KOOPMAN. Een achtbaar man, een Syracusisch koopman,
Kwam tot zijn ongeluk alhier aan wal,--
Wat tegen onze wetten strijdt,--en wordt
Om dit vergrijp in 't openbaar onthoofd.
ANGELO. Daar zijn zij; wonen wij de onthoofding bij.
LUCIANA. Kniel voor den hertog, eer hij verder gaat.
(De Hertog met zijn Gevolg, Ægeon, blootshoofds, vergezeld van
den Beul en andere Gerechtsdienaars, komen op.)
HERTOG. Nog eenmaal zij het openlijk verkondigd;
Wanneer een vriend de som voor hem betaalt,
Dan sterft hij niet; dit sta ik hem nog toe.
ADRIANA. O vorst! mijn recht! bescherm mij voor de abdis!
HERTOG. De deugdzame en zoo hoog-eerwaarde vrouw!
Onmoog'lijk is 't, dat zij u onrecht deed.
ADRIANA. Vergun mij, edel vorst: Antipholus,
Mijn man, dien ik, op aandrang van uw hoogheid,
Tot heer van mij en 't mijne maakte, werd
Deez' boozen dag van razernij bevangen,
Zoodat hij, met zijn even dollen dienaar,
Als een bezeet'ne door de straten liep,
En tot ontstelt'nis van de burgers, binnen
Hun huizen drong, juweelen roofde, ringen,
Ja alles, waar zijn razend oog op viel.
Ik liet hem binden, voeren in ons huis,
En ging toen uit om weder goed te maken,
Wat hier of daar zijn woede had misdaan.
Maar,--'k weet niet, hoe zijn dolheid er in slaagde,--
Dra was hij los, ontsnapt aan zijn bewakers,
Ontmoet ons weer, zijn dolle slaaf en hij;
En beide', ontvlamd in woede, 't zwaard ontbloot,
Zij dringen op ons aan, en wij, wij vluchten,
Maar keeren dra, door hulp versterkt, terug,
Om hen op nieuw te binden. Zij ontvluchten,
Door ons vervolgd, in deze abdij; en hier
Sluit nu de abdis de poort voor ons en weigert
Aan ons verlof, dat wij hem komen halen,
En weigert ook, hem aan ons uit te leev'ren.
Gelast dus, eed'le hertog, dat hij ons
Gebracht word' ter verpleging in zijn huis. 160
HERTOG. Uw man heeft mij in de' oorlog goed gediend,
En ik heb u mijn vorstlijk woord verpand,
Toen gij als heer en meester hem aanvaarddet,
Door daden steeds hem alle gunst te toonen.
Kloppe een van u dus aan de kloosterpoort;
Ik wensch de abdis te hooren, want ik wil
De zaak beslechten, eer ik verder ga.
(Een Dienaar komt op.)
DIENAAR. Meest'res, meest'res, o snel! en red u, snel!
Want heer en dienaar zijn weer los, de meiden
Geranseld en de dokter vastgebonden;
Dien zengden zij met brandend hout den baard;
En als die vlamde, goten zij met kuipen
Er stinkende aalt op om het haar te blusschen.
Mijn meester preekt geduld hem voor, terwijl
De knecht het hoofd hem kaal-knipt als een nar;
Als gij niet oogenblikk'lijk bijstand zendt,
Dan dooden zij den duivelbanner nog.
ADRIANA. Stil, dwaas! uw meester en zijn knecht zijn hier;
Onwaar is alles, wat gij daar bericht.
DIENAAR. Neen, neen, meest'res, ik zweer u, het is waar;
Ik haalde nauwlijks adem, sinds ik 't zag.
Hij schreeuwt om u, en zweert, dat, heeft hij u,
Hij u 't gelaat verzengt, ontoonbaar maakt.
(Geschreeuw achter het tooneel.)
Hoor, hoor! daar is hij reeds, ik bid u, vlucht.
HERTOG. Kom bij mij hier; ducht niets; de wacht treê voor.
ADRIANA. Wee mij, het is mijn man! Getuig nu zelf,
Dat een onzichtb're toovermacht hem drijft!
Zoo even was hij in de abdij verborgen,
Nu is hij weder hier, geen mensch weet hoe.
(Antipholus van Ephesus en Dromio van Ephesus komen op.)
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Doe recht, genadig vorst, verschaf mij recht,
Ter wille van mijn diensten in den krijg,
Toen ik u dekte met mijn lijf als schild,
Gewond werd tot uw redding; 'k vraag bij 't bloed,
Dat ik voor u toen stortte, schaf mij recht.
ÆGEON. Als mij de doodsangst niet benevelt, zie ik
Mijn zoon Antipholus en Dromio daar.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Verschaf mij recht, heer, tegen deze vrouw!
Zij, die gij mij als echtgenoot eens schonkt,
Heeft mij belaagd, beleedigd en onteerd,
Heeft mij gekrenkt, ja boven alle maat.
O, ongelooflijk is de smaad, dien zij
Mij schaamt'loos dezen dag heeft aangedaan.
HERTOG. Zeg hoe, en u zal alle recht geworden.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zij sloot, doorluchte vorst, het huis voor mij,
Terwijl zij binnen met schavuiten braste. 205
HERTOG. Een zwaar vergrijp! Zeg, vrouwe, deedt ge aldus?
ADRIANA. Neen, eed'le vorst; hijzelf, ik en mijn zuster,
Wij aten samen thuis. God straff' mijn ziel,
Als hij mij daar niet gruwlijk valsch beticht.
LUCIANA. 'k Wil nooit den dag meer zien, des nachts nooit slapen,
Als zij uw hoogheid niet de waarheid meldt.
ANGELO. O, valsche vrouwen! Beiden zweren valsch;
Op dit punt heeft de dolleman gelijk.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Mijn vorst en heer! ik weet wel wat ik zeg;
'k Ben niet door wijn beneveld, ben niet dol,
Niet blind door woede, schoon, wat mij weêrvoer,
Genoeg ware, om een wijs man gek te maken.
Die vrouw sloot mij de deur bij 't middagmaal,
En is de goudsmid hier niet in 't komplot,
Hij kan 't getuigen, want hij was er bij.
Van daar ging hij voor mij een keten halen,
Die hij me in de' Egel brengen zou, want daar
Heb ik met Balthazar gemiddagmaald.
Toen hij na 't maal nog niet gekomen was,
Ging ik hem zoeken, kwam op straat hem tegen,
En deze heer was bij hem. Maar daar zwoer
Die valsche goudsmid mij een duren eed,
Dat hij de keten mij gegeven had,
Die ik, bij God, nooit had gezien, en liet
Mij daad'lijk voor 't bedrag in hecht'nis nemen.
Ik heb mij niet verzet, maar zond mijn lummel
Naar huis om geld; hij keerde zonder geld.
Toen heb ik mijn bewaker overreed,
Dat hij mij naar mijn huis zou vergezellen.
Op weg daarheen ontmoetten wij
Mijn vrouw, haar zuster en een gansche bent
Van lage saamgezwoor'nen, onder hen
Een zeek'ren Knijp, een schralen maag'ren deugniet,
Een wandelend geraamte, een marktbedrieger,
Een kalen kunstenmaker en voorspeller,
Holoogig, scherp van trekken en in lompen,
Een levend lijk. Dat aak'lig monster gaf
Zich, waarlijk! uit voor duivelbanner, kijkt mij
In de oogen, voelt mijn pols, en keert
Brutaal zijn niet-gezicht naar mijn gezicht,
En roept: "Hij is bezeten!" Toen werpt alles
Zich op mij, bindt mij, sleept mij weg naar huis,
En brengt mij daar, te zaam met Dromio,
Gebonden, in een kil en donker hok. 247
Mijn banden reet ik met mijn tanden stuk,
Herwon mijn vrijheid en liep onverwijld
Hier tot uw hoogheid, wien ik dringend smeek,
Genadig mij voldoening te verschaffen
Voor een behand'ling, zoo vol schande en smaad.
ANGELO. Mijn vorst, in waarheid, dit getuig ik meê;
Hij spijsde niet te huis, men sloot hem buiten.
HERTOG. Maar gaaft gij hem de keten, ja of neen?
ANGELO. Gewis, heer, en toen hij naar binnen vlood,
Zag ieder hier de keten om zijn hals.
KOOPMAN. En ik kan ook bezweren, dat mijn ooren
De erkent'nis hoorden van de ontvangst, en toch,
Gij hadt die vroeger op de markt geloochend.
En daarop trok ik tegen u het zwaard,
En zijt gij hier het klooster ingevlucht,
Van waar ge, als door een wonder, hier weer staat.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik zette nooit een voet in deze abdij;
Nooit trokt gij tegen mij het zwaard, en 'k heb
De keten nooit gezien. God sta mij bij!
Waar gij mij meê bezwaart, 't is alles logen.
HERTOG. Dit is een zaak vol wondervreemde raadsels!
Het schijnt, gij allen dronkt uit Circe's nap.
Waar' hij hier ingevlucht, hij zou er zijn;
En waar' hij dol, hij pleitte niet zoo kalm.
Gij zegt, hij at bij u; de goudsmid hier
Ontkent dit stellig.--Knaap, en wat zegt gij?
DROMIO VAN EPHESUS. Mijn vorst, hij at bij die daar ginds, in de' Egel.
COURTISANE. Zoo is 't, en trok dien ring mij van den vinger.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. 't Is waar, mijn vorst, dien ring heb ik
van haar.
HERTOG. En zaagt gij hem de abdij hier binnengaan?
COURTISANE. Zoo zeker, heer, als ik uw hoogheid zie.
HERTOG. 't Is wondervreemd;--ga, roep de abdis nu hier;
Gij speelt een spel, of uw verstand loopt spelen.
(Een van het Gevolg af.)
ÆGEON. Grootmoedig vorst, vergun me een enkel woord;
Waarschijnlijk is een vriend daar, die mij redden,
De som, die mij bevrijdt, betalen zal.
HERTOG. Spreek, Syracuser, wat gij wilt; spreek vrij.
ÆGEON. Uw naam, heer, is Antipholus, niet waar?
En die man is uw dienaar Dromio? 287
DROMIO VAN EPHESUS. Tot voor een uur was ik zijn dienaar, heer;
Maar thans heeft hij mijn banden doorgeknaagd,
Dus ben ik, Dromio, thans door hem gediend.
ÆGEON. Gij beiden zult u mijner wis herinn'ren.
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, wij herinn'ren ons ons-zelf door u:
Wij waren pas in banden zooals gij;
Doch gij zijt geen patiënt van Knijp, niet waar?
ÆGEON. Wat ziet gij vreemd mij aan? gij kent mij wel.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik heb u nooit gezien, heer, vóór dit uur.
ÆGEON. Sinds gij mij zaagt, heeft droef'nis mij veranderd;
Door zorgvolle uren heeft de maag're hand
Des Tijds mij vreemde trekken ingegrift:
Maar zeg mij dan, mijn stem herkent gij toch?
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ook niet.
ÆGEON. En Dromio, gij?
DROMIO VAN EPHESUS. Ik ook niet, heer.
ÆGEON. Gij kent die zeker.
DROMIO VAN EPHESUS. Nu, heer, even zeker ken ik ze niet; en wat ook
iemand u moge ontkennen, gij zijt nu gebonden om hem te gelooven.
ÆGEON. Mijn stem zelfs niet! O, wreede macht des Tijds!
Hebt gij in zeven jaar mijn arme tong
Doorboord, gesplitst, zoodat mijn een'ge zoon
Den zwakken toon niet kent mijns schorren kommers?
Zij mijn gerimpeld aangezicht bedekt
Met 's winters doodsche vlokkensneeuw, en werden
De buizen van mijn bloed verstijfd, toch heeft
De nacht mijns levens nog herinnering,
Mijn kwijnend lampenpaar een schemerschijn,
Mijn oor, schoon doof, nog iets gehoors; en die
Getuigen, die mij bleven, zeggen mij:
Voorwaar, gij zijt mijn zoon Antipholus.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik heb mijn vader nooit, neen, nooit gezien.
ÆGEON. Wij scheiden voor pas zeven jaar, bedenk het,
In Syracuse, knaap. Zeg, schaamt ge u, zoon,
Nu ik ellendig ben, mij te herkennen?
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. De hertog, en een elk, die hier mij kent,
Zijn mijn getuigen, dat het niet zoo is;
Ik ben in Syracuse nooit geweest. 325
HERTOG. Ik zeg u, Syracuser, twintig jaar
Was ik beschermer van Antipholus,
En zoo lang was hij nooit in Syracuse.
Wis maken ouderdom en angst u kindsch.
(De Abdis komt op, met Antipholus van Syracuse en Dromio van
Syracuse.)
ABDIS. Zie, vorst, een man, die bitter onrecht leed.
(Allen dringen om hen heen, om hen te zien.)
ADRIANA. Twee echtgenooten, of mijn oog bedriegt mij.
HERTOG. De een moet geleigeest van den ander zijn,
En zoo de dienaars ook! Wie is de mensch,
En wie de geest? wie kan hen onderkennen?
DROMIO VAN SYRACUSE. Ik, heer, ben Dromio, laat dezen gaan.
DROMIO VAN EPHESUS. Ik, heer, ben Dromio, laat mij hier staan.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wie zijt gij, spreek! Ægeon of zijn geest?
DROMIO VAN SYRACUSE. Mijn oude meester! wie heeft u geboeid?
ABDIS. Wie hem ook boeide, ik maak zijn handen los,
En win een echtgenoot door zijn bevrijding.
Spreek, oude Ægeon, als gij 't zijt, die eens
Een vrouw, met name Æmilia, bezat,
Die op één dag twee schoone zoons u schonk,
Als gij dezelfde Ægeon zijt, zoo spreek,
En spreek dan tot die zelfde Æmilia!
ÆGEON. Als ik niet droom, zijt gij Æmilia!
En zijt gij dat, zoo meld mij van den zoon,
Die met u dreef op dien onzaal'gen mast.
ABDIS. Door Epidamniërs werden hij en ik,
En ook de tweeling Dromio gered;
Doch weldra namen visschers van Corinthe
Hun met geweld mijn zoon en Dromio af,
Maar lieten mij aan die van Epidamnum.
Wat later van hen werd, bleef me onbekend;
En mij viel 't lot ten deel, dat gij hier ziet.
HERTOG. 't Verhaal van dezen morgen gaat nu voort:
Die twee Antipholussen, zoo gelijk,
En die twee Dromio's, ook van uitzicht één,--
En dan wat zij daar van die schipbreuk meldde;--
Ja, dit zijn de ouders van die beide kind'ren,
Die hier het toeval samen heeft gebracht.
Antipholus, gij kwaamt dus van Corinthe?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Niet ik, heer, neen; ik kwam van Syracuse.