homosexualiteit, zijn de droomen die de uranist heeft. Näcke is de
eerste geweest, die gewezen heeft op "die psychologische Bedeutung
der Träume", en zegt dan ook, dat de droom een caracteristicum is,
waaruit men de psyche van het individu kan diagnosticeeren.[73] Het
zou mij te ver voeren om hier ook over de zoogenaamde contrastdroomen
te spreken en ik wil deze dan ook buiten bespreking laten. Zoo is
het een zekerheid, dat een heterosexueel in zijn verliefde droomen
nooit anders dan heterosexueele beelden ziet, een homosexueel nooit
anders dan homosexueele; een bisexueel zal daarentegen nu eens
heterosexueele, dan weer homosexueele, beelden voor zich zien. Gesteld
iemand zou uranist kunnen worden, iemand zou zijn homosexualiteit
kunnen verkrijgen, dan zou het uit zijn droomen blijken, dat hij
niet de echte uranisten-natuur heeft en zouden zijn droomen niet
voortdurend homosexueel, maar of afwisselend homo- en heterosexueel
zijn, of alleen heterosexueel, al naar dat dan zijn ware natuur
is. Welken uranist men nu naar zijn verliefde droomen vraagt,
men zal altijd ten antwoord krijgen, dat zijn droomen--een enkele
contrastdroom, als zeldzaamheid en in zeldzame gevallen er buiten
gelaten--altijd homosexueel zijn.
Werpen wij een blik terug op de verschillende theorieën, die er over
het uranisme bestaan. De opvatting onzedelijkheid, depravatie, ontucht
die uranisme ten gevolge kunnen hebben is niet houdbaar en is ook door
een ieder, die een ernstige studie van het onderwerp heeft gemaakt
of nog maakt, verlaten. Ook de opvatting, dat het uranisme een uiting
is van een ziekelijke stoornis der geestvermogens, is bewezen onwaar
te zijn en hij die het eerst den naam "psychopathia sexualis" heeft
uitgesproken, is dan ook bereid geweest, zijn foutieve opvatting
te bekennen. Door geen enkelen competenten onderzoeker wordt meer
instemming met een dergelijke opvatting geuit. Integendeel, allen die
een genoegzaam aantal gevallen van uranisme hebben onderzocht, zijn
van het tegendeel van een psychopathie overtuigd.
Dit--zoowel als de kwestie der degeneratie--is van het hoogste belang
voor de maatschappelijke zijde van het vraagstuk. Gesteld het uranisme
zou een psychopathie zijn, gesteld het zou een degeneratie, een gevolg
van degeneratie, een teeken van degeneratie zijn, dan zou hierin
geen reden mogen gevonden worden om den uranist met verachting te
behandelen of hem uit de samenleving te stooten. Is het uranisme
een gevolg van stoornis der geestvermogens, dan is er zeker geen
reden om hem met verachting, maar eer reden om hem met medelijden te
behandelen. Immers dan staat hij gelijk met iederen ongelukkige, die
een afwijking op geestelijk gebied vertoont. Zijn psychopathie toch is
niet van zijn wil afhankelijk, zij is niet aan hem zelf, aan zijn wil
toe te schrijven, hij heeft die integendeel zonder en tegen zijn wil
gekregen.
Hetzelfde kan van de degeneratie worden gezegd. Ook die is niet van
zijn wil afhankelijk, ook die heeft hij zonder en tegen zijn wil mee
ter wereld gebracht. Doch op dat punt is nog iets anders op te merken,
wat van het hoogste belang is. Gesteld het uranisme ware inderdaad
een degeneratie--en mijnentwege noeme men het zoo, het is alleen
een kwestie van woorden--dan nog zou dit, wat de maatschappelijke
zijde van het vraagstuk betreft, niets zeggen. Niet alleen, dat
"degeneratie" zonder meer, niets zegt, maar die "degeneratie" kan
en mag nooit de maatstaf zijn, waarnaar men iemand beoordeelt. Het
is alleen, en mag alleen de vraag zijn, hoe die degeneratie, hoe dit
"aus der Art schlagen" zich uit! Men is zoo langzamerhand aan het
woord "degeneratie" de beteekenis van individueele minderwaardigheid
gaan hechten, die ten eenemale verkeerd is. Iemand die gedegenereerd
is, "aus der Art schlägt", doordat hij volmaakter, beter is dan het
meerendeel, een genie, een buitengewoon iemand, kan en mag men toch
niet een minderwaardig individu noemen, omdat hij gedegenereerd
is. Een zoogenaamd gedegenereerd iemand toch kan veel beter, veel
meer waard zijn dan zijn niet-gedegenereerde evenmensch. Aan de
"degeneratie" hebben wij den vooruitgang van de samenleving te
danken, het is de schuld en het werk van "gedegenereerden", dat
de wereld zoover gekomen is als geschied is. "Der normale Mensch
ist langweilig" heeft Möbius gezegd en het zou er heel vreemd en
vervelend in onze wereld uitzien, wanneer er geen dégénérés waren
geweest en nog waren, geen genieën, geen geleerden, geen kunstenaars.
Niettegenstaande of misschien, en waarschijnlijk zelfs, omdat zij
gedegenereerd waren, hebben zoovele groote mannen de wereld vooruit
gebracht. In het al- of niet-gedegenereerd zijn zonder meer, mag men
geen reden tot waardeschatting van het individu vinden!
Zooals iedereen moet men ook den uranist naar zijn karakter,
naar zijn eigenschappen beoordeelen en niet uitsluitend naar zijn
geslachtsrichting. Amore, more, ore, re, nascuntur amicitiae!
De neiging, waardoor hij van heterosexueelen verschilt, namelijk
niet voort te planten (in sommige gevallen planten uranisten wèl
voort. In alle geval kunnen zij even goed als heterosexueelen
voortplanten.) en dit, om zoo te zeggen, willekeurig nalaten, heeft
hij met zoovele heterosexueelen, b.v. vrijwillig celibatairen, gemeen.
Dit niet-voortplanten nu is, wat den heterosexueel betreft, nooit
een reden voor minachting van de zijde zijner medemenschen. De vraag
moet en mag alleen zijn welke moreele, welke sociale eigenschappen
een individu vertoont en of die eigenschappen, in den ruimsten zin
genomen, beter, hooger, gelijk of minder dan de eigenschappen van het
meerendeel zijn. Een ander motief is er niet.
Beschouwen wij den uranist zelf nader. Evenmin als men er begrip van
heeft of vermoeden kan, dat het aantal uranisten--en het is uit de
enquêtes van Hirschfeld bij de studenten aan de technische Hochschule
te Berlijn en onder de Berlijnsche metaalarbeiders,[74] alsmede
uit de enquête van v. Römer hier te lande[75] bewezen--plus minus
2.3% van het menschenaantal bedraagt, evenmin heeft men een goede
voorstelling van den uranist, zooals hij zich in de maatschappij
gedraagt, zooals hij in de maatschappij verkeert. Psychisch normaal,
of liever volstrekt niet abnormaler dan de heterosexueelen in de
samenleving, doet hij even goed als hij zijn werk, denkt hij even
als hij, en voelt hij--op geslachtelijk gebied uitgezonderd--als
de heterosexueel. Gaat men hun leven na, dan hoort men dat zij
meestal te midden van geslachtelijk normale broeders en zusters zijn
geboren en opgevoed, dat zij van hun jeugd reeds--sommige vroeger,
andere later--neigingen hebben vertoond, verschillend van die van
hun broeders, wanneer het jongens zijn, van hun zusters, wanneer
het meisjes zijn. Als jongens voelden zij zich meer aangetrokken
tot meisjes-bezigheden, tot meisjesvermaken; als meisjes waren zij
de trouwe makkers van hun broeders in hun wilde spelen of in hun
mannelijke liefhebberijen. Later, soms pas in de puberteit, is het hen
meestal tot hun bewustzijn gekomen, dat zij inderdaad anders voelen
dan het meerendeel van hun mannelijke vrienden. Merkwaardig is, dat
de moeder dikwijls onbewust op de hoogte van zijn aanleg was, en het
is niet zeldzaam te hooren, dat wanneer er grappenderwijs over vrijage
of trouwen werd gesproken, de moeder de eenige en eerste was, om
op te merken, dikwijls zonder dat zij precies wist waarom, dat haar
zoon voor een huwelijk niet geschikt is. Behalve in hun ontwakende
geslachtsneiging, verschillen zij in niets van de kameraden van hun
leeftijd en alleen is soms hun neiging, zonder dat zij het zelf weten,
van invloed op de keuze van het vak waarin zij zich begeven. Vele
uranisten toch voelen zich aangetrokken tot het vak van dames-modes,
kapper enz., ofschoon volstrekt niet alle mannen, die zich in die
takken van bedrijf begeven, uranisten zijn. Andere kiezen een beroep
als van hun heterosexueele kameraden en niemand zou vermoeden, dat er
in ieder beroep, in ieder ambt, in iedere bediening uranisten worden
gevonden, uranisten, die in hun werk, hun denken en in wat zij ten
uitvoer brengen, volstrekt niet bij hun heterosexueele ambtgenooten
achterstaan. Men ontmoet ze dan ook in alle rangen en standen van
de maatschappij en, wanneer ik alleen naga de uranisten die ik ken
of die om hulp en raad bij mij zijn gekomen, dan zie ik daaronder
geneesheeren, geestelijken, handelsmannen, studenten, arbeiders,
rechters en advocaten, in één woord even zoovelen als er ambachten en
beroepen, als er standen in de maatschappij zijn.
Wat een eigenaardigheid is, die men bij het meerendeel der uranisten
terugvindt, is deze, dat zij bijna allen een tijdlang in hun leven met
de gedachte aan suicide hebben rondgeloopen en dat zij langen tijd de
diepste verachting en afkeer van zich zelf hebben gehad. Vóór den tijd
namelijk, dat zij op de hoogte van hun toestand waren, in de periode
toen hun geslachtsgevoel begon te ontwaken, bemerkten zij, dat zij
niet waren als hun kameraden, dat zij zich niet tot meisjes en vrouwen
voelden aangetrokken, maar bemerkten zij tot hun verbazing en hun
schrik dat hun neigingen alleen op jongens en mannen gericht waren.
De schok dien zij daardoor ontvingen, bracht hen meestal tot wanhoop
en vertwijfeling en--afgaande op wat zij altijd omtrent deze neigingen
en omtrent personen met deze neigingen hebben vernomen--hielden zij
zich voor de meest abjecte wezens, die zij zich konden voorstellen.
Zóó zelfs is hun wanhoop en de diepe verachting die zij voor hun eigen
persoon koesterden--vooral wanneer zij bemerkten, dat hun neigingen
niet veranderden, welke moeite zij zich ook gaven, hoevele malen zij
ook beproefden met vrouwen geslachtelijk te verkeeren in de hoop, dat
hun neigingen zouden veranderen, hoezeer zij zich ook, wanneer zij
godsdienstig waren, in het gebed verdiepten--dat er voor hen nog één
uitweg open leek, namelijk een eind aan hun leven te maken. Inderdaad
zijn er van die geheimzinnige zelfmoorden op jeugdigen leeftijd, die
aan het uranisme van den persoon moeten toegeschreven worden, evenals
zoovele geheimzinnige zelfmoorden op later leeftijd, als indirect
gevolg aan het uranisme van den persoon, aan zijn angst dat men zijn
afwijking zal ontdekken, moeten worden geweten.
Heeft de jonge uranist het geluk in handen te vallen van een ouderen
heterosexueel, die hem van zijn neigingen op de hoogte brengt, dan
is hij gered. Hij legt zich neer bij de ellende van zijn toestand en
zoekt zooveel mogelijk nog iets van zijn leven te maken. Een lange
ellende echter blijft zijn leven toch voor hem. In een voortdurenden
angst, dat men zal ontdekken wat en wie hij eigenlijk is, verstoken
van het huiselijk geluk, gedoemd om alleen en altijd alleen, zonder
liefde, zonder genegenheid rondom zich als die welke hij weet, dat
door iedereen veroordeeld wordt, te leven, sleept hij meestal een
bestaan door dat hem een last is en waarvan hij zoo spoedig mogelijk
hoopt verlost te worden. Heeft hij het geluk gehad, in handen te
vallen van een superieur man of van iemand, die zijn leven dragelijk
weet te maken door hem andere en nieuwe idealen te scheppen, hem
een ander doel voor oogen te houden dan een heterosexueel huisgezin,
dan kan hij door zoo iemand gered worden, op het goede pad gehouden
en kan door diens invloed, door diens omgang, zijn leven tot een
dragelijk en goed leven worden gemaakt. Altijd echter is zijn leven
onvolledig, altijd loopt hij rond met het gevoel, dat hij achter is
gesteld bij zoovele anderen, altijd toch is de angst in al zijn doen,
in heel zijn leven ingeweven, dat een of anderen dag zijn afwijking
bekend kan worden en dat hij dan als een outcast voor zijn verder
leven zal worden behandeld. Andere uranisten, verwoed en verbitterd
door de onbillijke veroordeeling en beoordeeling van den kant van
hun medemenschen, worden onverschillig, gooien zich in een leven van
débauche en ontucht en verwoesten uit bitterheid en ontmoediging hun
bestaan, dat misschien nuttig en goed had kunnen zijn. Andere weer
leggen zich bij hun lot neer en leven door, geslagen, vervelend en
verveeld, zonder illusie, zonder het uitzicht op iets moois, dat hen
het bestaan beter en om te leven waard kan maken.
Dat zoovele uranisten nerveuse klachten hebben, is daarom niet te
verwonderen. Steeds in angst dat men hun toestand zal leeren kennen
en dat zij uit den omgang der menschen met wie zij verkeeren, zullen
worden gestooten, altijd levend onder de bedreiging--wanneer zij wèl
iemand, een heterosexueel of een anderen homosexueel hebben gevonden,
met wien zij een verbintenis hebben aangeknoopt--dat zij door chantage
tot armoede zullen worden uitgezogen of in het publiek zullen worden
geschandvlekt, is het zeer goed te begrijpen, dat hun zenuwgestel op
den duur geschaad wordt. En ook de moeilijk vol te houden abstinentie,
voor hen die sensueel zijn aangelegd, helpt mee.
Gaat men, de geslachtsrichting daargelaten, na welke individuen
uranisten zijn, dan komt men tot de overtuiging, dat zij niets
meer--wat sommige uranisten graag willen doen gelooven--maar ook
niets minder dan heterosexueelen zijn. Men vindt onder hen dezelfde
variaties en dezelfde verschillen als onder heterosexueelen, en
evenals onder de laatsten, vindt men onder hen goeden en slechten,
braven en deugnieten, knappen en dommen, zedelijken en onzedelijken,
in één woord alle eigenschappen en eigenaardigheden, die men bij
heterosexueelen vindt, treft men bij uranisten aan.
Wat hun geslachtsleven betreft, daarvan kan men hetzelfde zeggen.
Evenals onder heterosexueelen, vindt men onder hen kuischen en
onkuischen, koelen en sensueelen, ingetogenen en losbollen. En evenals
onder heterosexueelen, vindt men ook onder hen personen met sexueele
perversiteiten behebt: masochisten, sadisten, exhibitionisten en
dergelijke meer. Eén eigenschap hebben zij im Allgemeinen voor boven
heterosexueelen, namelijk dat men onder hen veel meer spiritueele
liefdesverhoudingen vindt. Over het algemeen vindt men meer kuische,
koele individuen onder uranisten dan onder heterosexueelen en
treft men onder hen veel meer, dat hun liefdeverbintenis een meer
spiritueele dan een corporeele is. Het is geen zeldzaamheid dat twee
uranisten jarenlang met elkaar in een liefdesverhouding staan, zonder
dat het tusschen hen tot een geslachtsuiting komt. En ook hebben zij
boven heterosexueelen voor, dat over het algemeen hun omgang veel
kiescher, veel gevoeliger, veel zachter is.
Toen ik weinige jaren geleden, voor mijn studie over het uranisme,
eenigen tijd te Berlijn doorbracht, heb ik daar als lid van het
Wissensch.-humanitär Comitée een openbare vergadering bijgewoond,
waar Hirschfeld over het onderwerp sprak. Behalve door een groote
menigte heterosexueelen, werd de vergadering natuurlijk door ettelijke
honderdtallen homosexueelen bijgewoond. Dat er gedurende en op die
vergadering geen enkel onvertogen woord viel, is niet te verwonderen.
Maar toen ik daarna een van de beroemde homosexueele gecostumeerde
bals bezocht, trof het mij, dat geen enkel onvertogen woord mijn ooren
bereikte, trof het mij, dat ik geen enkel ongeoorloofd gebaar zag.
En er waren daar zoowel uranisten, als mannelijke prostitués. Den
volgenden dag woonde ik een vergadering van het Comitée bij, terwijl
ik na afloop daarvan op een souper genoodigd was, dat meestal na
die bijeenkomsten wordt gehouden. Ook daar, waar Hirschfeld en ik de
eenige heterosexueelen waren, was de toon hoogst fatsoenlijk en de
gesprekken van dien aard, dat niemand, zelfs de meest puriteinsche
moralist, er aanstoot in zou hebben kunnen vinden. Ik ben in die dagen
te Berlijn den geheelen dag in gezelschap van uranisten geweest, ik
heb er gelegenheden bezocht waar de mannelijke basse prostitution
zetelde. En toen ik in op den laatsten avond van mijn verblijf
met den duitschen homosexueelen geneesheer, die ergens in Italië
praktiseert, na ons laatste bezoek aan een kroegje van zeer laag
allooi, liep te praten in de reeds stille straten van Berlijn en
wij van gedachten wisselden over het uranisme en het heterosexueel
geslachtsleven, toen moest ik volmondig bekennen, dat--zoolang
ik in de afgeloopen dagen in Berlijn had gezworven, met hoeveel
uranisten ik ook had omgegaan in dien betrekkelijk korten tijd,
welke gesprekken ik ook had hooren voeren en had bijgewoond--hun
toon den toon van heterosexueele mannen verre overtrof in kuischheid
van taal en uitdrukking en dat er nergens en nooit op heterosexueele
publieke gemaskerde bals, nooit in gelegenheden waar door zoogenaamde
kellnerinnen werd bediend, een ingetogenheid van woorden en van
doen--zooals mij door verschillende weters op dat heterosexueel gebied
was meegedeeld--werd aangetroffen, als waarvan ik in die dagen onder
uranisten getuige was geweest. Nergens en nergens, door niemand en
niemand, heb ik één enkele uitdrukking hooren bezigen, die ongepast
was en met volle overtuiging kan ik dan ook zeggen, dat de toon der
gesprekken van al deze uranisten, dat de toon der gesprekken aan
tafel en na het souper hemelsbreed verschilde van den toon dien men
op heterosexueele heerendineetjes hoort en van de gesprekken, die
heterosexueele heeren na het diner meestal gewoon zijn met elkaar te
houden.
Dat deze meening niet op vooringenomenheid of op een onrechtvaardig
oordeel berust, bleek mij korten tijd daarna, toen ik een opstel over
de Berlijnsche homosexueelen van de hand van Näcke in het Archiv
van Gross las.[76] Näcke heeft dezelfde personen ten naastenbij
gesproken, met wie ik kennis had gemaakt, ik kon sommigen zeer goed
uit zijn beschrijving herkennen; Näcke heeft ten naastenbij dezelfde
gelegenheden bezocht als waar ik ben geweest en de conclusie van Näcke
komt zoo goed met de mijne overeen, dat het den indruk zou kunnen
maken, dat wij dien van elkaar hebben overgeschreven!
Vraagt men nu of er een middel is om den uranist te "genezen", om
hem te veranderen en hem van homosexueel, heterosexueel te maken,
dan moeten wij volmondig "neen" antwoorden. Men heeft voorgesteld
hen te castreeren en sommige uranisten hebben er om gevraagd, om
maar van hun onsociale neiging verlost te worden. Men heeft het
gelukkigerwijs nooit gedaan, omdat het toch niet zou helpen. De
geslachtsrichting zit niet in de teeltklieren, maar in de psyche. Men
heeft voorgesteld--en v. Schrenck-Notzing is er een der voorstanders
van--om ze te hypnotiseeren en hen suggestief te behandelen. Het heeft
niet mogen baten en van de vijf gevallen, die door v. Schrenck-Notzing
als genezen worden opgegeven, zijn er maar twee die op een wijze
zijn genezen, dat men het geen genezing mag noemen. De eene patient
zegt, dat hij nog dezelfde fantaisieën heeft als vroeger, maar
dat hij--wanneer hij wakker is--macht genoeg over zich zelf heeft
om er niet aan toe te geven. Daarbij denkt hij er met vrees aan,
wat hij zou moeten beginnen, wanneer zijn vrouw eens zou komen te
overlijden, omdat hij zeker is, dat hij dan weer in zijn oud kwaad
zou vervallen. De tweede zoogenaamde genezen patient zegt, dat wanneer
hij zich een tijdlang geabstineerd heeft, hij zijn oude aanvechtingen
weer voelt opkomen.[77] Maar zelfs wanneer al de gevallen, die
door met hypnose zijn behandeld, zoogenaamd genezen zouden zijn,
dan nog zou men niet het recht hebben van "genezing" te spreken,
omdat--zooals v. Krafft-Ebing te recht opmerkt--"de resultaten der
hypnose in deze gevallen niet op een werkelijke genezing, maar op een
kunstig volvoerde dressuur berusten"[78]. Men zou op dezelfde wijze
er van kunnen spreken, dat men iemand homosexueel heeft gemaakt,
wanneer men hem door hypnose en suggestie er op gedresseerd had,
zijn heterosexueele geslachtsuiting onmogelijk te kunnen volvoeren,
maar hem daarentegen het doen van homosexueele geslachtsdaden had
ingepraat. Iemand nu die homosexueele geslachtsdaden doet, hebben
wij gezien, is daarom nog geen uranist en evenmin kan iemand die
door hypnose en suggestie er toe gebracht is, om in plaats van
homosexueele, heterosexueele geslachtsdaden te doen, als heterosexueel
aangemerkt worden.
Men heeft uranisten den raad gegeven--en sommige geneesheeren,
niet genoeg of in het geheel niet op de hoogte van het onderwerp,
geven dien raad nog--om zich eerst bij prostitués te oefenen in
het heterosexueel geslachtsverkeer en dan te trouwen, of dadelijk
te trouwen, in de verwachting, dat de homosexualiteit dan wel zal
overgaan. Het immoreele van een dergelijken raad daargelaten, is
deze de meest verkeerde dien men een uranist kan geven. Niet alleen
maakt men hem zelf ongelukkig, door de wroeging die hij later voelt,
een vrouw aan zijn bestaan te hebben gebonden, waarin zijn ware
natuur toch--niettegenstaande alle pogingen om heterosexueel te
verkeeren--boven komt, maar men maakt zijn vrouw ook diep ongelukkig,
doordat zij er onder gebukt moèt gaan, wanneer zij op de hoogte is
gekomen van den toestand van haar echtgenoot--zelfs al vergeeft zij
hem en houdt zij nog meer van hem omdat hij ongelukkig is (alleen
een vrouw voelt zóó teer en zacht, dat er bij haar altijd vergeving
en liefde is te vinden in zoo'n geval)--en zij haar verder leven
voor zich ziet in één groote desillusie, wetend, dat zij zich geen
huisgezin kan scheppen, voelend, dat haar dat eene groote en mooie in
haar leven zal blijven ontbreken, de echte, ware liefde van haar man!
Genezing is er niet voor den uranist, omdat hij niet ziek is. Hem den
last wegnemen, dien hij bij zijn geboorte heeft meegebracht en die met
hem zal blijven tot aan zijn dood, kunnen wij niet. Het eenige wat wij
kunnen, is hem trachten te begrijpen, hem trachten te helpen, trachten
hem zijn moeilijk leven gemakkelijker te maken.
Er zijn er die vreezen, dat wanneer de theorie die ik heb
meegedeeld--namelijk, dat de uranist een variëteit is--in ruimen kring
bekend wordt, geen enkele uranist zich meer zal intoomen en dat ieder
uranist zich maar aan zijn geslachtslust zal te buiten gaan, dat velen
die op het oogenblik uit angst voor de verachting der menschen hun
lusten intoomen, aan hun lusten den vrijen teugel zullen vieren. Maar
bovenal vreest men, dat velen door de openbaarmaking van deze theorie
uranist zullen worden.
Het laatste het eerst besprekend, weten wij, dat dit geen gewichtig
argument is. Wij zijn nu genoegzaam overtuigd geworden en het is
door de competente onderzoekers genoegzaam aangetoond, dat uranisme
altijd is aangeboren en dat uranisme niet kan worden verkregen.
Wat de andere opmerkingen betreft, vragen wij daartegenover of er
zooveel menschen zich aan drinken zijn te buiten gegaan, sinds er
verkondigd is, dat drankzucht een ziekte en niet altijd een bederf
der zeden is, of er zooveel menschen zich aan de prostitutie zijn gaan
overgeven, omdat men openlijk heeft verkondigd, dat de prostitutie
een kwaad is, dat in de samenleving is ingeweven, en dat, onder welken
verschillenden vorm dan ook, van den aanvang der samenleving af tot
den huidigen dag bestaan heeft. En ook staat tegenover deze vrees
het feit, dat niettegenstaande reeds eeuwen lang het uranisme met
verachting is beschouwd, de uranist met minachting is behandeld,
er toch altijd door uranisten geboren zijn en geleefd hebben, er
steeds door homosexueele daden door uranisten zijn gepleegd en nog
steeds gepleegd worden. Nooit nog heeft de afkeuring van de massa een
uranist teruggehouden van zijn uranisme of belet, dat er uranisten
werden geboren. Die minachting en verachting hebben alleen belet,
dat de uranist openlijk voor zijn uranisme uitkwam. Zij heeft echter
daarbij tevens chantage, wanhoop en zelfmoord in de hand gewerkt!
Waarom, wanneer de opvatting, dat het uranisme een variëteit is, in
ruimen kring bekend zal zijn, geen enkele uranist meer zijn lusten zal
remmen, is mij onbegrijpelijk! Geven heterosexueelen dan maar allen
toe aan hun lusten en breidelen zij hun sexueele lusten niet, omdat
heterosexualiteit als een normale geslachtsrichting bekend staat en
overal en steeds zoo genoemd wordt? Waarom, waar de heterosexueel zijn
lusten intoomt, terwijl het hem bekend is dat zijn geslachtsrichting
een normale is, de uranist de zijne niet zou intoomen, wanneer men
erkent dat hij een variëteit is, is moeilijk te verdedigen.
Deze en dergelijke meeningen zijn alleen het gevolg van de verkeerde
gedachte, dat uranisten en homosexueelen per se gedepraveerde en
ultra-sensueele individuen zijn. Wij hebben genoegzaam aangetoond, dat
dit niet zoo is, maar dat men integendeel veel meer spiritueele dan
corporeele liefdegevoelens bij hen aantreft.