Produced by André Engels and the Online Distributed
Proofreading Team at http://www.pgdp.net
HERMAPHRODISIE EN
URANISME.
VOORDRACHT,
den 5en Juni 1908 te Amsterdam voor de
candidaten van de Juridische Faculteit
van het A. S. C. gehouden
--DOOR--
Dr. A. ALETRINO,
Priv.-doc. I/d Crim. anthrop. a/d Universiteit te Amsterdam.
F. VAN ROSSEN--AMSTERDAM
1908.
_Zeer gewenschte toehoorderessen en toehoorders_,
Ik stel er prijs op, vóór ik aan mijn eigenlijk onderwerp begin,
U te verzoeken, wel te willen bedenken, dat ik op het standpunt
sta, dat niemand, en dus ook ik niet, het recht heeft zich met
de geslachtsdaden van anderen te bemoeien of die te veroordeelen,
wanneer door deze niet een van de twee personen, tusschen wie de daad
geschiedt, of een derde benadeeld wordt en dat ik--en ik weet bij
ondervinding, door en na het congres voor crimineele anthropologie
in 1901 te Amsterdam gehouden, waar ik een rapport "Sur la situation
sociale de l'uraniste" inzond, hoezeer men geneigd is iemand die
over dat onderwerp schrijft of spreekt, verkeerde bedoelingen toe te
dichten en verkeerde woorden in den mond te leggen--geen propaganda
maak voor normale of, zooals men het heeft willen noemen, abnormale
geslachtsuitingen, maar dat ik de kwestie alleen uit een humanitair en
wetenschappelijk oogpunt bestudeer.
Drie redenen zijn er, waarom ik juist dit onderdeel der
natuurwetenschappen heb uitgekozen om hedenavond met U te bespreken,
al kan die bespreking--om de groote uitgebreidheid van het
onderwerp--niet dan zeer onvolledig zijn en ik mij--om den beperkten
tijd, waarover ik kan beschikken--zal moeten bepalen tot het slechts
in groote lijnen aangeven der omtrekken en zoovele en belangrijke
détails zal moeten laten rusten.
De eerste reden is, dat men er noch op colleges voor juristen,
noch op medische colleges, noch op de colleges voor gerechtelijke
geneeskunde over spreekt. Is dit, omdat men het onderwerp van te
weinig gewicht acht? Of is het uit overmatige kuischheid? Want zoodra
er over dit onderwerp wordt gesproken, steekt een, ik zou haast zeggen
pathologische, kuischheid haar hoofd op. Als bewijs daarvan diene,
dat, toen ik eenige jaren geleden een opstel over het uranisme aan een
medisch tijdschrift hier te lande had gezonden, ik het terugontving
met een begeleidend schrijven, waarin te lezen stond, "dat de Redactie
voor dìt onderwerp geen plaats wilde afstaan". Als een ander bewijs
van die kuischheid diene, dat men iemand die over het onderwerp
schrijft of spreekt, als iemand betitelt, "die het goed recht van
het bestaan van "gruwelen" bepleit". Ik heb het moeten verduren, dat
de minister-president Kuyper, eertijds zoowel in een zitting van de
Eerste, als in een van de Tweede Kamer, coram populo mijn goeden naam
aantastte, om wat ik op bovengenoemd congres had gezegd[1], en dat
later een onbekend atoom, een zekere heer v. d. Biesen, die mij tot
professor verhief, hem in een zitting van de Eerste Kamer die woorden
nabazelde![2]
De tweede reden is, dat in den laatsten tijd het vraagstuk meer op den
voorgrond is geschoven. Ik behoef U slechts te wijzen op het geval,
door de onbescheidenheid van sommige dagbladen met naam en toenaam
aan het licht gebracht, van een beeldhouwster, die hier in Amsterdam
werkte en die plotseling van sexe is veranderd en nu als beeldhouwer
in het buitenland vertoeft; ik behoef U slechts het proces-Moltke
contra Harden te noemen, dat kort geleden in Berlijn is afgespeeld; ik
wil U wijzen op de twee rechtzaken hier in de laatste jaren behandeld,
waarbij de aangeklaagde beschuldigd werd onzedelijke homosexueele
handelingen met minderjarigen te hebben gepleegd.
De derde reden is, dat ik het van ongemeen groot gewicht voor U vind,
dat Gij van het onderwerp op de hoogte zijt. Als rechter kan het
U worden opgedragen in zulk een geval te oordeelen. Gij kunt als
verdediger worden aangewezen om een beklaagde in zulk een geval bij te
staan, evengoed als de geneesheer kan worden geroepen om in zulk een
geval hulp en raad te geven. Wanneer ik bedenk in welke moeilijkheid
ik zelf heb verkeerd, toen--kort nadat ik als geneesheer gevestigd
was--de zoon van een mijner patienten tot mij kwam om raad en hulp en
ik geheel onvoorbereid wat het onderwerp betreft, gedwongen was hem
te helpen--hij is dan ook de oorzaak geweest, dat ik met de studie
er van ben begonnen en dat ik mij er in heb verdiept--dan voel ik het
mijn plicht U, als het maar eenigszins kan, voor deze moeilijkheden te
vrijwaren en U eenig inzicht in het onderwerp te geven, opdat Gij er
misschien later gemakkelijker verder in kunt doordringen.
* * * * *
Men heeft altijd gemeend--en zelfs nu nog denken de meeste menschen
er niet dieper over na--dat het even gemakkelijk is het onderscheid
tusschen den homo sapiens masculinus en den homo sapiens femininus
te beschrijven, als het door het verschil in kleeding tusschen de
beide sexen aangegeven wordt. Dit nu is niet het geval en het is zeer
moeilijk, zoo niet onmogelijk, een eigenschap, een eigenaardigheid aan
te toonen, die zóó specifiek bij de eene sexe voorkomt, dat zij bij de
andere sexe niet te vinden is. Alle eigenaardigheden en eigenschappen,
die men tot nu toe als specifiek voor de eene sexe heeft aangezien,
vindt men terug of heeft men bij de andere sexe teruggevonden. Hoe
meer de onderzoekingen der anthropologen worden uitgebreid, des te
meer komt men tot de ontdekking, dat men zich in die eigenschappen
heeft vergist of dat men er een te fantastische beteekenis aan heeft
gehecht.
De vorm van het bekken b.v. dien men zelfs tot nu toe als een
specifiek verschilsteeken tusschen de beide sexen heeft beschouwd, is
gebleken niet zoo betrouwbaar te zijn. Men meent, dat een steil, nauw
bekken aan den man eigen is, een wijd plat bekken alleen bij de vrouw
voorkomt. Verschillende onderzoekers nu hebben aangetoond, dat men bij
Arabische vrouwen en bij de vrouwen van sommige wilde stammen, wanneer
men haar van achter beschouwt, onmogelijk door den vorm van het bekken
kan uitmaken of men een man of wel een vrouw voor zich heeft.[3]
De hand heeft een tijdlang als het verschils-kenteeken voor man en
vrouw gegolden. Pfitzner de anatoom heeft eenige honderdtallen van
mannen- en vrouwenhanden onderzocht en heeft geen enkel teeken kunnen
aangeven, dat niet zoowel aan de vrouwenhand als, in andere gevallen,
aan de mannenband eigen kan zijn[4]. Zelfs het ademhalingstype--de
costaal- of borstademhaling bij de vrouw, de buikademhaling bij den
man--is gebleken, wat de costaal-ademhaling betreft, door de kleeding
en de beschaving te zijn ontstaan en het is bewezen, dat vrouwen van
wilde volksstammen een abdominaal-ademhaling vertoonen, even goed als
de mannen.[5]
Wanneer wij dus de eigenschappen en eigenaardigheden van de beide
sexen willen bestudeeren, zijn wij gedwongen ons te houden aan wat
bij de overgroote meerderheid der beide sexen voorkomt. En dan kunnen
wij de verschillende eigenschappen, behalve in de twee groote groepen
van primaire en secundaire geslachtskenmerken, verdeelen in vijf
afdeelingen:
1e. De plaats waar de bevruchtende cellen gevormd worden: bij de vrouw
het ovarium, bij den man de testis.
2e. De gangen en wegen, waarlangs de bevruchtende cellen het lichaam
verlaten en naar buiten worden gevoerd: bij de vrouw de tubae, de
uterus en de vagina, bij den man de epididymis, het vas deferens en de
penis.
3e. De secundaire geslachtskenmerken, die eerst in den puberteitstijd
duidelijk zichtbaar worden: bij de vrouw het langer worden van het
hoofdhaar, het groeien der borsten en de menstruatie, bij den man de
verandering van de stem, het groeien van den baard en het grooter
worden van het strottenhoofd.
4e. De verschillende geestelijke en gevoelseigenschappen. De vrouw
is o. a. meer intuïtief, zachtmoediger, passief, de man daarentegen
logisch, harder, ondernemend e. d.
5e. De vrouw voelt zich geslachtelijk tot den man, de man voelt zich
geslachtelijk tot de vrouw aangetrokken.
Het is van het grootste belang, duidelijk voor oogen te hebben, dat
elk dier verschilsgroepen haar oorsprong in eenzelfden oeraanleg
vindt.
Beschouwen wij de eerste groep iets nader. Wanneer men het menschelijk
embryo vóór den dertigsten dag van het intrauterine leven beziet,
kan men nog niet uitmaken of het een mannelijk of wel een vrouwelijk
individu zal worden. De teeltklieren ontstaan in de buikholte, uit
het epithelium, door Waldeyer "kiemepitheel" genoemd, dat naast de
oernieren, aan de achterzijde van de buikholte ontstaat. Eerst in
de vijfde week kan men door verschillende kenmerken bepalen of de
teeltklier een ovarium of wel een testikel zal worden. De ovariën
blijven gedurende het geheele leven binnen het lichaam, terwijl de
testikels kort vóór of kort na de geboorte buiten de buikholte dalen.
Zelfs de kiemcellen zijn identieke vormsels. De kern van de eicel kan
men gelijk stellen met den kop, terwijl het plasma van de eicel met
den staart van het spermatozoïd kan vergeleken worden.
De tweede groep, de gangen en uitvoerwegen. In de tweede
zwangerschapsmaand ziet men twee paar gangen in de buikholte ontstaan,
de Wolffsche of oerniergangen en de Müllersche gangen, die naar onder
loopen en te samen in de opening van de cloake (waarover straks)
eindigen. Wordt het embryo een mannelijk individu, dan ziet men, dat
de Wolffsche gangen zich sterk gaan ontwikkelen, terwijl de Müllersche
gangen in ontwikkeling achterblijven. De ondereinden der vier gangen
vergroeien met elkaar, er komen daaraan twee kleine uitstulpsels
te voorschijn: de aanleg voor de latere prostata en de vesiculae
seminales is daar. Wordt het individu daarentegen een vrouw, dan
blijven de Wolffsche gangen in ontwikkeling achter, de bovenste
gedeelten der Müllersche gangen worden de tubae, uit de benedenste,
die met de uiteinden der Wolffsche gangen vergroeien, wordt de uterus
en de vagina.
Doch ook de uitwendige geslachtsorganen zijn oorspronkelijk
hetzelfde gevormd. Vóór de zesde week ziet men aan het ondereinde
van het lichaam alleen een spleet, den uitgang van de cloake, de
gemeenschappelijke afvoerbuis voor urine en faecaalstoffen. Pas in de
tiende week van het intrauterine leven groeit een wand van binnen naar
buiten in de cloake en vervormt die tot twee gangen, de eene voor den
afvoer van de faecaalstoffen, de andere voor de latere wording van
het urogenitaalstelsel. In de zesde week van het embryonaal bestaan,
begint zich boven de cloake een knobbeltje te verheffen. In de tweede
maand zien wij, dat daarin een spleet ontstaat, die zich richt naar
dat gedeelte der spleet van de cloake, waaruit het urogenitaalstelsel
zal worden en die zich daarin voortzet. Rondom de spleet welven een
paar huidplooien op, terwijl er rondom het geheel een paar welvingen
ontwikkelen, de geslachtswrongen.
Wordt het aanstaande individu een vrouw, dan verandert er verder maar
heel weinig. Het knobbeltje groeit iets uit en wordt de clitoris,
waarom heen zich een huidplooi legt, het praeputium clitoridis,
terwijl het vooreinde zich verdikt en tot glans clitoridis wordt. De
geslachtsspleet verdiept en verwijdt zich en wordt tot vagina, terwijl
de geslachtsplooien die zich verder ontwikkelen tot labia minora, de
wrongen--door groote vetvorming uitgegroeid--tot labia majora worden.
Bij den man is de verandering die intreedt, grooter. Het knobbeltje
verlengt zich meer dan bij de vrouw en wordt de penis, de randen van
de geslachtsspleet groeien over de spleet heen en vormen de urethra,
de geslachtsplooien groeien aaneen, waardoor het scrotum ontstaat, dat
de neergedaalde testikels zal opnemen. De verschillende deelen der
geslachtsorganen kan men dus met elkaar vergelijken: de clitoris komt
overeen met den penis, de ovariën met de testikels, de labia met het
scrotum, de uterus met de prostata.
Geschiedt nu echter de groei dier deelen niet zoo regelmatig als wij
hierboven hebben aangegeven, maar blijven sommige deelen te vroeg in
hun groei staan en groeien andere deelen te ver, dan ontstaat het
individu, dat men met den naam "hermaphrodiet" bestempelt.
Deze naam is afgeleid van de namen ~Hermês~ (Hermes), en ~Aphroditê~
(Aphrodité), en is, volgens het verhaal door Ovidius in zijn
Metamorphosen meegedeeld, ontstaan, doordat de zoon van Hermes en van
Aphrodite zich in de bron Salmeikis baadde, waardoor de bronnymph
verliefd op hem werd. Wijl hij haar echter verstootte, smeekte zij de
Goden haar met het lichaam van haar geliefde te vereenigen. De goden
willigden het verzoek in en daaruit is het tweeslachtig wezen, de
"hermaphrodiet", geworden. Geoffroy Saint-Hilaire definieert het
hermaphroditisme als "de werkelijke of schijnbare, geheele of
gedeeltelijke aanwezigheid van twee sexen in hetzelfde individu".[6]
Reeds van de oudste tijden is het hermaphroditisme bekend en er
is geen godsdienst bijna, waarin niet (bij de polytheïstische) de
oppergod of (bij de monotheïstische) de godheid als een androgyne
wordt gedacht en voorgesteld. De Persische Mithras-Mithradienst,
de Egyptische Phtha en Isisdienst, hadden de voorstelling van een
androgyne godheid. De Japansche god "de geest der aarde" wordt als
twee-geslachtige godheid voorgesteld, en zelfs de Noorsche Frigadienst
laat de voorstelling van androgynie herkennen. Dat de Grieken zich
hun voornaamste Goden, Zeus, Aphrodite en Pan, als androgynen dachten,
evenals de Romeinen hun Priapus, bewijzen de kunstvoortbrengselen, die
ons van die tijden zijn overgebleven.[7]
Bij de Romeinen had men zeer vreemde opvattingen omtrent
hermaphrodieten. Plinius verhaalt van een volk ergens in Afrika, dat
geheel uit hermaphrodieten zou bestaan en deelt mee, dat hij zelf
getuige er van is geweest, dat een hermaphrodiet willekeurig van
geslacht kon veranderen. Bij de Wet der twaalf Tafelen was het den
haruspices geoorloofd den hermaphrodiet te dooden, omdat de crimen
laesae naturae niet ongestraft mocht blijven en de geboorte van een
hermaphrodiet allerlei rampen voor het land voorspelde. Diodorus deelt
mee, dat het verschijnen van een hermaphrodiet òf op de aanwezigheid
van een God op aarde wijst, die de zachtheid van de vrouw aan de
kracht van den man paart, òf dat het een voorspelling inhoudt van
groote rampen die over het land zullen komen.[8] Livius vermeldt
eenige gevallen, waarin een hermaphrodiet ter dood is gebracht.[9]
Over het algemeen schijnen de Romeinen zich nog al veel met het
hermaphroditisme te hebben bezig gehouden. In het Romeinsche recht
toch wordt verschillende malen van den hermaphrodiet melding gemaakt.
Ulpianus werpt de vragen op, of de hermaphrodiet mag getuigen,
of hij het vaderlijk gezag mag uitoefenen, of hij mag erven en
vindt een oplossing dààrin, dat hij zegt, dat het er van afhangt
welke sexe er in den hermaphrodiet praevaleert.[10] Later zijn de
gevoelens tegenover den hermaphrodiet gunstiger gestemd geworden,
vooral ten tijde van Nero, wijl deze een zoodanige voorliefde voor
hermaphrodieten schijnt te hebben gehad, dat hij zijn wagen bij
voorkeur door vier hermaphroditische paarden liet trekken.[11]
Niettegenstaande sommige kerkvaders in de middeleeuwen Jehova als
androgyn beschouwden, omdat hij Adam naar zijn evenbeeld had geschapen
en deze androgyn moet zijn geweest--immers "creavit Deus eum ad
imaginem suam, ad imaginem Dei creavit illum, masculum et feminam
creavit eos"--bracht men de hermaphrodieten toch ter dood, omdat men
meende, dat zij door God gezonden waren om zijn toorn te wreken en dat
zij het naderen van rampen voorspelden. Men was van meening, dat de
duivel er aan had deelgenomen, wanneer een hermaphrodiet werd geboren
en de moeder werd dan ook gestraft, terwijl in sommige gevallen ook
de vader niet vrijliep.[12] Bauhinius was nog op het einde van de 16e
eeuw van oordeel, dat een hermaphrodiet moest gedood worden, terwijl
Riolanus hetzelfde oordeelt in het begin van de 17e eeuw.[13] Later
werd men gunstiger tegenover hen gestemd en bepaalde men er zich toe,
om hen eenige rechten te ontzeggen. Wanneer een hermaphrodiet wilde
huwen en de sexe was onduidelijk, dan werd het aan hem overgelaten
een sexe te kiezen en mocht hij volgens die sexe huwen. Veranderen van
sexe of geslachtsgemeenschap hebben anders dan naar de gekozene sexe,
was niet geoorloofd en werd met den dood gestraft. Bauhinius verhaalt
van een hermaphrodieten monnik, die zwanger werd en ter dood werd
gebracht en voegt er aan toe: "Mas, Mulier, Monacus, Mundi Mirabile
Monstrum."[14] De gevallen van Anne, later Jean, Grandjean en Marie,
later Marin, Lemarcis, zijn beroemd geworden. Anne Grandjean was in
1732 in Grenoble geboren en als meisje opgevoed. Toen zij volwassen
was geworden, bemerkte zij dat zij eigenlijk een man was, nam den
naam van Jean Baptiste aan en trouwde met een vrouw. Toen dat bemerkt
werd, veroordeelde de rechtbank hem als "profanateur du Sacrément du
Mariage" tot verlies van eer, een lichamelijke straf en levenslange
verbanning. Hij werd vrijgesproken maar werd gedwongen om in het
vervolg altijd in vrouwenkleeren te gaan en om nooit meer met een
vrouw geslachtsgemeenschap te hebben.[15]
Marie Lemarcis, die ook bemerkte, dat zij een man was, zich daarom
Marin Lemarcis noemde, en met een vrouw wilde huwen, ontkwam ter
nauwernood den dood door ophanging, doordat een voor dien tijd beroemd
chirurg, Duval, tegen de expertise van vele anderen, verklaarde dat
hij een man was. Hij werd veroordeeld om minstens tot zijn vijf en
twintigste jaar vrouwenkleeren te dragen en het werd hem verboden om
geslachtelijke gemeenschap met welke sexe dan ook, te hebben.[15]
Ambroise Paré verhaalt hoe hij het heeft bijgewoond, dat een meisje,
door het springen over een sloot, plotseling van meisje jongen werd.
Het omgekeerde, zegt Paré, dat een jongen een meisje wordt, komt
nooit voor, "omdat de natuur altijd er naar streeft het volmaakte te
bereiken".[16]
Door de onderzoekingen in de laatste eeuw nu, is het wezen van den
hermaphrodiet beter bekend geworden en al weet men nog niet de oorzaak
waardoor het hermaphroditisme ontstaat, men weet waardoor het tot
stand komt. Wanneer bij een vrouwelijk individu de clitoris te groot
wordt, de labia gedeeltelijk of geheel vergroeien en, zooals vele
malen het geval is, er een hernia labialis (een breuk in een der
labia majora, het afdalen van een darmlis in een der labia majora)
bestaat; wanneer bij den man de penis niet de normale grootte bereikt,
de beide helften van het scrotum zich niet vereenigen en de plaats
der vergroeiing open blijft, de urethra zich eveneens niet sluit
(hypospadie), maar zich in de splijting van het scrotum voortzet,
wanneer daarbij de testikels niet in het scrotum dalen, maar in de
buikholte of in het lieskanaal blijven (cryptorchie), dan heeft men de
anatomische afwijking voor zich, die men met den naam van "uitwendig
hermaphroditisme" bestempelt.
Al naar gelang van de twee soorten of van de enkele soort van
teeltklieren, die in hetzelfde individu aanwezig zijn, terwijl de
aard der geslachtsgangen of der uitwendige geslachtsorganen bij
datzelfde individu, beiden of een van beiden, wel of niet met den aard
dier twee soorten of der enkele soort van teeltklieren overeenkomt,
verdeelt men de hermaphrodieten in "ware" en "onechte", onderscheidt
men den "hermaphroditus verus" (androgynie, gevallen waarin zoowel
testes als ovariën, onverschillig in welk stadium van ontwikkeling, in
hetzelfde individu aanwezig zijn, met normale of misvormde uitwendige
geslachtsorganen) en den "pseudohermaphroditus", den "hermaphroditus
spurius" (wanneer bij ééngeslachtelijke ontwikkeling der teeltklieren,
de inwendige en de uitwendige geslachtsorganen of een van beiden het
type van het andere geslacht naderen).
Men heeft het hermaphroditismus verus verdeeld in h. v. bilateralis,
unilateralis en lateralis, al naar gelang er in de buikholte aan beide
zijden een ovarium en een testis te samen zouden voorkomen, of wel
een ovarium èn een testis te samen aan de eene zijde en een ovarium
òf een testis aan de andere zijde, of ook wel een ovarium aan de eene,
een testis aan de andere zij. Theoretisch beredeneerd is een zoodanig
voorkomen van herm. ver. natuurlijk mogelijk. In werkelijkheid echter
is het bestaan er van nog nimmer vastgesteld en de eenige gevallen,
vijf in aantal, van herm. verus zijn die, waarin het voorkomen van
een zoogenaamden "ovotestis" is gevonden, het voorkomen namelijk van
een teeltklier, waarin zoowel ovariaal als testikulair weefsel door
het microscopisch onderzoek kon worden aangetoond. Onder de reeks
gevallen van herm. ver. die Neugebauer in zijn werk "Hermaphroditismus
beim Menschen" heeft opgeteld, zijn deze vijf de eenige waarbij
echt herm. ver. is aangetoond. De overige gevallen zijn niet door
een microscopisch onderzoek bewezen gevallen van herm. ver. te zijn
geweest, ofschoon men ze er wel voor had gehouden.[17]
Van meer praktisch belang dan ook zijn voor ons de pseudohermaphrodieten.
Men kan te doen hebben met een psh. externus, met een psh. internus of
met een psh. completus of externus _et_ internus. Bij den psh. internus
vindt men, behalve de inwendige geslachtsorganen die bij de sexe
van het individu behooren, min of meer ontwikkelde inwendige
geslachtsorganen van de andere sexe. Bij den psh. externus zijn de
uitwendige geslachtsorganen van het individu zoodanig vervormd, dat
men in twijfel kan verkeeren of men met vrouwelijke dan wel met
mannelijke uitwendige geslachtsorganen te doen heeft. Bij den psh.
completus ziet men de vereeniging van beide bovengenoemde afwijkingen.
Men geeft den psh. de sexe, die door de teeltklier wordt aangetoond.
Zoo vindt men bij den psh. intern. masc. behalve de testes en de
inwendige mannelijke geslachtsorganen, b.v. een min of meer goed
ontwikkelden uterus, bij den femininus, behalve de ovariën en de
inwendige vrouwelijke geslachtsorganen, b.v. resten van het vas
deferens.
Het meest van praktisch belang zijn voor ons de pseudoh. externi,
omdat het interne psh. niet gemakkelijk bij het leven kan worden
gediagnosticeerd en omdat het interne psh. meestal pas in aanmerking
komt, wanneer het externe psh. tot een onderzoek heeft aanleiding
gegeven.
Wat den hermaphrodiet of pseudohermaphrodiet betreft, wanneer men hem
uit het oogpunt beschouwt van medeburger in de samenleving, zoowel
de een als de ander kan zich als gewone, niet-misvormde menschen
gedragen en dikwijls vindt men dan ook geen enkel verschil tusschen
hun doen en laten en dat van den normaal-gevormden. Toch komen onder
pseudohermaphrodieten zeer veel geestesstoornissen en verschillende
afwijkingen op geestelijk en zedelijk gebied voor. Zonder nog zoo
ver te gaan als Debierre, die--terwijl hij den hermaphrodiet en den
pseudoh. onder de gedegenereerden rangschikt--hen in een toestand
acht, waardoor zij een of anderen dag alle symptomen van lijders aan
een degeneratie-psychose kunnen gaan vertoonen[18], zijn de meeste
schrijvers het er over eens, dat het meerendeel der pseudoh.--ofschoon
onder hen personen gevonden worden, die een uitstekend verstand en een
zeer goeden aanleg hebben--over het algemeen, niet zóó ontwikkeld is,
als normaal-gevormde menschen. De misvorming der teeltklieren en der
geslachtsorganen laat wel degelijk haar schadelijken invloed bij hen
gelden.[19]
De geslachtsdrift der meeste hermaphrodieten is gering, wat met
het oog daarop, dat hun teeltklieren nooit zóó als bij normalen
zijn ontwikkeld, niet te verwonderen is. Een enkele uitzondering
daargelaten, waarin inderdaad een normale of misschien verhoogde
potentie aanwezig is of was, moet men de verhalen der psh. op dat
gebied als overdreven betitelen en vooral mededeelingen van psh. dat
zij nu eens als man dan weer als vrouw geslachtsgemeenschap hebben
gehad of kunnen hebben, meestal als een weinig fantastisch en met
zekere restrictie aannemen.
De gevallen, waarin het voor den jurist en voor den medicus van belang
is van het hermaphroditisme of van het pseudohermaphroditisme op de
hoogte te zijn, zijn de volgende.
Ten eerste de gevallen van zoogenaamde "erreur de sexe", waarin
namelijk het individu door een vergissing is ingeschreven bij den
burgerlijken stand als behoorende tot de eene sexe en naderhand of op
later leeftijd bemerkt, dat hij tot de andere sexe behoort en nu van
sexe wil veranderen; 2e. gevallen van vergrijpen tegen de eerbaarheid,
3e. gevallen waarin een huwelijk blijkt te zijn gesloten met een
hermaphrodiet en waarin op grond daarvan, dat de vrouw eigenlijk
een man of de man eigenlijk een vrouw is, nietigverklaring van het
huwelijk gevraagd wordt.
Wat de eerste gevallen betreft, verwijs ik U naar wat ik U heb
meegedeeld van de beeldhouwster die nu als beeldhouwer in het
buitenland vertoeft en naar de historische verhalen van Marin Lemarcis
en Anne Grandjean, die wij zoo even hebben besproken. Omtrent de
aanslagen tegen de eerbaarheid wil ik u doen opmerken, dat het b.v.
zou kunnen geschieden, dat iemand beschuldigd wordt geslachtelijke
gemeenschap te hebben gehad met een vrouw, tegen haar wil of terwijl
zij in bewusteloozen toestand verkeert en dat het blijkt, dat deze
vrouw een pseudh. masculinus is, een geval van "erreur de sexe". Ook
kan ik mij het geval voorstellen, en het is ook geschied, dat een
man beschuldigd wordt geslachtsgemeenschap met een vrouw tegen haar
wil te hebben gehad en dat het blijkt, dat de verkrachter eigenlijk
een vrouwelijke psh. is. Het omgekeerde kan eveneens plaats hebben.
Ik herinner mij niet welke schrijver het geval meedeelt, van een
vroedvrouw, die beschuldigd werd onzedelijke handelingen te plegen
met vrouwen, die zij in haar verlossing had bijgestaan en van wie
het bij onderzoek bleek, dat deze vroedvrouw een mannelijke psh.
was. En wat de derde categorie aangaat, wil ik u doen opmerken, dat
Neugebauer verschillende gevallen, zoowel uit de literatuur als uit
eigen praktijk, aanhaalt, waarin de vrouw die wilde huwen of reeds
gehuwd was, bij onderzoek bleek een psh. masculinus te zijn, die
door een "erreur de sexe" als vrouw was opgevoed. Het is nog niet
zoo heel lang geleden, dat ik vernomen heb, dat een gynaecoloog
hier in Amsterdam, een dame op zijn spreekuur ontving, die hem kwam
consulteeren over de vraag of zij kinderen kon krijgen. Zij was al
eenige jaren getrouwd en zij en haar man waren zeer gelukkig, alleen
ontbrak aan hun geluk dat zij geen kinderen hadden. Bij onderzoek
bleek het den gynaecoloog, dat hij met een mannelijke psh. te doen
had, met een geval dus van "erreur de sexe". Hij is zoo verstandig
geweest, die "dame" met vage troostwoorden naar huis te zenden en haar
niet het geheim van haar sexe te openbaren, om niet twee menschen,
die heel gelukkig waren, ongelukkig te maken. Of de openbaring hem
iets zou hebben gebaat, staat te bezien. In bijna alle gevallen die
Neugebauer meedeelt, zijn de mannelijke psh. tòch als vrouw gehuwd en
hebben met hun man, die al of niet van hun toestand afwist, een zeer
gelukkig leven geleid. Neugebauer deelt mede, dat het hem ettelijke
malen is geschied, dat, wanneer hij den persoon op de erreur de sexe
opmerkzaam maakte, groot verdriet en onwil om van sexe te veranderen
het gevolg van zijn waarschuwing waren. Weinige maar stemden in
een verandering toe. In hoeverre bij de erreur de sexe de opvoeding
invloed heeft gehad, kan men niet goed bepalen. Moll ontkent dien
grooten invloed van de opvoeding op het sexueele leven of liever op
het zich man of vrouw voelen en zegt dat een of anderen dag de ware
sexe wel te voorschijn komt, tegen de verkeerde opvoeding in.[20]
Neugebauer is van tegenovergesteld oordeel en haalt eenige gevallen
aan, waarmee hij zijn opvatting bewijst.[21] Zeker is het, dat sommige
gevallen bekend en beschreven zijn, waarin, niettegenstaande de
verkeerde opvoeding, de echte sexe toch de overhand nam, terwijl
er andere voorbeelden zijn, waarin dat niet heeft plaats gehad. Het
is waarschijnlijk de kwestie en het hangt er van af, in welke mate
ontwikkeld de secundaire psychische geslachtskenmerken van de eene of
van de andere sexe al of niet aanwezig zijn.
Evengoed nu als er verwisseling om zoo te zeggen der primaire
geslachtskenmerken van de eene sexe naar de andere kan plaats vinden,
kan hetzelfde ook geschieden met de secundaire geslachtskenmerken.
De borsten, die in het algemeen goed ontwikkeld alleen bij vrouwen
voorkomen, terwijl de man slechts rudimenten--in ontwikkeling
achtergebleven--borsten vertoont, kunnen bij den man groeien en het
klierweefsel kan bij den man dermate ontwikkelen, dat de functie van
het mamma-weefsel aan die van de vrouwelijke borst gelijk wordt. In
de gevallen nu, waarin het borstklierweefsel bij den man even sterk
als bij de vrouw ontwikkeld is, heeft men te doen met wat men betitelt
met den naam van "gynaecomastie". Er zijn verschillende gevallen
bekend, waarin de man de functie van de vrouw overnam en in plaats
van deze, den zuigeling zoogde. In het bekende werk van Ploss-Bartels
"Das Weib", komen eenige zoodanige gevallen vermeld voor, onder andere
een door Alexander van Humboldt meegedeeld en een door Bernard van
Ornstein.[22] Darwin verhaalt van een neger, die zijn kind de borst
gaf en Geijll, de gynaecoloog, die vroeger te Dordrecht praktiseerde,
haalt verschillende gevallen aan, waarin òf de afgescheiden vloeistof
uit de mannenborst aan een microscopisch onderzoek is onderworpen en
waardoor is vastgesteld, dat de vloeistof inderdaad melk was, òf--en
deze gevallen door hem aangehaald, zijn door Volkmann, Israel, Stieda
en Gruber te boek gesteld--het mammaweefsel den bouw vertoonde van
dien der vrouwenborsten.[23]
Ook in den haar- en baardgroei vindt men die verwisseling. Ofschoon
het algemeen is, dat baard en snor alleen bij mannen voorkomen,
zijn er ettelijke gevallen bekend, waarin vrouwen een even
sterk-ontwikkelden baard droegen als een man. Bérillon te Parijs,
heeft in een boek "Les femmes à barbe" al de gevallen verzameld, die
bekend zijn van vrouwen met baarden. Twee "précieuses" uit de 17e
eeuw, Madame Pilou en Madame Cornual, waarover in de Mercure de France
van het jaar 1907 een uitstekend opstel is verschenen[24], waren
bekend om hun mannelijken haartooi.
Wij behoeven er niet op te wijzen, dat een verwisseling in stemklank,
een diepe stem bij de vrouw en een hooge stem bij den man, dikwijls
voorkomt. Bij den man heeft in de puberteit een verandering in zijn
stemgeluid plaats; hij krijgt, zooals het genoemd wordt "den baard in
de keel", zijn stemgeluid wordt dieper. Ettelijke gevallen zijn er
bekend--en men behoeft maar rondom zich te luisteren om het zelf op te
merken--waarin mannen een hooge vrouwenstem behouden, terwijl vrouwen
een stemgeluid laten hooren, dat aan dat van een man doet denken.
Zelfs in de twee meest eigenaardige uitdrukkingen van de psyche, in
het handschrift en in den gang, vindt men die verwisseling. Hoevele
mannen hebben niet een handschrift, dat aan dat van de vrouw doet
denken, terwijl vrouwen een handschrift vertoonen, dat zóó sprekend op
dat van een man gelijkt, dat men er zich zeer gemakkelijk in vergist.
Even goed echter als die verwisseling plaats heeft in de primaire en
in de secundaire geslachtskenmerken, kan een verwisseling voorkomen
in de laatste groep der geslachtskenmerken, in de groep waarin wij
de geslachtsrichting hebben gerangschikt, namelijk dat de vrouw
zich tot den man en de man zich tot de vrouw geslachtelijk voelt
aangetrokken. Het kan geschieden, dat juist het omgekeerde plaats
heeft en dat de man geslachtelijk voor den man, de vrouw geslachtelijk
voor de vrouw voelt. Waar dit het geval is, hebben wij te maken met
de groote groep van menschen, die--zooals Marc André Raffalovich
zegt--"dès leur jeunesse, avant la puberté, sont portés spontanément,
sentimentalement, sensuellement, sexuellement, amoureusement,
intellectuellement vers d'autres individus du même sexe"[25], met de
homosexueelen, de urningen, de uranisten.
De naam "homosexueel" is afgeleid van het Grieksche ~homoios~--de
gelijke en het latijnsche "sexualis", in tegenoverstelling met hen,
die zich tot personen van de andere sexe voelen aangetrokken en die
"heterosexueelen" worden genoemd, dat is afgeleid van het grieksche
"~heteros~"--de een van twee en het latijnsche "sexualis". Het woord
"urning" door de Franschen vermooid tot "uranist", is het eerst door
Numa Numantius gebruikt, het pseudoniem van Karl Heinrich Ulrichs,
en is afgeleid uit een plaats in het Symposion van Plato. De Grieken
onderscheidden twee Aphrodités, de oudste geboren uit Zeus en Dione
was de Aphrodité pandémos, de jongste--Aphrodité urania--is geboren
uit het zeeschuim, dat rondom het geslachtsorgaan van Zeus opspatte,
toen het door den jongste der Titanen, Kronos, was afgesneden en
in zee geworpen en is ontstaan zonder dat een vrouw aandeel in
haar wording heeft gehad. De Eros pandémos is de liefde waarmede
alle menschen beminnen, terwijl die van Urania, waaraan geen vrouw
heeft deel gehad, de liefde van mannen tot mannen is. De liefde van
mannen voor mannen heet "paederastie", die van vrouwen voor vrouwen
"tribadie", welke namen dikwijls verkeerdelijk voor de geslachtsdaad
worden gebruikt. De geslachtsdaad tusschen mannen heet "pedicatie",
die tusschen vrouwen "amor lesbicus", terwijl de spiritueele liefde
tusschen mannen den naam "amor platonicus", die tusschen vrouwen dien
van "amor sapphicus" draagt.
Ik zal in de volgende bladzijden voornamelijk van den mannelijken
homosexueel, van den uranist spreken, omdat van dezen het meeste
bekend is en omdat de vrouwelijke homosexualiteit nog niet zoo grondig
is bestudeerd, al komt deze waarschijnlijk in even groote mate als de
mannelijke voor.
Even wil ik de opmerking maken, dat men wel moet onderscheiden
tusschen den uranist en hem die homosexueele geslachtsdaden doet.
De uranist doet wel homosexueele geslachtsdaden, maar blijft altijd
uranist, dat is iemand die zich geslachtelijk uitsluitend tot
personen van zijn eigen sexe voelt aangetrokken, terwijl hij die
homosexueele daden doet zeer goed een heterosexueel kan zijn.
Homosexueele daden plegen en uranist-zijn is niet hetzelfde en er
ligt een hemelsbreed verschil tusschen den heterosexueel, die door
gebrek aan vrouwen (in pensionaten, op schepen, in gevangenissen
waar de gevangenen gemeenschappelijk zijn opgesloten enz. enz.), uit
winstbejag (prostitutie) of uit vriendschap, homosexueele daden met
een homosexueel of zelfs met een anderen heterosexueel pleegt en den
echten uranist. De eerste toch zal, wanneer de gelegenheid weer daar
is, tot het heterosexueel geslachtsverkeer teruggaan, zijn ware natuur
weer laten gelden, terwijl de ander, die ook zijn ware natuur laat
gelden, homosexueel zal blijven.
Homosexueel geslachtsverkeer, hetzij dan door echte uranisten
of door heterosexueelen, is al van de verste oudheid bekend. De
godsdienstplechtigheden voor Baäl gingen gepaard met homosexueele
geslachtsuitingen, evenals de plechtigheden bij den dienst van Isis.
Lydië, Syrië, Perzië waren bekend om het homosexueel geslachtsverkeer,
dat daar inheemsch was en het is waarschijnlijk daarop, dat Paulus
in zijn waarschuwing tegen den omgang met deze volken doelde.
Jezus had waarschijnlijk den uranist op het oog, toen hij (Mattheüs
19:12) sprak: "En er zijn gesnedenen die alzoo uit huns moeders
lichaam geboren worden.... begrijpe wie het kan". Bij de Joden
was de homosexueele geslachtsuiting strafbaar. In Leviticus 18:22
staat geschreven: "Bij een man zult gij niet liggen met vrouwelijke
bijligging, want het is een gruwel", terwijl in Leviticus 20:13
staat: "Wie bij een manspersoon zal hebben gelegen met vrouwelijke
bijligging, zij hebben beide een gruwel gedaan en zullen gedood
worden, hun bloed kome over hen". Herodotus en Hippocrates beschrijven
de verschijnselen van een ziekte die bij de Scythen voorkomt, de
Scythenziekte, ~thêleia nousos~, genaamd, waarbij de mannelijke personen
al de eigenschappen van een vrouw kregen en niet meer in staat waren
om voort te planten.[26] Dat het homosexueel geslachtsverkeer bij de
Grieken inheemsch was, bewijzen de legenden van Zeus en Ganymedes,
de overlevering van de verhouding tusschen Socrates en Alcibiades.
Ja, zoodanig was het homosexueel geslachtsverkeer in de Grieksche
maatschappij ingeweven, dat de geneesheeren, wanneer zij den eed
zwoeren, beloofden, in welk huis zij ook kwamen, dit alleen te
zullen doen voor het heil van de zieken "en zich te zullen onthouden
van wellustige daden op de lichamen der vrouwen en der mannen,
zoowel vrijen als slaven".[27] Wat het Romeinsche Rijk betreft,
heeft Petronius ons beschrijvingen van het dagelijksch leven der
Romeinen nagelaten, waaruit duidelijk blijkt hoezeer het homosexueel
geslachtsverkeer daar gewoonte was. Caesar, dien wij als een geheel
ander man zien, naar wat wij over hem hebben geleerd in "de Bello
Gallico", was bisexueel en werd "de man van alle vrouwen en de vrouw
van alle mannen" bijgenaamd. Nero's homosexualiteit en zijn verhouding
met den vrijgelatene Rufus zijn bekend, terwijl de uitspattingen van
Heliogabalus, die als zonnepriester zich bij voorkeur in vrouwelijke
kleêren vertoonde, door verschillende schrijvers vermeld zijn.
De verhouding van Hadrianus met Antinous, den prachtig-gevormden
jongeling, over wiens dood altijd een geheimzinnige sluier is
gebleven, is te dikwijls genoemd, dan dat ik er nog melding van behoef
te maken.
Ik wil hier en daar een greep uit de geschiedenis doen, en ga over
tot de middeleeuwen. In het werk van Karl Julius Weber, "Das Pabstthum
und die Päbste", lezen wij van de homosexueele daden die in de
kloosters in de middeleeuwen werden gepleegd, niettegenstaande het
telkens herhaald verbod en de straffen er op gesteld. Paul Zacchias
en Ludovicus Claepius hebben hoofdstukken in hun werken gewijd aan den
"Crimen sodomiae" en men vindt elders verhaald, hoe in den tijd der
minnestreelen, niettegenstaande de schijnbaar groote vereering voor
de vrouw, homosexueele handelingen naast die vereering voorkwamen.
Vorstelijke personen zijn uranist geweest. Wij noemen Jakobus den
eerste van Engeland en Eduard den derde. Aan het Fransche Hof waren
homosexualiteit en homosexueele geslachtsdaden zoo gebruikelijk
en zoo ingeweven, dat Elisabeth Charlotte, de schoonzuster van
Louis Quatorze aan de keurvorstin Sophie schreef: "wie zijn kind
lief heeft, moet het niet aan het Fransche hof sturen. De daden
waarom Sodom en Gomorrha zijn verwoest, zijn niets, vergeleken bij
de schandelijkheden die hier geschieden. Mannen leven met mannen,
vrouwen leven met vrouwen en behalve de koning, de koningin en de
Dauphin, is hier niemand te vertrouwen". De homosexueele daden en
het uranisme, gepaard met verregaande effeminatie, van den broer van
Louis Quatorze, van Philippe, Duc d'Orléans, waren algemeen bekend,
evenals zijn verhouding met den Chevalier de Lorraine en den Marquis
d'Effiat. Trouwens hij had een voorganger gehad in Hendrik den derde
die, psychosexueel hermaphrodiet, na eerst een heterosexueele liefde
te hebben gevoeld voor Marie de Clèves en andere vrouwen, zich later
als homosexueel deed kennen.[28] Duitschland is niet vrij gebleven
wat zijn vorsten betreft. Frederik de Groote en zijn broeder Heinrich
waren uranisten, evenals Rudolph de tweede van Habsburg, een feit dat
Heine in zijn Schlosslegende, die men alleen in de oude Hamburgsche
uitgaven vindt en die men uit de latere uitgaven heeft verwijderd,
heeft bezongen en die een van de redenen is geweest, of er zeker toe
heeft bijgedragen, dat men hem uit Duitschland heeft verbannen. Van
de latere Europeesche vorsten wil ik alleen Ludwig den 2e van Beijeren
noemen, den krankzinnig-geworden uranist, aan wien wij het te danken
hebben, dat de muziek van Wagner is bekend geworden[29], terwijl
ik--uit vrees dat ik misschien wegens majesteitsschennis zou vervolgd
worden--de namen van tegenwoordig levende vorstelijke personen liever
wil verzwijgen.
Ook onder geleerden vindt men uranisten. Winkelmann, de vriend van
Goethe, was uranist en werd te Triëst door Arcangeli, met wien hij
in een homosexueele verhouding leefde, vermoord. Johannes v. Müller
was uranist, even als de schrijver Grillparzer en de dichter August
v. Platen.[30] Michel Angelo was uranist, al wil men ook beweren,
dat hij wel degelijk een vrouwenliefde in zijn leven heeft gehad,
de liefde van Vittoria Colonna. Behalve zijn sonnetten, die--al is
het geen onomstootelijk bewijs--er voor pleiten, was zijn omgang
en zijn verhouding tot Thomaso de Cavalieri van dien aard, dat de
waarschijnlijkheid voor zijn homosexueel voelen een zeer groote is.
Ook bij latere artiesten vindt men uitgesproken uranisme. Oscar Wilde
was uranist, wat hem het proces heeft op den hals geschoven, dat
zijn veroordeeling tengevolge heeft gehad, een proces dat als een
der grootste schandalen in de historie der Engelsche rechtspleging
zal blijven bestaan.[31] Van Walt Whitman[32] zegt men, dat hij
uranist was, ofschoon er in den laatsten tijd stemmen opgaan, die het
tegendeel volhouden.[33] Paul Verlaine, de poète maudit, was bisexueel
en heeft, iets wat van algemeene bekendheid is, een homosexueele
verhouding met Arthur Rimbaud gehad.[34] Onder de krijgslieden kan
ik U le grand Condé noemen en generaal Mac Donald, die zich in den
Boerenoorlog heeft onderscheiden en den naam van "fighting Mac"
heeft gekregen.[35] Wanneer ooit een regeering zich huichelend en
verachtelijk heeft gedragen, is het de Engelsche geweest, die zelfs
geweigerd heeft, nadat Mac Donald om zijn uranisme in den dood was
gejaagd, zijn begrafenis met militaire eer te laten plaats hebben.
En ten laatste is het nog niet zoolang geleden, dat men zou vergeten
hebben, dat Krupp,[36] de groote industrieel, zich van het leven
heeft beroofd, omdat hij uranist zijnde, voor de vervolgingen waarmee
paragraaf 175 hem bedreigde, bevreesd was.[37] Het zou mij gemakkelijk
vallen deze lijst met nog vele namen te vergrooten.
Ofschoon er reeds in de geschriften van Restif de la Bretonne[38],
in die van Casanova[39], in die van Montesquieu[40] en die van
Voltaire[41] van de homosexualiteit en van het uranisme wordt melding
gemaakt, duurde het tot het einde van de 18e eeuw, voordat de aandacht
van de geleerden op het onderwerp werd gevestigd. Meiners[42] was
de eerste, die een aantal feiten verzamelde en die te boek stelde,
waaruit men over het uranisme en de homosexualiteit eenigszins op de
hoogte kon komen. Niettegenstaande na hem Ehrenberg[43], Brière de
Boismont[44], Hössli[45], Michéa[46] en anderen over het onderwerp
schreven, ging het vraagstuk onopgemerkt aan de aandacht voorbij
en was het Casper, de Duitsche gerechtelijk-geneeskundige, die in
het jaar 1852 de kwestie weer ter sprake bracht.[47] Merkwaardig
mag men het noemen, dat waar Casper reeds toen verkondigde, dat
homosexualiteit en uranisme niet altijd de gevolgen zijn van
zedebederf en van onzedelijkheid, de tegenovergestelde opvatting
door de jaren heen, niettegenstaande de tegenwerpingen van den
kant der nieuwere onderzoekers ingebracht, tot nu toe heeft stand
gehouden. Weer geraakte het vraagstuk op den achtergrond, totdat in
het jaar 1870 of omstreeks dien tijd v. Krafft-Ebing zijn beroemd
werk "Psychopathia sexualis" in het licht gaf. Kort vóór hem, had
de Hannoversche assessor Karl Heinrich Ulrichs, onder het pseudoniem
Numa Numantius, reeds in het jaar 1864, de eerste brochures van de
reeks van twaalf, over het uranisme het licht doen zien, waarin hij
het eerst den naam urning gebruikte.[48] Behalve dat Ulrichs op den
juristendag te München, waar hij zijn opvattingen over het vraagstuk
wilde verkondigen, bijna van het spreekgestoelte werd gesleurd en men
het hem door kabaal en fluiten onmogelijk maakte om zijn redevoering
ten einde te brengen, werd er niets gedaan om het vraagstuk dieper
te doorgronden. Na v. Krafft-Ebing echter, en door zijn werk, was
de aandacht voor goed op de kwestie gevestigd en weldra verschenen
er in Duitschland, even als in Frankrijk mededeelingen over gevallen
van homosexualiteit en uranisme. Toch bleef een geregeld doorgevoerde
studie nog uit, niettegenstaande Albert Moll zijn boek over "Konträre
Geschlechtsempfindung" had geschreven. Door het oprichten van het
"Wissenschaftlich-humanitäre Comitée" in het jaar 1898 door Dr.
Magnus Hirschfeld te Berlijn, dat ten doel heeft de geslachtelijke
tusschentoestanden en vooral de homosexualiteit te bestudeeren, werd
de aandacht voor goed op het vraagstuk gevestigd, vooral ook omdat een
van de eerste daden van het Comitée was, een petitie tot de Regeering
te richten, waarbij verzocht werd, paragraaf 175, de zoogenaamde
"urningen-paragraaf", uit het strafwetboek te verwijderen. Deze
paragraaf toch, hebben wij gezien, stelt de geslachtsuitingen tusschen
mannen strafbaar en geeft tot niet anders dan tot chantage aanleiding,
terwijl er tevens een groote onbillijkheid in ligt opgesloten, omdat
wel de geslachtsdaden tusschen mannen, maar niet die tusschen vrouwen
worden strafbaar gesteld.
Door het optreden van het Wissenschaftlich-humanitäre Comitée werd, om
zoo te zeggen, de betoovering gebroken, waarin het onderwerp scheen te
zijn bevangen en van alle kanten, zoowel in Duitschland als in andere
landen, zagen de werken over uranisme en homosexualiteit het licht.
In Duitschland waren het o. a. Näcke, Fuchs, Karsch, Iwan Bloch,
v. Schrenck-Notzing, Benedikt Friedländer, om maar enkele te noemen,
die hun onderzoekingen en hun opvattingen omtrent het vraagstuk het
licht deden zien. In Engeland begon Havelock Ellis een studie-reeks
over het normale en het afwijkende geslachtsleven, een boeken-rij
die--om de merkwaardigheid dient het vermeld te worden--vertaald in
het Duitsch en in Duitschland verschijnen moest, omdat de schrijver
in het prude Engeland geen uitgever voor werken, over een dergelijk
onderwerp handelend, kan vinden. In Frankrijk waren het Chevalier,
Laupts (een pseudoniem, zooals hij mij meedeelde, omdat hij onder
zijn eigen naam over dit onderwerp niet durft schrijven, uit angst
zijn betrekking te zullen verliezen), Laurent, Lacassagne, Raffalovich
(Marc André); in Italië Penta, die de Archivio di Psychopathie
sessuali uitgaf, waarvan--jammer genoeg--maar één jaargang het
licht heeft gezien, terwijl in ons land, behalve een opstel van
mijn hand in de Psychiatrische en neurologische bladen van het jaar
1891[49] het werkje "Ongekend leed" en "Het Uranisch gezin" van
Dr. v. Römer,[50] met het reeds genoemde rapport op het congres
voor crimineele anthropologie in het jaar 1901[51] en een brochure
die ik onder het pseudoniem "Karl Ihlfeld" heb geschreven,[52] het
licht zagen. Een vertaling van het boekje van Wirz "Der Uraniër
vor Kirche und H. Schrift"[53], alsmede een vertaling van het werk
van Hirschfeld "Ursache und Wesen des Uranismus"[54] zijn daarna in
Holland uitgegeven.
Gaan wij na welke opvattingen er over het uranisme en over de
homosexualiteit heerschen, dan zien wij, dat vier opvattingen
voornamelijk om den voorrang strijden.