ontzaglijk ijzeren hek wordt versperd.
Een dubbele rij statige dennen begrenst den straatweg, die naar het hek
voert, en een gedeelte uitmaakt van een uitgestrekt, dichtbewassen park
met eeuwenoude boomen, met slingerpaden en rustbanken.
Zoo was indertijd de aanblik van De Kruisberg, de voormalige straf
gevangenis voor jongens, waarheen Willem Roda verwezen werd, en die hij
op een kouden wintermorgen naderde, met lood in de schoenen en tusschen
twee veldwachters. Hij zag er bleek en ontdaan uit. De
rijksveldwachters, in blauwe uniform met witte tressen en kwasten,
stapten zoo dicht naast hem voort, dat er voor Willem nauwelijks ruimte
om te loopen overbleef; een voorzorg, die onnoodig scheen, daar de
geladen geweren, die de geleiders over den rug droegen, den gevangene
de gedachte aan vluchten wel moesten benemen.
De veldwachters evenwel, waren gewoon jongens over te brengen en wisten
maar al te goed, dat bij den getransporteerde de drang tot ontvluchten
in ’t gezicht van de gevangenis het grootst is.
Geen enkele beweging van Willem was zijn bewakers ontgaan.
Ze hadden zeer goed opgemerkt, hoe hij een angstigen blik had geslagen
op de hooge gebouwen, die het drietal juist van ter zijde passeerde, en
een blik vol verlangen op de donkere dennenbosschen in de verte. En
werkelijk zou Willem de kogels uit de buksen getrotseerd hebben, indien
de twee veldwachters niet, als op een afgesproken teeken, zijn beide
polsen hadden gegrepen.
Hij rilde van schrik, toen hij zijn gedachten geraden vond, maar
troostte zich een oogenblik later op het gezicht van de smalle gracht,
van het hek, dat, hoe goed ook gesloten, wel over te klimmen was.
Dat was immers geen gevangenis, die, zooals Omens bij het afscheid
nemen had gezegd, wel de eer doch niet de vrijheid liet.
Daar kon men uitkomen, wanneer men wilde.
„Hier blijf ik niet lang”, mompelde Willem binnensmonds en stapte reeds
half met zijn lot verzoend, tusschen zijn geleiders de brug over.
Een der veldwachters trok aan de bel. Een bewaker in uniform opende het
zware hek.
Een oogenblik bleef Willem verwonderd staan.
Rondom een groot cirkelvormig grasperk liepen doodbedaard, en allen op
gelijken afstand van elkander, met de handen op den rug, een twintigtal
jongens; de meeste met galgentronies. Ze droegen grijze of verschoten
blauwe kielen, pilo broeken, wit geschuurde klompen en hadden een
grauwe pet zonder klep op de haren.
Allen blikten Willem onder het loopen nieuwsgierig en brutaal aan. In
het voorbijgaan mompelde er een: „Welkom”. Een ander: „Van harte
gefeliciteerd”. Een derde wat luider en brutaler: „Aangename
kennismaking, fijn heertje, kom je soms ook uit Amsterdam? Dan zijn we
landslui.”
„Lekker leventje, hè, zoo rond te draaien? Dat is jouw voorland ook”,
zei de volgende.
„Stilte!” snauwde de bewaker, en zwijgend wentelde de levende cirkel
verder.
Willem werd in de kamer van den directeur gebracht. Uit de verlakt
leeren tasch van een der veldwachters kwamen papieren en brieven te
voorschijn, die de directeur vluchtig inzag; waarna de geleiders
vertrokken.
De directeur of de commandant, zooals hij gewoonlijk genoemd wordt, was
een man met een ernstig en tegelijk vriendelijk voorkomen; hij boezemde
Willem, die bevende aan de deur was blijven staan, eer vertrouwen dan
vrees in.
„Kom hier bij me staan, of, als je moe bent van den langen weg, kun je
gaan zitten”, sprak hij zacht op deelnemenden toon, terwijl hij Willem
in de registers van het gesticht inschreef.
Willem gehoorzaamde, maar bleef, zijn pet door de handen draaiende, bij
den lessenaar staan.
„Ziezoo!” vervolgde de directeur, „je bent hier ingeburgerd, natuurlijk
tegen je wil. Uit je verleden, dat ik door en door ken, weet ik met
wien ik te doen heb. Ik geloof dat ik met jou wat breedvoeriger kan
spreken dan met de meeste jongens, die hier gebracht worden.
Je zult zien, dat het van je zelf afhangt, je het leven hier dragelijk
te maken.
Ten eerste eisch ik stipte gehoorzaamheid voor mij en mijn
ondergeschikten, zelfs in gevallen, waarin je meent onrechtvaardig
behandeld te zijn. Wordt je, wat ik niet hoop, straf opgelegd, dan is
daarvan geen hooger beroep; bij tegenstribbeling of verzet wordt de
straf onvermijdelijk verzwaard.
Alle jongens zijn hier voor de wet van het gesticht gelijk en alles
gaat hier op militaire wijze en derhalve op commando.
Toch is het hier geen kazerne. Is je soms medegedeeld van welken aard
dit gesticht is?”
Willem knikte toestemmend.
„Zoo? En door wien?”
„Door mijnheer Omens, een advocaat, den vriend van mijne ouders.”
„Nu, dan weet je ook, dat dit gesticht alleen daarin van eene gewone
gevangenis verschilt, dat voor hem, die er vertoeft, de schande niet
zoo groot is, daar hij niet veroordeeld was. Bovendien heeft men hier
de gelegenheid een ambacht te leeren, om later een nuttig, misschien
wel een geacht lid der samenleving te worden. Toch is het hier wel eene
gevangenis, al luidt de naam zachter, want er bestaat hier voor de
jongens geen vrijheid van handelen; voorrechten kan alleen een
voorbeeldig gedrag geven. Vergeet dit niet, als het je soms anders
voorgesteld is. En daarbij, een enkele wandeling onder sterk geleide
uitgezonderd, verlaat niemand dit gesticht zonder ontslagen te zijn.”
„Of ontvlucht,” dacht Willem en keek door het venster naar het hek, dat
zoo gemakkelijk over te klimmen was.
De directeur meende, dat Willem naar de draaiende jongens keek en
daardoor zijn aandacht liet afleiden.
„De jongens, die je daar ziet loopen, doen dit voor straf; terwijl de
anderen eten, moeten zij wandelen en later afzonderlijk eten.
Bedenk dit wel: niemand is hier voor zijn pleizier; houdt men zich niet
aan de wet, dan zijn de gevolgen, vooruit bekend, eigen schuld.”
De directeur keek nog even een brief in, hem door den rijksveldwachter
tegelijk met de papieren overgereikt.
„Ook moet je dit vooral niet vergeten,” vervolgde hij daarna, „je
krijgt nu een omgeving van honderdvijftig onbeschaafde jongens, voor
zeven achtsten bestaande uit dieven en vagebonden. Nu zal je mij een
genoegen doen en je zelven veel onaangenaamheden besparen, indien je je
zoo weinig mogelijk met de overige jongens bemoeit.
„Vertel in geen geval, waarom je hier gezonden bent, al houden ze je
ook voor een dief of diefjesmaat. Geheel doen echter, alsof je de
jongens niet ziet, gaat ook niet aan: je zoudt aan duizend kleine
plagerijen bloot staan en het leven zou je verbitterd worden, zonder
dat ik het beletten kan; doch bewaar een zekeren afstand.”
De bestuurder van De Kruisberg stak eene versche sigaar op, en
achterover in zijn armstoel geleund, keek hij Willem door de blauwe
wolkjes heen eenige oogenblikken scherp aan; daarop ging hij voort:
„Een ambacht heb je niet geleerd: die schade moet ingehaald worden,
want hier wordt van den morgen tot den avond gearbeid. De keuze van een
ambacht staat je vrij, behoudens mijn goedkeuring natuurlijk. Onderwijs
in de school heb je niet meer noodig; toch kun je, zoolang je mij en
den meester reden tot tevredenheid geeft, de uren voor het onderwijs
bestemd, met den onderwijzer alleen doorbrengen. Je hebt me begrepen,
niet waar?”
Willem knikte.
„Ben je nog moe?”
„Neen, mijnheer.”
„Ik word hier commandant genoemd!”
De commandant schelde. Een bewaker klopte, kwam binnen, en bleef met de
hand aan de gegalonneerde pet bij de deur staan.
„Majoor, deze jongen is No. 83, alcove in den linkervleugel B. Visiteer
hem, geef hem het pak en deel hem de voorschriften van de slaapkamer
mede; daarna leidt je hem achtereenvolgens door alle werkplaatsen en
brengt hem op de boerderij, dan kan hij een keus voor een ambacht doen.
Morgen onmiddellijk na de réveille bij me brengen.”
„Tot uw dienst, commandant.”
„A propos, Willem, heb je honger?”
„Neen, mijnhe.... commandant!”
„Volg dan den majoor!”
Twee hooge trappen op volgde Willem den majoor, een lang, mager
jongmensch met gitzwarten knevel en lange sik. Boven gekomen ontsloot
de beambte vleugel B.
Wat de commandant de slaapkamer had genoemd, was eene groote zaal, die
licht ontving door twee rijen kleine, hoog geplaatste vensters. Willem
had wel eens een hospitaal bezocht, en had zich de slaapkamer hier
voorgesteld, zooals hij die daar had gezien; lange rijen kribben langs
de wanden. Niets daarvan was hier te ontdekken.
„Slapen ze hier op den grond?” vroeg hij den majoor.
„Wel neen, in die alcoves!” antwoordde deze en wees naar het
middengedeelte der zaal.
Dit was ingenomen door een dubbele rij grijsgeschilderde vogelhokken;
daarvoor althans zag Willem ze bij den eersten oogopslag aan; ze
geleken dan ook bijzonder veel op de hokken voor de steltloopers in de
diergaarde te Amsterdam.
Deze slaaphokken, met den wijdschen naam „alcoves” bestempeld, waren
met de ruggen tegen elkander geplaatst, zoodat ze een langwerpig blok
vormden, dat langs elk van de lange wanden de zaal een tamelijk breede
gang, langs elk der korte, slechts een smallen doorgang vrijliet.
Een grijze, ijzeren plaat vormde de scheiding tusschen twee naast
elkander liggende alcoves, zoodat elk hok drie ijzeren wanden had: de
twee zijwanden en den achterwand. De zoldering bestond uit een netwerk
van ijzerdraad met kleine, ruitvormige mazen. De voorzijde eveneens,
doch die was in tweeën gedeeld; de eene helft diende tot deur en was
van een zwaar hangslot voorzien. Alleen de vloer van het hok was van
hout, en daarvan werd de geheele lengte en de halve breedte ingenomen
door een stroomatras, waarop aan het hoofdeinde twee netjes opgerolde,
zindelijke dekens lagen, en waarboven tegen de achterplaats een kastje
hing, met de Zondagsche kleeren van den bewoner. Een plankje, aan
dezelfde ijzeren plaat bevestigd, diende blijkbaar bij het uit- en
aankleeden tot zitplaats.
Tegen het traliewerk aan de voorzijde hing een bordpapieren plaatje,
waarop naam en nummer gedrukt stonden van hem, die er slapen moest.
„Hier is No. 83,” zei de majoor, en met een der sleutels van zijn
reusachtigen bos opende hij de alcove. „Daar in dat kastje ligt je pak
en je ondergoed, de klompen krijg je beneden.”
„Moet ik hierin slapen?” vroeg Willem bevende, en aarzelde het hok in
te gaan.
„Ja natuurlijk, waar anders? Kom, maak wat voort!”
Schoorvoetend gehoorzaamde Willem. Hij bukte zich bij het binnenkomen
van het hok, maar het was niet noodig, het was hooger dan het scheen;
hij kon er ruimschoots rechtop staan.
„Uitkleeden, haast je wat!”
Willem trachtte ook nu te gehoorzamen, doch het was hem niet mogelijk;
hij beefde te sterk.
De majoor kreeg medelijden.
„Wacht, jongen, ik zal je helpen,” zei hij op veel zachter toon dan hij
tot nu toe had aangeslagen. „Het beteekent niets, als je er maar
eenmaal aan gewoon bent. Zou je het prettiger vinden, als alle jongens
je op je matras konden zien liggen en de bengels je allerlei overlast
konden aandoen? Zooals het hier is ingericht kan geen van de jongens je
zien liggen en met geen vinger aanraken, want zoodra je binnen bent,
wordt de alcove gesloten en ik heb den sleutel.
„Kom, trek nu dat pakje eens vlug aan, hè! ’t Is toevallig een nieuw
stel. De commandant schijnt een goed oogje op je te hebben; als je
gehoorzaam en gewillig bent, kun je het hier wel een paar jaartjes
uithouden. Denk er vooral aan, zoolang je op de slaapzaal bent, met
geen van de jongens te praten. Dat is hier ten strengste verboden. De
straf er op is afzondering bij het eten, water en brood en als het nog
weer gebeurt, cachot.
Wacht, ik zal je even die lange haren afknippen; die zijn maar lastig
en nemen te veel tijd weg bij het aankleeden.
Hier aan die lange richel langs de wand hangt voor elken jongen een
blikken handenwaschbak en, zooals je ziet, is daar onder tegenover elke
alcove een kraan aangebracht. Zorg, dat je bak en kraan altijd blinken
als een spiegel.
’s Winters is hier om zeven uur réveille, ’s zomers om zes,” ratelde de
majoor voort, terwijl Willems blonde haren bij bosjes op den grond
vielen. „Dan in vijf minuten opstaan, aankleeden, bed opmaken en
wasschen; alweder zonder met je buurman te spreken of hem aan te raken.
De bewakers kijken scherp toe en luisteren dag en nacht, dat verzeker
ik je.
Kom aan, nu ben je klaar. Leg dat pakje met kleeren maar op de plank;
dat wordt straks weggehaald en krijg je terug, als je ontslagen wordt,
ten minste, als je niet te sterk groeit; in dat geval worden ze
verkocht.
Nu zal ik je de werkplaatsen laten zien.”
Willem en de majoor, de eerste op kousevoeten, daalden nu de trappen
weer af.
„We zullen eerst even bij den bewaker-klompenmaker aanloopen, om te
zien of er een paar klompen voor je te vinden is.”
In een der lage huisjes op het voorplein was de
klompenmakerswerkplaats. Bij hun binnenkomen keken een tiental jongens
nieuwsgierig op.
„Doorwerken zonder opkijken,” commandeerde de klompenmaker-bewaarder,
en tegelijk hervatten allen den arbeid.
„Baas-bewaker, heeft u een paar klompen klaar voor dezen jongen?” was
de vraag van den majoor.
Het tweede paar, dat Willem aanpaste, scheen wel voor hem gesneden.
„In orde,” zei de majoor, „ga nu maar mee; hiernaast is de smederij.”
Evenals de klompenmakerij was ook deze werkplaats van buiten gesloten.
Allengs vervloog bij Willem de hoop op een gemakkelijke ontvluchting;
bij nacht opgesloten in een ijzeren hok, bij dag in een werkplaats, het
was om wanhopig te worden.
Achtereenvolgens kreeg Willem de kastenmakerij, de drukkerij met twee
snelpersen, de boekbinderij en de koperslagerij te zien. Overal werkten
tien à twintig jongens van veertien tot achttien jaar, onder opzicht
van een bewaker; deze arbeidde zelf hard mee en onderwees de
nieuwelingen, die, zoodra ze de eerste handgrepen kenden, door de
ouderen en meergeoefenden werden voortgeholpen.
De majoor voerde Willem een gang door naar de achtergebouwen, waar zich
de lijnbaan, de gasfabriek en andere werkplaatsen bevonden.
„Hier heb je de kerk,” zei de majoor, op een gebouwtje met
oudhollandschen trapgevel wijzende, op welks bovenste treden een
koperen kruis in het zonlicht schitterde.
„Mag ik eens van binnen zien?” vroeg Willem, bij wien langzamerhand de
droefheid voor nieuwsgierige belangstelling plaats maakte.
„Ja,” antwoordde de majoor, „dat zul je anders nog dikwijls genoeg;
maar je hebt vandaag geen werk meer te verrichten. Ga maar binnen.”
„Dat is een Katholieke kerk!” merkte Willem aan, op het altaar
doelende. „Is er ook een Protestantsche?”
„Welzeker, blijf maar even staan.” antwoordde de majoor met een
geheimzinnig, veelbeteekenend lachje. Hij ging eenige treden naar het
altaar op en trok door middel van een koord een groen gordijn voor de
nis, waarin het altaar stond.
„Zie je, nu is het een Protestantsche, en wordt de preekstoel
weggenomen, dan is het een Israëlitische kerk. Achtereenvolgens gaan ’s
Zondags de jongens in groepen volgens ieders godsdienst ter kerk. Zou
je wel willen gelooven dat deze kerk, met al wat er in en aan is, door
de jongens van De Kruisberg is gemaakt?
Daar luidt de bel voor het eten. Volg mij!”
Uit al de gebouwen, die ze voorbijgingen, klonken commando’s en daarop
marcheerden de jongens in goede orde op de klotsende klompen naar de
eetzaal. Ontmoetten twee troepen elkander, dan sloten ze zich bij
elkander aan en trokken gezamenlijk verder.
„Na het eten zal ik je de rest laten zien; sluit je bij dien troep
aan,” gelastte de majoor.
„Ik heb nog geen honger, majoor!”
„Doen wat ik je zeg, en niet tegenspreken!”
De troep hield stand voor de eetzaal, bij welken Willem zich bevond.
Door de geopende deur zag hij in een zaal, waarin, elk op drie
schragen, twee breede en zeer lange planken rustten, die blijkbaar den
dienst van tafel moesten verrichten. Aan het andere einde van de zaal
bevond zich in den overigens kalen muur een loketje, gelijk aan dat,
waardoor in de stations de plaatskaartjes worden afgegeven.
Een bewaker commandeerde „voorwaarts”; de troep trok de eetzaal binnen
en marcheerde, nu in één enkele, lange rij, langs het loketje. Aan
elken jongen werd op het oogenblik, dat hij het schuifluikje
voorbijtrok, daaruit door een onzichtbare hand een blikken keteltje met
soep toegeschoven, en allen plaatsten zich, met den dampenden ketel
voor zich, in de volgorde, waarin ze gemarcheerd hadden, aan de
planken. Na het eten werden de keteltjes op dezelfde wijze afgeleverd
en begaf men zich weder naar de werkplaatsen. Ook Willem sloot zich
weer bij den troep aan, met welken hij binnen was gekomen. Achter de
hoofdgebouwen wachtte de majoor hem op en gezamenlijk gingen ze naar de
boerderij.
„Ik zal je alles aanwijzen en noemen, wat hier te zien is, dan behoef
je het niet aan de jongens te vragen. Sla ik iets over, dat je verlangt
te weten, dan vraag je maar.”
In de waschkamer, die ze voorbijgingen, waren sommige jongens bezig
ondergoed en kielen te wasschen, terwijl andere het schoone goed op
nummers legden. Daarnaast was het badvertrek, waar ook al weder jongens
druk bezig waren met het reinigen van de steenen voet- en zitbaden. Die
zandhoopen daar? Die behooren bij de speelplaats, daar kunnen de
jongens, die de geheele week geen reden tot klagen hebben gegeven, des
Zaterdagsmiddags stoeien en ravotten naar hartelust.
Nu moeten we hier het land over. Deze tuinen en dit land, waarin ’s
zomers een stuk of zes koeien grazen, dat park en die bosschen, dat
alles behoort, zoover je zien kunt, bij De Kruisberg.”
„En wie verzorgen het vee en het land?”
„De jongens, die onder toezicht van den boer-bewaker staan.”
„Dan ga ik daarbij,” riep Willem vast besloten.
„Ho, ho, niet zoo haastig, kereltje; eerst eens kijken, wat er bij den
boer te doen is; daar heb je ook geen prinsenleventje, dat verzeker ik
je. En bovendien moet de boer je nog willen hebben en de commandant het
goedvinden. Ik geloof, dat er bij den boer al jongens te veel zijn en
bij het kleermaken er juist één ontbreekt,” zei de majoor; het laatste
met een zeer bedenkelijk gezicht.
Reeds de gedachte alleen, kleermaker te moeten worden, deed Willem
rillen van angst.
„Och toe mijnheer, doe een goed woord voor mij bij den commandant, ik
zou het bij den kleermaker niet kunnen uithouden; hier bij den boer ben
ik ten minste niet opgesloten.”
De majoor boog zich naar Willem over en keek hem aan met een gezicht,
waarop duidelijk te lezen stond, dat hij Willems bedoeling volkomen
begreep.
„Niet opgesloten, hè? Dus gemakkelijk om aan den haal te gaan, niet
waar? Je hebt goed gekeken, ventje. Als er ergens in het gesticht kans
op ontvluchten bestaat, dan is het hier. Maar die kans is nog kleiner,
veel kleiner dan je denkt. Kijk eens dien kant op. Neen, daar niet,
langs die dooie spar daar.”
„Bedoelt u de twee jongens, die daar spitten?”
„Juist. Zie je daarachter dien man staan met zijn groene jas en
glimmende pet? Dat is de veldwachter-bewaker en dat stokje, dat hij
over zijn rug draagt, is niets meer of minder dan een geladen geweer.
Als je het op een loopen zet, heb je, eer je tien pas gedaan hebt, een
kogel in je corpus, dat begrijp je. Dus als het je eigenlijk en alleen
er om te doen is, een kansje op ontsnappen te hebben, kies dan gerust
een ander vak.”
Een kogel uit een veldwachtersbuks kan ook nog missen, dacht Willem,
maar hij zei het wijselijk niet. En vol angst dat men hem die kleine
kans benemen mocht en hij kleermaker of letterzetter zou moeten worden,
greep hij den majoor bij de hand en smeekte op vleienden toon:
„Majoor, wees toch, als ’t u belieft, mijn voorspraak bij den
commandant: ik zal er u mijn geheele leven dankbaar voor zijn.”
De majoor keek hem, zich weer vooroverbuigende, een oogenblik strak
aan.
„En zul je nooit trachten te ontvluchten?” vroeg hij langzaam sprekend.
Willem kleurde tot achter de ooren. Het was hem niet mogelijk „neen” te
liegen, nu hij eigenlijk aan niets anders dacht dan juist aan
ontvluchten. Hij wilde iets zeggen, een ontwijkend antwoord geven, maar
bracht niets dan eenige onverstaanbare geluiden uit.
„Dat kan niet eens liegen!” riep de majoor verbaasd uit. „Wat sturen ze
zoo’n jongen hierheen?” En snel, alsof hij zich vergist had en meer
gezegd dan zijn betrekking veroorloofde, liet hij er op volgen:
„Stel je gerust, jij komt bij den boer, maar probeer niet op den loop
te gaan, je bent toch binnen vierentwintig uur weer thuisgebracht, want
dat pakje is vijf uur in den omtrek bekend; en bovendien loop je groot
gevaar, voor je geheele leven door een bukskogel verminkt te worden.”
Na het avondeten, dat uit een paar dikke sneden brood bestond, ging
Willem voor het eerst in de alcove achter slot.
Toen de sleutel rondknarste, steeg hem het bloed naar het hoofd en was
zijne eerste gedachte de ijzeren mazen met geweld uit elkander te
rukken, al moest hij zich de vingers openrijten, of, als dit mislukte,
zich het hoofd tegen de ijzeren platen te pletter te slaan. Doch eer
het nog tot een begin van uitvoering kwam, deed zijn gezond verstand de
opkomende drift bedaren. De tralies waren dun maar stevig, er was geen
verbuigen of verwrikken aan; en hij kwam bij den boer; daar was, wat de
majoor ook mocht zeggen, een ontvluchting geen onmogelijkheid; dit
bleek immers juist uit de voorzorgen, die er tegen genomen werden.
„Onder de deken!” commandeerde de bewaker van de slaapzaal, en een
minuut later waren de lichten gedoofd.
Willem had er nog niet aan gedacht zich uit te kleeden. Hij ging met
het hoofd in de handen op het plankje zitten en dacht aan zijn ouders
en zijn zuster; als ze hem zóó eens zagen, zijn moeder zou het
besterven. Heete tranen biggelden langs zijn wangen.
In de zaal was alles doodstil; slechts een enkele luide ademhaling
bewees, dat er al een jongen in slaap was gevallen. Van een bewaker was
niets te hooren en natuurlijk niets te zien.
Willem stond op en drukte zijn gezicht tegen het koude netwerk; hij had
hoofdpijn. Er heerschte bijna volslagen duisternis in de zaal; een
enkel glimlichtje op eene blankgeschuurde kraan flikkerde zwak, als een
sterretje tusschen donkere wolken en bewees, dat men zich niet onder
den grond bevond.
Peinzend hield Willem den blik op het lichtpunt gevestigd. Eensklaps
sprong hij met een kreet van schrik achteruit. Een sterke bundel
lichtstralen viel op zijn gelaat in de alcove. Het licht kwam voort uit
de kleine dievenlantaarn van den bewaker, die op kousevoeten de ronde
deed, om te zien, wie nog niet sliep of ten minste niet trachtte te
slapen.
„Onmiddellijk onder de dekens, rekel, of....”
Willem hoorde het slot der vriendelijke vermaning niet meer, in een
oogwenk was hij onder de dekens verscholen. Met een stok, dien hij door
de mazen stak, lichtte nu de bewaker de dekens een eindje op.
„Neen, drommels gauw er uit, en uitgekleed. Voor ik de ronde gedaan
heb, is alles in orde! begrepen?”
De bewaker liet het schuifje voor het licht in het lantaarntje weer
vallen en nog dieper scheen de duisternis in de zaal. Onhoorbaar en
onzichtbaar sloop hij verder, om, waar hij iets verdachts meende te
bespeuren, eventjes het volle licht van zijn verraderlijke lantaarn in
de alcove te werpen.
Willem trachtte den slaap te vatten, maar de veertig moegewerkte
jongens maakten in hun slaap zulke liefelijke geluiden, dat het bij dit
neus- en keelconcert voor Willem onmogelijk was vijf minuten achtereen
te slapen. Gelukkig voor hem, maakte de nachtspion ’s morgens geen
rapport van de ongehoorzaamheid van den nieuweling, of liever de majoor
bracht het niet over; hij werd na een paar sneden brood genuttigd te
hebben, voor den commandant gebracht.
„Wel, heb je al een keus gedaan?”
„Jawel, commandant, met uw goedvinden, zou ik het liefst van alles bij
den boer willen werken; ik beloof u, zoolang ik er ben, vlijtig en
gehoorzaam te zullen zijn.”
„Ik dacht het wel; alle jongens uit de groote steden zingen hetzelfde
liedje, en in de eerste vier weken hebben ze er veel lust in. Je
verzoek is toegestaan, misschien zal het boerenbedrijf je bleeke wangen
wat meer kleur en bolheid geven. Je kunt gaan.
Majoor, breng Willem Roda bij den boer en beveel hem aan in zijn hoede.
Je begrijpt me, niet waar?”
Den volgenden nacht werd Willem niet door het ronken en snorken zijner
medegevangenen uit den slaap gehouden. Misschien zelfs werd het aantal
instrumenten nog met één neus vermeerderd.
Hij had dien dag gewerkt als een paard, en menig goedkeurend knikje of
tikje op zijn schouder van den boer-bewaker was het loon voor zijn
ijver. Maar nu was hij ook zoo moe, zoo moe, als hij nog nooit geweest
was; hij was bek-af, zooals de boer het noemde, en sliep bijna, vóór
hij zich had ontkleed.
De veldarbeid beviel Willem uitnemend en de voorspelling van den
commandant, dat zijne wangen kleur en bolheid zouden krijgen, werd
bewaarheid. Hij werd bij den dag grooter, breeder en sterker. Eer er
drie maanden verloopen waren, spitte en zaaide, egde en ploegde hij als
de vlugste boerenjongen. De boer had volgens zijn eigen zeggen „machtig
veul met hem op” en liet den gewilligen knaap meer vrijheid dan aan de
overige jongens; meer zelfs dan dienstig was voor Willem; want als er
een koe of een paard uit de nabijgelegen weide moest worden gehaald,
was de verzoeking, het hazenpad te kiezen, bijzonder sterk. Hij moest
dan al de redenen, die zijn verstand hem ingaf, bij elkander roepen om
zich zelven te overtuigen, dat op een vlucht zonder voorbereiding geen
lange vrijheid kon volgen, en dat, met eene mislukte poging, tevens de
goede uitslag voor een volgende gelegenheid onder misschien gunstiger
omstandigheden, uiterst twijfelachtig moest worden.
Dat hij geen twee jaren op De Kruisberg zou blijven, stond bij Willem
vast; de eerste drie maanden was het werken bij den boer prettig genoeg
om ten minste daags te vergeten, dat hij een gevangene was. ’s Avonds
echter en vooral ’s nachts, wanneer de slaap zich niet over hem wilde
ontfermen, woelde en wroette er iets in zijn hoofd en zijn borst, dat
hij geen naam wist te geven, een aandrang, een hartstocht, een zeker
iets, dat zich met geweld wilde uitzetten, dat ruimte wilde hebben,
maar niet kon, waarvoor de alcove, de slaapzaal, het gesticht, de
boerderij, ja de geheele Kruisberg met al zijn bosschen en beemden te
eng was.
Telkens als dat benauwende gevoel, waartegen hij zich niet verzetten
kon, Willem overviel, was zijne eerste gedachte: vlucht, desnoods met
geweld, als list niet helpt. Maar wanneer hem daarop de onmogelijkheid
van eene vlucht zonder kleeren, hulp van buiten en geld, tegelijk met
zijn eigen machteloosheid bij verzet, maar al te duidelijk werd, kwam
er een gedachte bij hem op, die hem eerst deed rillen, waarmede hij
echter meer en meer vertrouwd werd, en die hem eindelijk zelfs
toelachte; de gedachte aan het lafhartigste, het slechtste en het
vreeselijkste wat een jongen doen kan, de gedachte aan zelfmoord.
Ze liet hem dag noch nacht met rust, ze vervolgde hem overal waar hij
ging of stond of lag.
Weer lag hij rusteloos te wentelen op zijn matras; het scheen hem toe,
dat hij strenger bewaakt werd; veel vaker dan gewoonlijk viel er een
lichtstroom in zijn alcove.
„Maak er een eind aan,” fluisterde de kwade stem in zijn binnenste,
„een touw is er in de boerderij wel te vinden, een strop is in ééne
minuut gemaakt en boomen met lage dwarstakken zijn er in menigte in het
boschje achter den koestal. Je ouders? wilde je het daarvoor laten? wat
hebben die aan jou? je bent immers een schandvlek voor je familie; wil
je hen soms weer rijk maken als je hier blijft werken?” zoo fluisterde
de kwade stem reeds door. Toen de dag aanbrak stond zijn besluit vast.
„Roda, bij den commandant komen,” beval de majoor na de réveille.
Willem schrikte; zou die man ook nu weder zijn gedachten geraden
hebben? Eensklaps herinnerde hij zich, dat de commandant hem in de
laatste weken, tijdens zijne zwaarmoedigheid, dikwijls uitvorschend had
aangezien. Willem had er toen niet op gelet, maar nu viel het hem in.
Zijn kwaad geweten deed zijn hart hevig kloppen, terwijl hij in de
spreekkamer op den directeur wachtte.
Eindelijk kwam deze en begon nog vóór hij zitten ging: „Willem, je ziet
er in de laatste weken slecht uit: gevoel je je ziek?”
„Ziek niet, commandant, wel ben ik dikwijls zoo benauwd; ik weet niet
wat mij scheelt.”
„O! dat zal wel overgaan. A propos, hier is een brief voor den
burgemeester van Doetinchem. Wil je die even voor mij bezorgen? Ik kan
op het oogenblik geen een van de bewakers missen.”
Willem vertrouwde zijn ooren niet.
„Ik?” riep hij op zulk een verbaasden en ongeloovigen toon, dat de
directeur een glimlach nauwelijks verbergen kon.
„Ja, jij, ten minste als je er plezier in hebt; ik kan je niet dwingen
buiten het gesticht diensten voor mij te verrichten, maar ’t is
heerlijk zomerweer en een flinke wandeling zal je wel bevallen, dunkt
me. Je kunt binnen een uur terug zijn. En dan heb ik iets voor je
ontvangen, dat je ongetwijfeld genoegen zal doen. Maar ga nu heen, er
is haast bij dezen brief. Je kent den weg toch wel, anders vraag je wel
eens onderweg. Voorwaarts, sta daar niet te suffen, jongen. De majoor
zal je uitlaten.”
Meer droomend dan wakend, half onbewust van wat hij deed, ging Willem
het hek door. Hij wachtte nog of iemand meegezonden zou worden. Niets
van dien aard. De majoor sloot het hek achter hem dicht en wenschte hem
een prettige wandeling.
Nu eerst begreep Willem, dat hij vrij was; wel tijdelijk, maar dat deed
er voor het oogenblik niets toe; hij rende als een dolle den weg op,
tot hij De Kruisberg niet meer zien kon.
„Vrij! ik ben vrij!” gilde hij buiten zichzelven van blijdschap en
buitelde over het gras langs den weg, zwaaide met armen en beenen,
sprong en dartelde als een kalf, dat voor het eerst weer uit den stal
in de malsche voorjaarsweide komt.
’t Was of de lucht hier veel aangenamer, het geboomte en het gras hier
veel frisscher was dan ginds op De Kruisberg. Eindelijk had hij zich
zat gedronken aan de vrije lucht en toen de vrijheidsroes een weinig
bedaard was, viel zijn oog op den brief, dien hij nog altijd in de hand
hield.
Hij was tamelijk gekreukeld door de onstuimige bewegingen, die hij had
medegemaakt. Willem ging in het gras zitten en trachtte door wrijven en
drukken er weer een weinig fatsoen in te brengen. Indien hij geweten
had dat er slechts een onbeschreven velletje papier in zat, zou hij
zich waarschijnlijk zooveel moeite niet getroost hebben. Nu staarde hij
met bezorgden blik de hardnekkige kreukels aan.
„Over een uur kun je terug zijn,” had de commandant gezegd. „Wie weet,
hoeveel er al van om is,” dacht Willem en draafde den weg naar het
stadje op.
Uit de boerenhuizen langs den weg kwamen de kinderen naar buiten loopen
om hem te zien.
Een reiziger, voor het eerst in die streek, keek verwonderd den vreemd
gekleeden jongen na.
„Daar heb je der een uit de gevangenis,” riep een voerman tot een man,
die naast het paard voortstapte. „Laat hem maar loopen; die is gauw
genoeg weer ingerekend.”
Willem stoorde zich er niet aan; evenmin als aan de menschen in het
stadje, die hem nieuwsgierig aangaapten en maar niet begrijpen konden,
dat de politieagenten deden, alsof ze den jongen niet zagen, in plaats
van hem op te pakken.
Nadat Willem den brief had bezorgd, sloeg hij zingend den weg naar De
Kruisberg weer in. Halverwege lokte een schaduwrijk plekje tot rusten
uit; in de verte glinsterden de leien daken van het gesticht, en
terzijde van den weg strekte zich een jong bosch van dennen en berken
uit. Willem ging op het mos liggen tusschen de boomen, die den weg
begrensden, en luisterde naar het fluisteren der bladeren, die in den
ochtendwind ruischten. Geen sterveling was er op den straatweg, noch in
den omtrek te zien.
„Ik bied je een schuilplaats aan,” lispelde het gebladerte, „je bent nu
in de gelegenheid, maak er gebruik van.”
„De commandant stelt zooveel vertrouwen in je, dat hij niet eens je
woord tot pand heeft genomen; zul je dat vertrouwen beschamen?”
vermaande een stem in zijn binnenste. De gedachte aan den commandant
herinnerde hem tevens aan diens woorden. De man had gesproken over
iets, dat voor Willem aangekomen was; duidelijk kon hij zich de woorden
niet meer te binnen brengen, hij was toen zoo verrast en verbaasd door
die onverwachte boodschap. Wat kon het wezen, dat voor hem gezonden
was?
„Ja, toch, dat zal het zijn! dat is het! een brief van huis,” riep
Willem zoo luid, dat een paar lijsters verschrikt opvlogen, en meer
vliegend dan loopend, legde hij den afstand, die hem nog van De
Kruisberg scheidde, af.
„Geef me je hand, Willem,” zei de commandant, toen de hijgende jongen
in zijne kamer trad; „je hebt je flink gehouden. Hier is een brief voor
je,” en hij reikte hem een geopenden brief over.
Willem verslond in weinige oogenblikken den inhoud.
Allen thuis waren gezond, zijne moeder zelfs beter dan vroeger. Ze
maande hem tot geduld, vlijt en gehoorzaamheid aan.
„Nog maar een goed jaar, dan zien we elkaar terug en scheiden niet zoo
spoedig weer,” schreef zijne zuster. „Moed houden mijn jongen,” had
zijn vader er bij gevoegd, „niet het hoofd laten hangen en kniezen,
alles komt wel weder terecht; je herinnert je nog wel, wat ik in de
spreekkamer van de gevangenis gezegd heb: als het mogelijk is, gaan we,
zoodra je terugkomt, met ons allen een ander vaderland zoeken. Als het
mogelijk is, zeg ik nu, en bedoel daarmee, als de middelen het
toelaten, want Walling heeft me een proces aangedaan, om
schadevergoeding te verkrijgen. Ik heb hem een billijke som geboden,
doch hij heeft me niet eens geantwoord en eischt door middel van de
rechtbank een bespottelijk hoog bedrag. Volgens Omens evenwel, wordt
zijn eisch ongetwijfeld afgewezen. Ik wil het beste voor ons allen
hopen.”
„Mag ik dezen brief houden, commandant?” vroeg Willem ontroerd.
„Wel zeker, mijn jongen, lees en herlees hem, zoo vaak je wilt en
bedenk daarbij, dat een jongen, die zulke ouders heeft, liefde met
liefde moet vergelden en niet.... Nu je begrijpt me wel, niet waar?”
Willem rilde en staarde den commandant met wijdgeopende oogen aan. Geen
seconde had hij meer aan zijn afschuwelijk plan gedacht, en nu stond
het op eens in al zijne afgrijselijkheid voor zijn geest.
„Geloof me, Willem, ik ben zooveel ouder dan jij, ik heb een groot deel
van mijn leven met ongelukkige menschen doorgebracht en kan dus bij
ondervinding spreken. Geen mensch, ook hij, die zich op een bepaald
oogenblik nòg zoo diep rampzalig gevoelt, weet of niet wellicht het
volgend uur bestemd is zijn ellende in geluk te doen veranderen. Geef
me je hand er op, dat je nooit meer aan zulke slechte dingen zult
denken.”
„Nooit, commandant,” antwoordde Willem met trillende stem en dacht er
bij: „Weg van hier, vluchten, dat wel, en zoo spoedig ik de kans schoon
zie; maar leven blijven wil ik voor mijn vader, die misschien nog armer
zal worden dan hij reeds is, en door mijn schuld.”