In den loop van dien noodlottigen dag ontving Roda een briefje van den
commissaris van politie, het verzoek inhoudende, even aan het bureau te
komen. Hij was zich niets kwaads bewust; toch schrikte hij bij het
lezen. Wat kon het zijn?
Allerlei gissingen kwamen snel na elkander bij hem op, de eene al
ongerijmder dan de andere; maar even spoedig werden ze verworpen.
Intusschen, iets moest er toch voorgevallen zijn. Als Emilia nu maar
terugkwam; ze was even uitgegaan, om een luchtje te scheppen en meteen
een paar noodzakelijke boodschappen te doen.
Roda kon zijn vrouw niet alleen laten; daar hij en zijn dochter altijd
zorgden, minstens één van beiden thuis te zijn, zou dat argwaan wekken,
en hij wilde haar niet noodeloos ongerust maken.
Met haastige schreden liep hij de kamer op en neer, en gaf zich moeite,
zijn ongeduld en zijn onrust te verbergen.
Emilia kon reeds terug zijn! Wat bleef ze lang weg! Dat was toch hare
gewoonte niet!
Hemel, als haar eens iets overkomen was! Onwillekeurig greep hij naar
zijn hoed aan den kapstok.
„Johan, wat mankeert je? Wat is er gebeurd?” riep zijne vrouw, ontsteld
opstaande.
„Och, niets van belang; ik moet even weg, en Emilia komt niet terug.”
„Wel, ik ben niet ziek meer en kan wel een oogenblik alleen blijven.”
Daar werd gescheld. Gelukkig, het was Emilia.
In een oogwenk had haar vader zijn jas aangeschoten en zijn hoed
opgezet.
„Ik kom spoedig terug.”
Zijn gejaagdheid ontging Emilia niet. Den schijn aannemend hem nog iets
op te dragen, volgde zij haar vader in de gang.
„Vader, wat is er te doen? Waarom zoo haastig?”
Roda toonde haar het zoo even ontvangen briefje. Ook zij poogde
tevergeefs de oorzaak te raden. Aan Willem dachten geen van beiden; die
zat immers rustig en wel op de schoolbanken.
Het gerust geweten van Willems vader gaf dezen spoedig zijn kalmte
terug, en bedaard stapte hij de kamer van den commissaris binnen.
Als een donderslag bij helderen hemel trof hem de jobstijding. Indien
eenige beambten hem niet gegrepen hadden, zou hij tegen den grond
geslagen zijn. Voorzichtig deden ze hem op de bank plaats nemen, en
boden hem een glas water aan. De commissaris en de agenten, ofschoon
aan dergelijke tooneelen gewoon, waren met zijn leed begaan. De eerste
bezorgde den ongelukkigen vader in zijn leuningstoel een gemakkelijker
rustplaats, en bleef zelf staan.
Met de ellebogen op de knieën en het gelaat in de handen verborgen,
bleef Roda roerloos zitten.
De commissaris was er verlegen mede; hij verweet zich, bij de
mededeeling van het feit niet omzichtig genoeg gesproken te hebben, en
wist niet, hoe hij zijn onhandigheid weer goed zou maken.
„Mijnheer,” zei hij, na een poos, op eenig teeken van leven gewacht te
hebben, „mijnheer, sta eens op, laat de droefheid u niet overmeesteren,
er moet gehandeld worden. Is u in staat, mij aan te hooren?”
Roda hief het hoofd op.
„’t Eerste, dat u te doen heeft, is naar de ouders van den verslagene
te gaan en te trachten, het hart van den vader te vermurwen. Ik heb den
heer Walling hier ontboden, maar hij heeft tot nu toe geen gevolg aan
mijn oproeping gegeven. Misschien kan hij uw zoon de voorloopige
hechtenis besparen.
„Stel u evenwel de zaak niet te licht voor, want al is de arme jongen
nog niet dood, de geneesheer verklaarde mij, dat er weinig of geen hoop
op herstel bestaat. Bovendien vernam ik, dat de heer Walling reeds
eenigermate uw vijand is; bereid u derhalve voor op een onaangename
ontmoeting. In elk geval kunt u beproeven, of hij tot gematigdheid te
stemmen is; haast u dus.”
Roda stond met knikkende knieën op.
„Wil ik u een agent meegeven?”
Nauwelijks had de commissaris de woorden uit den mond, of de deur werd
driftig opengeworpen, en Walling zelf stond op den drempel.
Niet zoodra werd hij Roda gewaar, of zijn gelaatstrekken verwrongen
zich tot een onbeschrijfelijke uitdrukking van woede en haat, en met
den brullend uitgestooten kreet: „moordenaar!” wierp hij zich op Roda.
De agenten hadden moeite, dezen uit de handen van den razende te
bevrijden. Op een wenk van den commissaris brachten ze den hevig
ontstelden man uit de kamer in de voorzaal.
Toen Roda eenigszins van den schrik bekomen was, verliet hij met loome
schreden het bureau.
Waarheen? Naar huis? De ontzettende tijding aan vrouw en dochter
brengen? Hij had er den moed niet toe. Doelloos dwaalde hij rond.
Een ijzige Decemberwind woei hem om het verhitte hoofd, doch bracht
geen verkoeling. Al zijne polsen klopten, als moesten de aderen
barsten. De voorbijgangers staarden nieuwsgierig den armen man aan,
die, met gebukt hoofd, van het trottoir op de straat, en van de straat
weer naar het trottoir waggelde, als was hij beschonken.
Zonder te weten, hoe hij er gekomen was, stond hij voor de gevangenis.
Het deerde hem niet, hij bemerkte het nauwelijks, dat de leegloopers
bleven staan, en hem brutaal aanstaarden.
Hij schelt, een sombere klank galmt door de gewelfde gang. De
schildwacht staakt, ondanks zijne verkleumde voeten, den haastigen tred
en blijft trantelend staan. De sleutel knarst in het slot.
Een cipier, met den onafscheidelijken, rammelenden bos sleutels, opent
de deur op een kier.
„Is mijn zoon hier?”
„Zijn naam?”
„Willem Roda.”
„Zal hooren,” zegt de cipier en slaat de deur dicht; ’t is ook zoo koud
buiten.
Weer gaat de deur open. Men laat Roda binnen.
Op eene tafel in het portierskamertje ligt het register.
Een andere beambte bukt zich over de lange lijst.
„Roda, zegt u? A, B, D, G, M, R, Ra, Re, Ro, Roda, juist, No. 41, van
middag gebracht.”
„Laat me, als het u belieft een oogenblik bij hem.”
De cipier glimlacht om Roda’s onnoozelheid. Hoe kan iemand ook zoo dom
zijn?
„Onmogelijk, mijnheer! De directeur is er niet, maar spaar u de moeite
van het wachten. Nu nog niet; hij is nog niet voor den rechter van
instructie geweest. U kunt later terugkomen.”
„Maar het is mijn zoon, mijn Willem, ik moet hem spreken, ik wil hem
zien, ik ben zijn vader!”
„Wel mogelijk, mijnheer: al was u zijn advocaat, het mag niet, de wet
verbiedt het.”
Roda strijkt de handen over het klamme voorhoofd.
De wet! ja, hij is immers geen meester meer over zijn kind. De wet
treedt in zijne rechten; toch aarzelt hij nog; zou hij trachten den
cipier te verteederen?
„Och, mijnheer, laat me hem slechts even zien. U kunt immers meegaan,
ik zal geen woord spreken!”
Doch den cipier heeft deze dagelijks terugkeerende scène reeds te lang
geduurd.
„Portier, laat mijnheer uit!” luidt het norsche antwoord. Deze opent de
deur en Roda staat weer op straat.
De avond begint reeds te vallen. Reeds fonkelt in het Westen de
avondster aan den zachtblauwen winterhemel. De zon zinkt weg achter de
daken van de gevangenis; maar nog vergulden haar laatste, wegstervende
stralen de nok van de tegenoverliggende huizen, en zetten de
dakvensters in vuur.
Met weemoed in het hart, ziet Roda de zon verdwijnen; met haar
verdwijnt ook de zon van zijn hoop, van zijn leven. En niet voor één
nacht, om morgen—zooals de avondster, het beeld der hoop, met haar
liefelijk geflonker schijnt te beloven—even schoon en stralend te
herrijzen; neen, zijn zon was, zoo hij meende, voor altijd ondergegaan
in een akelige cel, achter de kille, koude muren van een gevangenis.
De diep bedroefde man zal naar huis gaan; doch nu ontbreekt hem niet
alleen de moed, maar ook de kracht, om een trooster te wezen voor de
zijnen.
Nu is zijn tred niet meer vast, zijn houding niet meer fier. Het
verlies van zijn vermogen had den flinken man slechts kunnen buigen, de
misdaad van zijn zoon heeft hem gebroken.
Onder het gaan, overdenkt hij, hoe er niemand is, die deelneemt in zijn
lot, wien hij zijn nood kan klagen.
Daar schiet hem plotseling het woord van Omens te binnen: „En ik dan?”
Zijn besluit is genomen. Onverwijld begeeft hij zich naar de woning van
den advocaat. Gelukkig treft hij hem thuis.
In onsamenhangende woorden deelt hij hem de noodlottige gebeurtenis
mede, zoodat Omens, meer door vragen dan door de mededeeling van zijn
vriend, tot een juist begrip van het gebeurde kwam. Ook hij was hevig
ontsteld.
„En je vrouw en je dochter?”
„Weten nog niets,” zegt Roda zuchtend.
„Ik begrijp je, ik zal gaan, maar wanneer een man als jij den moed laat
zinken is alles verloren.—Blijf zoolang hier.”
Den smeekenden blik van Roda opvangende ging hij voort:
„Wees gerust; ik krijg, helaas! zoo langzamerhand een zekere
vaardigheid in het behoedzaam overbrengen van ongelukstijdingen.” En na
een oogenblik nadenkens voegde hij er bij:
„God geve, dat ik je nog eens een blijde boodschap mag brengen!”
Roda begreep zijne bedoeling:
„Och Omens, of het je ook al gelukt hem vrij te doen spreken; de
schande neem je niet van mijn hoofd en nog minder van het zijne.
Tweemaal binnen één maand zijn we de fabel van de stad!” En in snikken
uitbarstend:
„God! mijn kind een moordenaar! Wie had dat ooit kunnen denken!”
Omens liet wijselijk den ongelukkigen man met zijne smart alleen en
kweet zich zoo goed mogelijk van de ondankbare taak, die hij met alle
omzichtigheid ten einde bracht.
Al viel de slag niet plotseling, het verdriet werd er niet door
verminderd.
Nadat Roda dien avond door Omens thuis was gebracht, spraken geen van
drieën één woord meer; zwijgend zaten zij tegenover elkander en
staarden met bleeke wangen en sombere blikken voor zich uit. Schijnbaar
waren ze in gedachten verdiept, in werkelijkheid echter bedwongen ze
slechts met moeite de uitbarsting van hun smart.
Eerst nadat zij de kamer verlaten hadden, om zich ter ruste te leggen,
kon ieder voor zich aan zijn overkropt gemoed lucht geven.
’t Duurde lang eer Willem in zijn cel tot bezinning kwam. Alsof hij uit
een droom ontwaakte, keek hij zijne gevangenis rond, en begreep niet
eens, hoe hij er in gekomen was. Het ging hem als iemand, die
bewusteloos uit het water gehaald is, en in een vreemd huis bij kennis
komt.
Maar langzamerhand doemde de herinnering aan de gebeurtenissen van dien
dag weder in hem op. De beelden warrelden eerst door elkander als de
sneeuwvlokken bij een wervelwind, eindelijk kwam er orde in den chaos.
Achtereenvolgens kwamen ze op, verflauwden en verdwenen als de
lichtbeelden van een tooverlantaarn; eerst de school, daarop zijne
luchtkasteelen, het omverloopen van Van Dal, de vechtpartij en
eindelijk het wegdragen van den stervenden jongen. Kijk, ’t is of dat
akelige gezicht daar op den muur geschilderd is; het verdwijnt niet
zooals de andere beelden. Een rilling vaart Willem door de leden; hij
kan zijn blik er niet van afwenden; met geweld keert hij zich om; ook
op dien muur staat het. Zijn slapen bonzen, of er in zijn hoofd
gehamerd wordt. Hij sluit zijn oogen; tevergeefs! Het spooksel wijkt
niet. Het verdraait de oogen en schijnt te spreken. Daar hoort hij weer
den sarrenden toon en de tergende woorden van den „schooier”:
„Is ’t waar, dat je vader zich doodgeschoten heeft?” En zonderling, het
grijnzend spook is verdwenen.
Nu beseft hij ook opeens, waar hij is, en waarom hij hier is. Schuw
kijkt hij om zich.
Zijn cel is een meter of vier lang en ruim half zoo breed. Tot op
eenigen afstand van den asphalten vloer zijn de wanden zwart geteerd,
overigens wit gepleisterd en bedekt met tallooze namen, woorden en
teekeningen; de meeste letters en de figuren zijn met de nagels of een
scherp voorwerp ingekrast, sommige met potlood gekrabbeld, en enkele
met bloed geschreven.
In een der smalle wanden is, niet ver van de deur, een tralievenster
aangebracht, dat de cel slechts spaarzaam verlicht. De eenige meubelen
zijn een houten stoel en een tafeltje onder de gaspit en bovendien
tegen den anderen wand drie boven elkander geplaatste planken. Op de
middelste een bijbel en eenige andere boeken; op de onderste kammen en
verdere benoodigdheden. Onder den stoel ligt een mat, en op de tafel
staat een met water gevulde aarden kruik en een tinnen beker.
Gretig drinkt Willem beker op beker ledig. De nieuwsgierigheid en ’t
vreemde van een gevangenis verbannen voor een oogenblik zijn vrees,
maar de nieuwsgierigheid is spoedig bevredigd en de angst keert terug;
ook het woelen en bonsen in zijn hoofd begint opnieuw. Opgewonden loopt
hij nu heen en weer, als een tijger in zijn kooi; honderd malen heeft
hij de lengte van zijn cel met haastige schreden gemeten. Allerlei
gedachten bestormen hem. Zouden ze het thuis al weten? Zou hij hier
lang moeten blijven? Bij elk geluid dat door de dikke muren dringt,
staat hij stil. Nu eens is het boven hem een voetstap, dan weer in de
gang het dichtslaan van eene deur of gerammel van sleutels.
’t Begint te schemeren, en de uiterste hoeken van de cel zijn reeds
onzichtbaar; het kleine stukje hemel, dat hij door de tralies kan
waarnemen, verwisselt zijn blauw met grijs.
Als ze hem nu eens vergaten?
De naderende duisternis vermeerdert zijn angst; ’t is of de wanden naar
elkander toe komen, om hem te verpletteren.
„Ik wil er uit, laat me er uit!” gilt hij en schopt en trapt, bonst en
beukt met hakken en vuisten tegen de eikenhouten deur, tot de hielen
hem pijn doen en de vuisten bloeden; doch de deur wijkt niet, alles
blijft stil als het graf. Afgemat door de vruchtelooze poging, gaat
Willem op den stoel zitten en kijkt nog eens rond.
Als hij dat venster maar open kon krijgen! Maar hoe er bij te komen?
Wacht, als dat tafeltje er onder staat, zal het gelukken. Snel als de
gedachte springt hij op, en grijpt het tafeltje bij den rand. IJdele
poging, het is aan den grond vastgeklonken. De stoel dan: ook die is
onwrikbaar bevestigd.
De tegenstand maakt zijn verlangen des te vuriger; of er zijn leven van
afhangt, haakt hij er naar; het venster moet open.
Al zijn denken trekt zich op dit eene punt samen en dit maakt hem
vindingrijk.
Eén voet op het scharnier van de deur, de andere op de verwarmingsbuis,
dat gaat; het is wel wat hoog; nog maar wat uitgerekt..... een ruk, het
venster vliegt open—en Willem valt achterover op den vloer.
Tegelijk met een kouden wind, dringt een verward gedruisch door de
tralies, niet ongelijk aan het ruischen der golven, als ze breken tegen
het strand. Het is rumoer van de straat, doch verzwakt door den afstand
en de hoogte. De gillende stemmen der venters, het schellen der trams,
het geratel der wielen, alles is saamgesmolten tot één golvenden toon,
die nu eens zachter dan weer luider klinkt, naarmate het grootste
geraas, dat den grondtoon vormt, dichtbij of veraf is. Daar buiten is
het leven, hier in de cel is de dood. Het wordt Willem te moede of hij
in eene doodkist met eene opening ligt, en het leven der wereld hoort
uit een graf. Hij heeft zich bij zijn val zoo geducht bezeerd, dat hij
van eene tweede poging, om op dezelfde wijze de tralies te bereiken
afziet. De vertwijfeling nabij valt hij op den vloer neer.
„Toreador en ga-a-a-ar-de. Toreador, Toreador.....” klinkt het
eensklaps, wel wat zwak, doch duidelijk hoorbaar.
Een orgeldraaier heeft vlak voor den muur van de gevangenis post gevat.
Hij heeft ook een proefje van het leven daarbinnen gehad en weet
hoezeer zijn anders zoo geminacht instrument door de gevangenen wordt
op prijs gesteld.
Elken namiddag als zijn eentonige dagtaak is volbracht, en hij zijn
koperen ontvangst heeft nageteld, denkt hij aan zijn vroegere
lotgenooten in de ellende.
En al hebben de menschen hem met verkleumde vingers tevergeefs laten
draaien, en de meiden hem afgesnauwd, omdat zij voor dat bedelvolk
telkens naar de schel moesten loopen, voor de gevangenis speelt hij
zijn geheel repertorium nog eens om Godswil; en, indien hij slechts
eenig teeken van bijval bemerkt, drie-, viermaal over. Daar hij langen
tijd hetzelfde publiek houdt, verwisselt hij dikwijls tegen den avond
zijn gewoon instrument voor dat van een collega, om eens wat
afwisseling in het programma te brengen.
Op dien avond gebeurde het, dat een dame, die toevallig
voorbijwandelde, staan bleef en nieuwsgierig vroeg:
„Orgeldraaier, voor wie speel je daar?”
„Voor de gevangenen, mevrouw! Kijk ze eens de neuzen door de tralies
steken, om beter te hooren. Allen zijn present, op één na; die is zeker
ontslagen of anders bepaald ziek; ik wou dat ik wat dichter bij kon
komen.”
„Hier man, heb je een gulden voor je moeite!”
„Vraag wel excuus, mevrouw, als ik morgen bij u kom, zal ik voor u
spelen. Ik neem nu al vast uw geld dankbaar aan, zeg me uw adres maar.
Hier speel ik voor mijn plezier.”
„Zeg, kameraad, steek eens op!” fluistert de schildwacht, die het
gesprek heeft gehoord, en kijkt behoedzaam rond, want hij mag op wacht
niet spreken; „’t mot een fijne wezen, ik heb hem van den sergeant en
die heeft hem van den oppasser van den kapitein; ik heb net zoo lief
een flinke pruim.”
„Nou, in Gods naam dan, voor van avond bij een slokkie thee. Kijk, daar
heb je no. 41 ook. Dat hokkie ken ik: daar heb ik ook een half jaar
gebromd. Voor dien moet ik het nog eens overdoen.”
Inderdaad was het Willem gelukt weer bij de tralies te komen. Niet voor
niets had hij gymnastiek geleerd. Met een aanloop, zoo groot als de
lengte van de cel het toeliet, en een hoogsprong zooals hij er nog
nooit een over het lijntje had gemaakt, bereikte hij de tralies; klemde
zich met beide handen vast en bleef hangen. Met de knieën werkte hij
zich zooveel mogelijk op, om zijn zwaarte te verminderen.
De schorre tonen van het draaiorgel klonken hem als hemelsche muziek in
de ooren. Op het lied uit Carmen volgde „Die schöne blaue Donau”, nog
eene polka van Strauss en lest best, het lied „An den Abendstern” van
Wagner.
De goedhartige liereman vertrok en nam den hartedank mede van velen,
wier eenige troost en opwekking hij was.
Ofschoon zijn armen hevig pijn deden, bleef Willem nog hangen. De
binnenplaats was van de tralies uit niet in haar geheel te overzien,
daartoe was de muur te dik en het venster te hoog boven den grond; maar
in de verte zag hij, tusschen de omringende huizen door, in eene drukke
straat. De winkels waren helder verlicht en eene haastige menigte
krioelde er als mieren door elkander.
Een oogenblik dacht hij aan ontvluchten, maar ook één oogenblik
slechts. De hoogte, de breede muren zonder houvast en de stevige
arm-dikke tralies waren even zoovele onoverkomelijke hinderpalen. Uit
zoo’n gevangenis kon geen kat ontsnappen.
Zijn handen begonnen te verstijven van de koude en het krampachtig
vasthouden der tralies; hoewel tegen zijn wil, moest hij loslaten. De
sprong achteruit gelukte zonder veel pijn. Tot zijne verbazing was de
cel helder verlicht door een groote gasvlam boven het tafeltje.
Verschrikt kneep hij de oogen dicht, die zoo lang in de duisternis
hadden getuurd. Bijna op hetzelfde oogenblik werden de grendels
weggeschoven, knarste het slot en kwam een kreupele bewaker binnen.
Deze zette, zonder te spreken, een tinnen bord met gesneden roggebrood
en eene kan—van hetzelfde metaal—met melk op het tafeltje. Een pakje,
dat hij onder den arm had gedragen, legde hij in een hoek op den grond
en sloot het venster met een haak.
Het was een kleine man met een ruw, bijna woest uiterlijk. Zijn lange,
vuile haren hingen verwilderd om zijn hals en op zijn voorhoofd. Zijn
kleine, grijze oogen, sluw en wreed als van een vos, keken Willem
doordringend aan; zijn bovenlip was gespleten en lieten twee
vervaarlijk groote, zwarte tanden zien.
Blijkbaar maakte Willems nette kleeding hem nieuwsgierig; hij bekeek
hem van het hoofd tot de voeten, en nam eene houding aan, alsof hij een
vraag verwachtte; toen die niet kwam, vroeg hij met piepende stem, die
zonderling bij zijn roofdierkop afstak:
„Al meer in de cel geweest?”
Willem schudde nauw merkbaar het hoofd, en gevoelde zich lang niet op
zijn gemak.
„Niet? De hangmat vasthaken, stroo en dekens er op leggen, op die plank
alles wat er noodig is.”
Hij scheen meer mededeelzaamheid bij de gevangenen gewoon te zijn; ten
minste hij wachtte nog en bleef Willem met zijn gluipende oogen
aanzien; deze echter sloeg de zijne neer en bewaarde een hardnekkig
stilzwijgen.
„Bent er vroeg bij, maatje, zeker gestolen op een kantoor.”
„Dat lieg je!” schreeuwde Willem driftig opspringend; maar hij bedwong
zich en herinnerde zich de oorzaak van zijn gevangenschap. Misschien
ook wist die man iets van „den schooier”. Zich tot vriendelijkheid
dwingende, vroeg hij zonder den man aan te zien:
„Kunt u mij ook iets vertellen van dien jongen, dien ik.... dien ik zoo
bezeerd heb; weet u ook soms, of het gevaarlijk is, of hij soms....”
„Zoo, hm, niet gestolen, dacht het wel, veel te mooi gekleed,
rijkelui’s kind, vechtpartij, vrijkomen, morgen uit de cel, pistole,
duitje afhalen,” piepte de bewaker voor zich ziende en hardop denkende.
„Zegt u wat, mijnheer?” vroeg Willem, die met angst op een antwoord
wachtte.
„Neen, weet niets, mag niets zeggen, morgen misschien voor den rechter
van instructie.”
„Wie? Wat bedoel je, spreek duidelijker!”
„Neen, weet niets, mag niets zeggen, anders weggejaagd, arm,—vrouw en
kinderen hongerlijden,—morgen alles krijgen voor geld;”—hij kwam
dichter bij Willem, die onwillekeurig terugdeinsde, en siste hem toe,
met een grijns van verstandhouding:
„Zal stil nog eene deken brengen,—niemand zeggen, boter op het brood
morgen.”
Willem kon zijn afkeer van den hatelijken man nauwelijks verbergen en
vroeg niet verder, zoodat de bewaker met een „goeden nacht,—tien uur
licht uit”—heenging.
Veel wijzer was Willem niet geworden; alleen had hij begrepen, dat hij
den volgenden dag voor den rechter zou verschijnen.
Hoewel hij sinds dien morgen negen uur niets gegeten had, gevoelde hij
toch geen behoefte aan voedsel; hij liet dan ook het brood staan en
dronk alleen de melk.
Het begon geducht koud te worden; door het venster kon hij een paar
sterren waarnemen, die als diamanten fonkelden aan den donkerblauwen
hemel; het scheen buiten sterk te vriezen.
Nadat Willem zich na veel moeite in de slingerende hangmat gewerkt had,
viel zijn oog op het pakje in den hoek, dat, zooals hij meende, de
cipier had vergeten. Door nieuwsgierigheid gedreven, raapte hij het op.
Er viel een soort van zwartlakensch masker uit.
Het rolletje bevatte verder eene grauwe broek van zeer grove stof en
een dito buis met ijzeren knoopen; beide droegen het nummer van zijne
cel.
Met eene snelle beweging, als had hij zijn vingers gebrand, wierp hij,
vol schrik en afschuw, het boevenpak verre van zich.
Hij rilde van koude en ontroering; met huivering dacht hij aan het
oogenblik, dat het licht als bij tooverslag zou worden gedoofd.
Met weerzin stapte hij weder in de lage hangmat, wikkelde zich in een
deken, en vouwde de andere tot een hoofdkussen samen; hij keerde zijn
gelaat naar den muur, en sloot de oogen, ofschoon met de overtuiging,
een slapeloozen nacht door te zullen brengen. Doch de deken gaf zooveel
warmte, hij was zoo afgemat door de aandoeningen van den dag en tevens
zoo gezond van gestel, dat hij, reeds lang voor de lichten werden
gedoofd, sliep als een roos en droomde van geluk en van rijkdom, van
zijn ouders die hem hun herkregen welstand dankten, van gevaarlijke
avonturen in de wildernis, kortom van alles, behalve van de gevangenis
en van het slachtoffer van zijn drift.
Tegen den morgen was hij gelukkig uit een plantage ontvlucht, waar een
wreede slavenhaler hem aan den planter had verkocht, en spoedde hij
zich met gewonde handen en voeten door een ongerept woud, toen een
bloedhond met een kop, die bijzonder veel op dien van zijn bewaker
geleek, hem achtervolgde. Juist had het dier hem gegrepen en
omvergeworpen en blies het hem den naar jenever stinkenden adem in het
gelaat; hij voelde duidelijk, hoe het ondier hem de tanden in het oor
zette, toen hij met schrik ontwaakte en opsprong. Hij wreef zich in de
oogen, verbaasd bij klaarlichten dag witte muren te zien, in plaats van
de groene boomen van een donker woud.
Eene piepende stem zeide hem met een grijnslach: „Goeie morgen.”
Gelukkig voor Willem, wist hij niet, dat die man—die zich ondanks zijn
terugstootend gezicht, zooveel moeite gaf vriendelijk te zijn—de
liefelijke gewoonte had aangenomen, de jongens, die ook in de cel vast
sliepen, te wekken door hen in de ooren te bijten; en zich dan
verlustigde in den benauwden trek op het gelaat van den slapende en
zijn schrik bij het ontwaken.
Willem wiesch zich snel hoofd en handen met het water uit de kruik.
Toen hij geheel verfrischt was en geregeld denken kon, was zijn eerste
vraag aan zijn bewaker, of hij van dien jongen, Walling heette hij,
gehoord had.
„Weet niets, mag niets zeggen, pakkie aantrekken, celkap opzetten,”
zeide hij op de broek en het buis wijzende, die in verschillende hoeken
van de cel lagen.
„Dat doe ik niet!” zei Willem, maar de man lachte zoo afschuwelijk, dat
het hem door merg en been ging. Hij trok de kleedingstukken over zijn
pak aan, en zette de kap op.
„Zie zoo, niemand meer kennen—eerst luchten—dan soep eten,”—zei de
manke bewaker, die een vriend van elliptische zinnen bleek, terwijl hij
met een tevreden grijns Willem monsterde.
„Met niemand praten—anders weer in de cel—van middag instructie.”
Een half uur later leerde Willem begrijpen, wat in de gevangenistaal
met luchten wordt bedoeld; namelijk de dagelijksche wandeling der
gevangenen op de binnenplaats.
Zooals Willem kon opmerken, werd het verbod van te spreken niet streng
gehandhaafd, de bewakers lieten het oogluikend toe.
O, hoe dankte hij zijn bewaker, dat hij hem gedwongen had, de kap op te
zetten en het boevenpak aan te trekken.
Velen, die reeds veroordeeld waren, liepen ongemaskerd en keken hem met
hun onbeschaamde galgentronies brutaal aan, nieuwsgierig wie die
nieuweling mocht zijn; als ze gedurfd hadden, zouden ze hem gaarne de
kap van het hoofd getrokken hebben.
Een jongen van Willems jaren beet hem in het voorbijgaan toe:
„Heb je tabak bij je? Heb je pitten verstopt? Eerlijk deelen, hoor, of
we verklappen je.”
Willem gaf natuurlijk geen antwoord en stoorde zich weinig aan de
welgemeende verwenschingen, die hem in de uitgezochtste termen naar het
hoofd werden geworpen.
Toen de „luchttijd” om was, werden de gevangenen in groepjes van vijf
tot zes verdeeld om soep te eten.
Willem bedankte en werd naar de cel teruggeleid.
Een poos later gelastte een agent Willem te volgen; de gele celwagen
stond voor de deur van het gebouw en bracht beiden naar een andere
gevangenis.
Lang moest hij naast den agent in de wachtkamer zitten, eer hij werd
binnengelaten. ’t Wemelde in die kamer van deurwaarders, agenten en
verdachten, die evenals hij gemaskerd waren. Voor niets ter wereld zou
hij zijn kap hebben willen missen.
Eindelijk werd zijn naam afgeroepen, en ging hij het vertrek van den
rechter binnen.
Achter een schrijftafel, half verborgen door een menigte akten, door
roodzijden lintjes tot stapels gebonden, zat een oud, eerwaardig
uitziend heer te schrijven. Zijn goedig, innemend gelaat boezemde
Willem vertrouwen in, ondanks den indruk, dien de ernstige toga, bef en
baret op hem maakten.
In een hoek van het vertrek zat een ander heer, de griffier, achter een
afzonderlijke tafel te schrijven. Duidelijk hoorbaar krasten de twee
pennen over het papier. Geen der beide heeren scheen zijn binnenkomen
te hebben opgemerkt.
De agent geleidde Willem tot voor de tafel van den rechter-commissaris
en gelaste hem de kap af te leggen.
De rechter keek op, en hoe verschrikte Willem, toen de goedaardige
trekken van den grijsaard, die hem zooeven gerust gesteld hadden,
plotseling hard en norsch werden. De oude man keek hem aan met een paar
oogen, die hem sidderend de zijne deden neerslaan.
„Je naam!” snauwde hij hem toe, met minachtend opgetrokken bovenlip. De
tranen schoten Willem in de oogen en de krop in de keel belette hem te
spreken.
„Je naam, zeg ik je!” schreeuwde de rechter; zijne oogen schoten vuur,
en met de vuist sloeg hij op de tafel, dat de papieren er afstoven.
„Huil niet! Een jongen, die een ander durft doodschoppen, is zoo
teergevoelig niet!”
„O, God, mijnheer, is hij dood?” snikte Willem.
Het gelaat van den rechter scheen iets van zijn norschheid te
verliezen.
„Zeg me de waarheid op al mijne vragen; tot in de minste
bijzonderheden, wil ik weten, wat er gebeurd is. Wee je gebeente, zoo
je me zoekt te misleiden; ik weet alles reeds van stukje tot beetje,
maar uit jouw mond moet ik het nog eens hooren; begrepen?”
Willem droogde zijne tranen.
„Mijnheer, is hij werkelijk dood?” vraagde hij nog eens, door den
zachteren toon van den rechter aangemoedigd.
„Ik vraag: niet jij!” was het barsche bescheid. „Geef antwoord!”
Nu volgde een reeks van vragen tot in het oneindige, schijnbaar zonder
eenig verband. Van vele begreep Willem de strekking geenszins, noch
vatte hij, wat ze met de zaak te maken hadden, doch op alle vragen
antwoordde hij naar zijn beste weten.
De officier van justitie kwam binnen en zette zich naast den rechter
van instructie neer.
Die heer kende Willem zeer goed; hij had zelfs tamelijk drukke
vriendschap met zijn ouders gehouden en Willem had menig gezellig
avondje bij de kinderen van den officier doorgebracht. Doch met blik
noch woord liet de man thans bemerken, dat hij Willem ooit te voren had
gezien, en keek onafgebroken naar de zoldering.
Slechts nu en dan fluisterde hij den rechter iets in, of verzocht hem
luid den beschuldigde deze of gene vraag voor te leggen.
Eindelijk, nadat de zaak haarfijn uitgeplozen was, kon Willem gaan.
„Roda,” riep de rechter, toen hij bijna bij de deur was. „Roda zou je
gaarne willen weten, of je voormalige schoolmakker dood is?”
De angstige spanning, die op Willems gelaat te lezen stond, was den
rechter het duidelijkste antwoord.
„Hij leeft nog,” zei hij, met de pen in den mond, en den neus in de
papieren, „maar is nog steeds bewusteloos en volstrekt niet buiten
gevaar.”
Het gelaat van den rechter had weer dezelfde vriendelijke en
goedhartige uitdrukking aangenomen als vóór de instructie; toen hij
over zijn bril heen, onder de witte wenkbrauwen door, Willems ontsteld
gezicht beschouwde, voegde hij er op zachten, bijna medelijdenden toon
bij:
„Ik hoop voor jou, zoowel als voor hem, dat hij in het leven blijft; de
les zal je tot leering strekken en de gevangenis reeds straf genoeg
voor je zijn. En straf heb je verdiend; menschen, die in hun drift
anderen het leven kunnen benemen, zijn gevaarlijk voor de maatschappij
en moeten tijdelijk daaruit verwijderd worden. Ga heen,” en tot den
agent, die met de hand aan den helm stond te wachten: „Kamer No. 8.
Pistole.”