De eerste opvatting is die, dat uranisme, dat homosexualiteit

een gevolg is van een onzedelijk leven, van zedenbederf, van

overprikkeling op geslachtelijk gebied, dat uranisme verkregen

wordt door slecht voorbeeld, door verleiding en dat zij, die zich

gedurende hun leven hebben te buiten gegaan aan heterosexueele

geslachtsuitingen, eindelijk tot homosexueele daden hun toevlucht

nemen, om aan hun behoefte naar nieuwe prikkels te voldoen. Deze

opvatting van "verkregen uranisme" nu wordt door niemand meer

gehuldigd, die zich ook maar eenigszins in de studie van het onderwerp

heeft verdiept en alleen zij, die niets van het onderwerp weten en

zich niet de moeite willen geven om het te bestudeeren, maar die zich

tevreden stellen met steeds maar anderen na te praten, houden nog aan

die opvatting vast.

Dat die opvatting in de wereld is gekomen en blijft bestaan, is niet

te verwonderen. Men dacht en denkt aan de uitspattingen gedurende de

décadence van het Romeinsche Rijk, waarin homosexueele geslachtsdaden

gewoonte waren, maar vergeet er bij dat de heterosexueele

uitspattingen toen ter tijd evenzeer een enormen omvang hadden

aangenomen. Trouwens wij weten betrekkelijk zeer weinig van de

Romeinsche maatschappij in dien tijd af, al kennen wij ook de verhalen

van Petronius en anderen en zeker is het voor ons onmogelijk uit te

maken, of de homosexueele geslachtsdaden ons uit dien tijd vermeld,

de daden van echte uranisten waren of daden door mannelijke prostitués

of andere heterosexueelen gepleegd. Een bewijs echter tegen de

meening, dat het uranisme--en zelfs dat het plegen van homosexueele

geslachtsdaden--altijd een gevolg van depravatie, van zedenbederf

en van decadentie moeten zijn, is dat in den tijd van Pericles,

in den bloeitijd van Athene, in de gouden eeuw, het homosexueel

geslachtsverkeer in Griekenland om zoo te zeggen algemeen was.

Dat de opvatting, dat uranisme en homosexualiteit een gevolg van

uitspattingen op geslachtelijk gebied zijn, is ontstaan en bestaan

blijft is te begrijpen. Men heeft de gevallen gezien van beginnende

ouderdoms-kindschheid, van beginnende dementia paralytica e. d.,

waarbij zich dikwijls in het begin ethische en moreele defecten

openbaren, waarbij zoo dikwijls een gebrek, een verkeerde handeling

op zedelijk gebied de eerste aanduiding van de ziekte is, en heeft

daaruit het besluit meenen te mogen trekken, dat deze handelingen

het gevolg waren van vroeger-gepleegde uitspattingen en overprikkelde

zinnelijkheid. Wij weten echter, dat het plegen van homosexueele

geslachtsdaden volstrekt niet gelijk mag gesteld worden met uranisme

en dat het plegen van homosexueele geslachtsdaden ook een gevolg

van geestesstoornis kan zijn. Psychiaters kunnen getuigen, hoevele

malen in de gestichten lijders aan dementie, of lijders aan andere

psychosen, op het plegen van dergelijke daden betrapt worden.

En nog een oorzaak is er, waardoor men tot deze depravatie-opvatting

is gekomen. Men heeft gevallen gezien van zoogenaamde "tardieve

homosexualiteit", het opkomen van homosexueele geslachtsgevoelens

op een zekeren leeftijd, vóór welken de persoon uitgesproken

heterosexueel was. Dit verschijnsel dat nog niet goed bestudeerd

en zeker nog niet verklaard is, komt meer voor dan men oppervlakkig

zou meenen en de meeste gevallen, waarin men er van spreekt, dat

iemand na een leven van heterosexueele uitspattingen homosexueel is

geworden, berusten op het plotseling of langzamerhand te voorschijn

komen van deze tardieve homosexualiteit. Trouwens in sommige gevallen

kan de heterosexualiteit evenzoo tardief optreden. Mij is een geval

bekend van een jongen man, die tot zijn vier en twintigste jaar

uitgesproken en zeer duidelijk homosexueel was, die een of meer

homosexueele verbintenissen heeft gehad en niet anders dan homosexueel

aan zijn geslachtsdrift kon voldoen, en die langzamerhand zijn

geslachtsrichting heeft voelen veranderen en nu reeds eenige jaren

uitgesproken heterosexueel voelt. Zoowel de heterosexualiteit als de

homosexualiteit echter zijn in die richting nog te weinig onderzocht

en de heterosexualiteit wel het minst, zoodat men over deze kwestie

nog geen zeker en nauwkeurig oordeel kan vellen. Een zekerheid echter

is, dat die vorm van tardieve homosexualiteit bestaat en bestaan kan.

Wat nu echter tegen die onzedelijkheidsopvatting en tegen de

meening, dat homosexualiteit door slecht voorbeeld en door omgang met

homosexueele, onzedelijke individuen kan verkregen worden, spreekt,

is dat het omgekeerde nooit nog is gezien. Wanneer het waar is, dat

men na heterosexueele uitspattingen er gemakkelijk--door behoefte

naar overprikkeling--toe komt, om homosexueele geslachtsdaden te

doen, dan moet het ook kunnen dat een homosexueel--ten gevolge van

oververzadiging door homosexueele geslachtsdaden--zijn toevlucht tot

heterosexueele geslachtsdaden gaat nemen. Iets dergelijks nu is nog

nooit opgemerkt en in de geheele literatuur over het uranisme en over

de homosexualiteit is daarvan geen enkel voorbeeld te vinden, terwijl

toch onder de homosexueelen even goed als onder de heterosexueelen

losbollen en onzedelijke individuen worden gevonden! Te wenschen ware

het wèl, dat het zou kunnen, dat men door overdadige heterosexueele

uitspattingen homosexueel kon worden. Dan toch zou het omgekeerde ook

het geval zijn en zou er een prachtig geneesmiddel gevonden zijn, om

den homosexueel van zijn, door de maatschappij zoo verachte, neigingen

te genezen. Tot nog toe echter heeft men nog niet kunnen ontdekken,

of een zoodanige genezing of verandering bij een gedepraveerden

homosexueel heeft plaats gehad.

En wat eveneens pleit tegen de opvatting, dat homosexualiteit

kan verkregen worden, is dat waar de onanie zóó verbreid is, het

percentage homosexueelen zoo betrekkelijk klein is en blijft. Volgens

de meening van Rohleder[55] toch gaat 90% van het mannelijk geslacht

zich in zijn jeugd aan onanie te buiten en een groot percentage

daarvan pleegt, gedurende langer of korter tijd, mutueele onanie.

Andere schrijvers achten het percentage niet zoo hoog, maar zijn

het er toch over eens, dat het cijfer tamelijk groot is. Wanneer

nu door homosexueelen omgang homosexualiteit verkregen zou kunnen

worden, dan zouden zeker meer mannen dan nu homosexueel worden. Het

percentage toch der homosexueelen is, zooals wij straks nog nader

zullen bespreken, niet meer dan 2.3%. En wat wel het meeste er tegen

pleit, dat homosexualiteit zou kunnen verkregen worden, is, dat het

zoovele malen gebeurt en gebeurd is, dat bij heterosexueelen--die in

hun jeugd gedurende zeer langen tijd met een homosexueelen vriend een

homosexueele verbintenis hebben gehad, hetzij uit vriendschap of omdat

zij het niet wilden weigeren, of omdat zij meenden dat dat de ware en

eenige vriendschaps- en liefdesuiting is, onbekend met hun voelen en

hun ziel--op een gegeven tijdstip hun ware gevoel wakker wordt en dat

hun heterosexualiteit begint te spreken, zoodat zij de homosexueele

verbintenis afbreken en een huwelijk met een vrouw sluiten uit

liefde en uit heterosexueel gevoel. Wanneer homosexualiteit en

uranisme zouden kunnen verkregen worden, dan zeker zou men onder

die heterosexueelen toch menschen moeten aantreffen, die door hun

homosexueelen omgang homosexueel of uranist zijn geworden. Zoo iemand,

dan zijn zij wel in de gelegenheid geweest om van geslachtsrichting te

veranderen.

Nogmaals, geen der onderzoekers, die zich ernstig met het vraagstuk

heeft bezig gehouden of zich er nog in verdiept, huldigt de

onzedelijkheidsmeening en alleen zij, die niets van het onderwerp

weten of er niet of maar ten halve van op de hoogte zijn, houden nog

aan deze opvatting vast.

Een tweede opinie is, dat homosexualiteit, dat uranisme een

uitvloeisel is van een stoornis in de geestvermogens van het individu,

dat uranisme een psychopathie is.

Tot een zekere hoogte is v. Krafft-Ebing de schuld, dat deze opvatting

ontstaan is en zich verbreid heeft. Hij toch is de eerste geweest,

die van "psychopathia sexualis" heeft gesproken. En wel hadden

Jolly en Moeli gelijk, toen zij in een zitting van de "Gesellschaft

für Psychiatrie und Nervenheilkunde" te Berlijn, toen de benaming

en het onderwerp, door v. Krafft-Ebing ingeleid, ter sprake kwam,

de vrees uitten, dat men door dezen naam een verkeerden indruk

zou krijgen en dat daardoor de opvatting der monomanieën, die met

moeite was losgelaten, weer in de gedachten zou komen.[56] Het is

geschied zooals Jolly en Moeli hebben gevreesd en niettegenstaande

v. Krafft-Ebing later zijn eigen opvatting, als zou het uranisme een

psychopathie zijn, heeft tegengesproken en in het derde deel van het

Jahrbuch für sexuelle Zwischenstufen heeft bekend, dat hij zich heeft

vergist en dat uranisme zich kan voordoen bij volkomen intactheid der

geestvermogens, is de meening bij het publiek en bij het grootste

deel der geleerden, dat geen kennis heeft genomen van den omkeer van

v. Krafft-Ebing, blijven bestaan.[57]

Te verwonderen is het niet, dat v. Krafft-Ebing tot zijn opvatting

kwam. Hij toch bestudeerde de afwijking bij de patienten in

zijn krankzinnigengesticht, bij wie--zooals wij reeds hebben

opgemerkt--homosexueele geslachtsdaden als uiting van hun

geestesstoornis tamelijk dikwijls voorkomen. De psychiaters, die

op zijn voetspoor het onderwerp eveneens bij de patienten in de

gestichten bestudeerden, meenend--zooals tegenwoordig nog maar

steeds het geval is--dat het onderwerp op het gebied van den

psychiater en niet op dat van den gewonen geneesheer behoort (de

gewone geneesheeren, niet-specialisten, zijn van eenzelfde opinie),

moesten wel tot een zelfde conclusie komen. Zij, evenmin als

v. Krafft-Ebing het had gedaan, dachten aan de onwillekeurige

selectie die zij instelden, niet denkend aan het aantal uranisten

dat niet in krankzinnigengestichten en--normaal van geestvermogens--wel

in de maatschappij verkeert en nooit de gedachte krijgt om zich tot

een psychiater te wenden. Waarom toch zouden zij dat doen? Geestelijk

en wat hun ziel betreft, voelen zij zich geheel normaal en wanneer

zij eenmaal op de hoogte van hun geslachts-verschil zijn, is er geen

enkele reden voor hen zich tot een psychiater om raad en hulp te

wenden. Dit groote aantal uranisten en homosexueelen nu, hebben

v. Krafft-Ebing en de psychiaters over het hoofd gezien en dit zien

de meeste psychiaters nog altijd over het hoofd en het is zeer

waar wat Näcke zegt, namelijk, dat "wat psychiaters, neurologen en

gerechtelijk-geneeskundigen van homosexueelen onder de oogen komt,

meestal abnormaal is, maar dat men dit daarom niet in algemeenen zin

mag toepassen. Deze artsen zijn daarom in zake homosexualiteit meer of

minder incompetent, wijl zij juist de duizenden urningen, die gewoon

in de maatschappij leven, niet kennen".[58]

Wanneer men nu, behalve de verbeterde uitspraak van v. Krafft-Ebing

zelf, de uitspraken van de competente onderzoekers op dit gebied

nagaat, de uitspraken van Hirschfeld, die minstens 5000 uranisten

heeft onderzocht, van Fuchs, van Näcke, Bloch, v. Schrenck-Notzing,

dan ziet men dat geen van hen het oordeel dat uranisme een

psychopathie is, is toegedaan. Noch Lacassagne, noch Havelock Ellis,

noch v. Römer, die alle ettelijke uranisten hebben onderzocht, hebben

zich dan ook in die richting uitgesproken, integendeel hebben zij

de opvatting "psychopathie" met alle kracht tegengesproken. Wat mijn

eigen onderzoekingen betreft, al is het aantal uranisten dat ik heb

onderzocht niet zóó groot, dat ik mij als de evenknie van de genoemde

onderzoekers durf opwerpen, toch heb ik nog geen enkelen uranist

ontmoet, bij wien ik een geestesstoornis of een ziekelijke stoornis

in de geestvermogens heb kunnen vaststellen. Wel heb ik in eenige

krankzinnigengestichten lijders gezien, die nu en dan pogingen deden

om homosexueele geslachtsdaden te doen, maar bij dezen waren de daden

een gevolg van hun psychisch defect en niet van hun homosexualiteit of

van hun uranisme.

Ook de opvatting "psychopathie" wordt dan ook niet meer door de

competente onderzoekers van dit onderwerp verdedigd.

Schijnbaar meer naar waarheid is de opvatting, dat uranisme en

homosexualiteit een degeneratie, of een verschijnsel van degeneratie

is.

Nu wil het mij echter voorkomen, of men in den laatsten tijd wat al

te veel gebruik en zelfs misbruik van het woord "degeneratie" maakt.

Alle menschelijke uitingen, die niet zoo dadelijk geweten, gevoeld

of begrepen worden, is men maar al te veel geneigd met het woord

degeneratie te bestempelen. Daarenboven zegt het woord "degeneratie"

betrekkelijk weinig, en zeker is het niet een verklaring. Door het

woord te gebruiken, stelt men vele malen een ander woord in de plaats

voor het verschijnsel of het feit dat niet begrepen of geweten wordt.

Gaan wij echter nauwkeuriger na, welke verklaring men van

"degeneratie" heeft gegeven, dan zien wij al heel spoedig, dat

geen der definities past voor het uranisme. Magnan zegt, dat

degeneratie "de ziekelijke toestand van het individu is, dat in

vergelijking met zijn ouders, constitutioneel verminderd is in

zijn psycho-physisch weerstandsvermogen en slechts onvolkomen de

biologische voorwaarden om den erfelijken strijd om het bestaan vol

te houden, verwezenlijkt"[59]. Wertheim Salomonson zegt, "dat wij

dan degeneratie kunnen constateeren, wanneer wij bij een individu

een zoodanige afwijking van het type ontmoeten, dat wij, uit de

ervaring van soortgelijke gevallen opgedaan, mogen besluiten, dat

deze vermoedelijk op het kroost in meer ernstigen vorm zal worden

overgedragen, terwijl zij bij de ouders reeds in meer gemitigeerden

vorm aanwezig was."[60] Möbius voert aan, dat wij met "degeneratie

zoodanige ongunstige afwijkingen van het type kunnen bestempelen, die

een zekere grootte bereiken, blijvend zijn en door erfelijkheid op de

nazaten kunnen overgaan",[61] terwijl Hoche degeneratie een "aus der

Art schlagen" noemt en eveneens van "ongunstige afwijkingen van het

type" spreekt.[62]

Vergelijken wij den uranist en het leven van den uranist met deze

definities, dan zien wij, dat waar van een type wordt gesproken,

nergens een type van een man of van een vrouw kan worden aangetoond.

Wij hebben gezien, dat wij--omdat het type ontbrak--gedwongen waren

om alleen met de eigenschappen, die bij de overgroote meerderheid

der sexen voorkomen, rekening te houden. Wat dus "afwijking

van het type" moet leeren, is niet duidelijk. Wat betreft het

overgaan der afwijkingen op de kinderen, het is door verschillende

onderzoekers bewezen, dat in de ascendentie van den uranist geen of

bij uitzondering uranisten voorkomen en dat ook in de nakomelingschap

van den uranist (soms toch krijgt de uranist, die om verschillende

redenen kan getrouwd zijn, kinderen) geen of zeer weinig uranisten

voorkomen. De meeste uranisten komen te midden van een familie van

gewone broeders en zusters te voorschijn en in de meeste gevallen

is er geen familielid aan te wijzen, bij wien men dezelfde of een

dergelijke afwijking kan vinden. De meeste uranisten nu krijgen geen

kinderen, omdat zij niet trouwen. En wat dien levensstrijd aangaat,

ik geloof niet dat iemand zal durven beweren, dat mannen als Frederik

de Groote, Condé, Mac Donald, Krupp en anderen de bewijzen hebben

gegeven, dat zij de voorwaarden om den levensstrijd vol te houden,

onvoldoende hebben verwezenlijkt!

Volkomen waar is het, dat de degeneratie zich niet bij de kinderen in

denzelfden vorm als bij de ouders behoeft te openbaren, maar dat de

kinderen andere verschijnselen van degeneratie dan de ouders kunnen

vertoonen. Vraagt men nu echter, of er in de ascendentie van den

uranist zooveel meer en zooveel ernstiger vormen van degeneratie

voorkomen, dan in de familie of ascendentie van den heterosexueel,

dan moeten wij ontkennend antwoorden. Immers mag men dan pas van de

degeneratie van een persoon spreken, wanneer er verschillende ernstige

afwijkingen van het normale (s. v. v.) bij hem te vinden zijn en

wanneer over 't algemeen zijn geschiktheid om mee te bestaan en zijn

plaats in de samenleving te vervullen in hooge mate is getroffen.[63]

Door v. Römer is in zijn werk "Het uranisch huisgezin" voldoende en

uitstekend aangetoond, dat degeneratie in de ascendentie van uranisten

volstrekt niet erger en zwaarder is, dan in die van heterosexueelen.

Trouwens ook andere onderzoekers, waaronder Hirschfeld in de eerste

plaats, hebben aangetoond, dat bij den uranist van degeneratie

in erger mate dan bij den heterosexueel, geen sprake is. Wat mijn

eigen onderzoekingen betreft, ben ik tot dezelfde uitkomst als de

andere onderzoekers gekomen en heb ik noch in de ascendentie der

uranisten die ik heb onderzocht, noch bij de personen zelf, zoo veel

of zoo groote degeneratie kunnen vinden, dat ik daaruit het besluit

zou durven trekken, dat de uranist per se gedegenereerd is of het

slachtoffer van degeneratie in zijn familie zou zijn. Onder al de

uranisten die ik heb onderzocht, heb ik maar één gevonden, bij wien

een zeer sterk uitgesproken degeneratie was aan te toonen en in wiens

familie, zoowel in de directe ascendentie als in de zijliniën een

zware belasting waarschijnlijk de schuld was, dat de uranist zelf

een immoreel en lichamelijk gedegenereerd individu is geworden. In

hoeverre nu zijn uranisme van die degeneratie afhankelijk was, weet ik

niet te zeggen en is ook moeilijk aan te toonen.

Mocht dit alles nog niet genoeg bewijzen, dan wil ik daarenboven

vermelden, dat--zooals uit verschillende bronnen blijkt--uranisme

en homosexualiteit ook bij wilde en primitieve volken voorkomt.

Zoowel in "Untrodden fields of anthropology"[64] als in het opstel

van Karsch[65] en in het werk van Havelock Ellis[66] vindt men meer

of minder uitgebreide mededeelingen daaromtrent. Burton heeft in

zijn "Arabian Nights"[67] een gedeelte van de wereldbol afgebakend,

welke hij de "sodatic Zone" noemt en die al de volken omvat, bij

wie uranisme en homosexualiteit inheemsch is. Het is opmerkelijk,

dat in die "sodatic zone", de primitieve en wilde volken de grootste

plaats innemen. En men mag en kan toch niet aannemen, dat degeneratie,

depravatie en zedebederf bij primitieve en wilde volken even ver

zouden zijn voortgeschreden, als in het beschaafde Europa!

De vierde opvatting, dat het uranisme een variëteit is, blijft ons

ter bespreking over. Deze opvatting is m. i. de ware en ik zou haast,

met een variant op het bekende Fransche woord, willen zeggen: si

elle n'existait pas, il faudrait l'inventer, zóó logisch staat de

homosexualiteit op de lijn der geslachtsrichting, zóó onweerlegbaar

moet zij te vinden en aan te wijzen zijn.

In zijn bekend werk "Oorsprong en bevruchting der bloemen" zegt

Hugo de Vries: "het geheele probleem der erfelijkheid draait in

hoofdzaak om de vraag naar het aandeel van den vader en de moeder

aan de eigenschappen van het individu. De eene eigenschap heeft een

mensch van zijn vader, de andere van zijn moeder. Ziedaar het feit.

Slechts in schijn is elk mensch ten opzichte van het probleem der

erfelijkheid een eenheid. In zijn binnenste is hij een dubbelwezen.

Naast elkaar liggen in hem de erfstukken van zijn vader en van zijn

moeder. Nu eens werken zij samen, dan weer werken zij tegen elkaar, nu

eens overheerscht het eene, dan weer het andere.... Elk levend wezen,

dat door geslachtelijke voortplanting is ontstaan, vereenigt in zich

de erfdeelen van zijn ouders. Deze liggen in hem als een mozaïek,

wel innig vermengd, maar toch gescheiden.... Alle lichaamskernen zijn

dus dubbelkernen, alle geslachtelijk ontstane wezens dubbelwezens,

die levenslang hun dubbelen oorsprong verraden en die in bijzondere

gevallen dit op een bijzondere en in het oog vallende wijze doen".[68]

Wij hebben gezien, dat de kenmerken van de eene sexe bij de andere

sexe kunnen voorkomen. Wij hebben gezien, dat dit zoowel wat de

primaire als wat de secundaire geslachtskenmerken betreft, het geval

kan zijn en ook dat de psychische eigenaardigheden, die men voor

specifiek voor de eene sexe houdt, even goed bij de andere sexe kunnen

voorkomen. De psychische eigenschap, de geslachtsrichting, nu kan

even goed een wisseling vertoonen en de eigenschap, die in de meeste

gevallen specifiek voor den man is, kan bij de vrouw voorkomen even

goed als het omgekeerde het geval kan zijn.

Dat de uranist, dat de homosexueel een variëteit is, kan men op

de volgende wijze aantoonen. Nemen wij een denkbeeldige lijn en

plaatsen wij aan de beide uiteinden daarvan, aan de eene zijde de

man met 100% mannelijke eigenschappen--wanneer die bestaat; geen

enkele man heeft die 100% mannelijke eigenschappen, omdat in iederen

man ook vrouwelijke lichamelijke eigenschappen zijn aan te toonen

(de prostata, de rudimenten van de borsten enz.)--aan de andere

zijde de vrouw met 100% vrouwelijke eigenschappen--ook weer, wanneer

die bestaat; op de vrouw is mutatis mutandis hetzelfde als op den

man van toepassing--dan kunnen wij op die lijn de verschillende

variëteiten vinden, die al naar gelang den kant van waar wij beginnen,

overwegend mannelijke eigenschappen en heel weinig vrouwelijke hebben,

of omgekeerd. Zoo voortgaande tot het midden van de lijn, zullen

en moeten wij noodzakelijk op dit midden den volkomen hermaphrodiet

vinden. Wanneer wij op dezelfde wijze met den heterosexueel en

den homosexueel te werk gaan, dan zien wij, dat waar aan het eene

einde van de lijn de absolute heterosexueel staat (wanneer deze

absolute heterosexualiteit bestaat), aan het andere einde de absolute

homosexueel (wanneer deze absolute homosexualiteit bestaat) moet

komen. In het midden komt de bisexueel, de zoogenaamde psycho-sexueele

hermaphrodiet. Dat er noch een absolute hetero- noch een absolute

homosexualiteit bestaat, is te begrijpen. Een individu erft toch

van zijn vader en van zijn moeder, van zijn grootvader en van

zijn grootmoeder en van de geheele ascendeerende reeks mannen en

vrouwen, die aan zijn vorming--door zijn grootouders en zijn ouders

heen--hebben deelgenomen. In iederen heterosexueel zit een gedeelte

homosexualiteit, al is dat ook nog zoo klein, even goed als er in

iederen homosexueel een gedeelte heterosexualiteit is, al is dit

ook nog zoo klein. Het zou wonder zijn, wanneer het individu wel

in zijn lichamelijke eigenschappen, maar niet in zijn psychische,

van de andere sexe in zijn ascendentie zou erven. Of nu in het

midden van de lijn de bisexueel staat, die precies evenveel hetero-

als homosexualiteit heeft, kan niet met zekerheid gezegd worden.

Theoretisch gesproken, moet het zoo zijn. Maar of er een individu

bestaat, dat een zoo precies-gedeelde geslachtsrichting bezit, is niet

bekend.

Uit dit alles blijkt, dat de uranist een variëteit is, evenals alle

individuen variëteiten zijn, dubbelwezens die zoowel de lichamelijke

als de psychische eigenschappen van de beide sexen van hun ouders en

voorouders in zich dragen. Met deze opvatting, die ik het eerst op

het congres voor crimineele anthropologie te Amsterdam verkondigd heb,

gaan dan ook de meeste onderzoekers--Hugo de Vries,[69] Näcke,[70]

Hirschfeld,[71] Numa Prätorius[72] e. a.--mede. Uit het wezen der

variëteit is het dan ook te verklaren, waarom men onder de uranisten

die verschillende vormen vindt, die men bij heterosexueelen ook

kan aantoonen, maar die meestal aan de aandacht ontsnappen, van

ultra-virilen en virilen tot passieven en geëfemineerden toe. Dat deze

variëteit is aangeboren zal wel niemand, naar wat wij zooeven hebben

besproken, kunnen of willen tegenspreken.

Hermaphrodisie en Uranisme · 第 2 / 4 段