Voor een vrouwenklooster.
De Koopman en Angelo komen op.
ANGELO. Het spijt mij, heer, dat ik uw reis vertraagde,
Maar 'k zweer u, dat ik hem de keten gaf,
Al is hij laag genoeg om dit te looch'nen.
KOOPMAN. Hoe staat de man hier in de stad bekend?
ANGELO. Hij heeft een besten naam, heer; zijn crediet
Is onbeperkt, hij algemeen bemind;
Hij is van de allereersten van de stad,
Ja, meer dan mijn vermogen geldt zijn woord.
KOOPMAN. Spreek zacht, want als ik wel zie, komt hij ginds.
(Antipholus van Syracuse en Dromio van Syracuse komen op.)
ANGELO. Hij is 't; met de eigen keten om den hals,
Die hij, bij hoog en laag, nooit had gezien!
Verzel mij, waarde heer, ik spreek hem aan.--
Signor Antipholus, ik sta verbaasd, 13
Dat gij in ongelegenheid mij brengt,
En, waarlijk niet in 't voordeel van uw naam,
Door woord en eed de ontvangst geloochend hebt
Der keten, die gij openlijk nu draagt.
Gezwegen nog van de aanklacht, schande en gijz'ling,
Deedt ge onrecht, schade aan deez' mijn wakk'ren vriend,
Die, had hem onze twist niet opgehouden,
Nu onder zeil zou zijn, in volle zee.
Ik leverde u die keten; kunt gij 't looch'nen?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gij deedt het, zeker; ik ontkende 't nooit.
KOOPMAN. Dit deedt gij wel, heer; ja, gij zwoert er op.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wie hoorde die verlooch'ning; wie dien eed?
KOOPMAN. Gij weet wel, dat mijn eigen ooren 't hoorden.
Ellend'ling foei! 't is zonde, dat gij leeft,
En nog verkeert waar brave lieden zijn.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Een lage schurk zijt gij, die zoo mij hoont.
Durft gij mij staan, dan zal ik tot uw straf
Mijn eer en eerlijkheid terstond u staven.
KOOPMAN. Ik durf, en staaf, dat gij de schurk hier zijt.
(Zij trekken de degens.)
(Adriana, Luciana, de Courtisane en Anderen komen op.)
ADRIANA. Houd op, doe hem geen leed; hij is waanzinnig.--33
Dringt tot hem door, ontwapent hem; en bindt
Ook Dromio, en voert hen naar mijn huis.
DROMIO VAN SYRACUSE. Loop, meester, loop; ga, red u in een huis,
In 't klooster hier; vlucht, of wij zijn verloren!
(Antipholus en Dromio van Syracuse vluchten in het klooster.)
(De Abdis komt op.)
ABDIS. Stil, menschen! Wat is 't doel van dezen oploop?
ADRIANA. Mijn van 't verstand beroofden man te halen.
Ach, laat ons in, opdat wij hem weer binden
En ter verpleging voeren naar zijn huis.
ANGELO. Ik wist wel, dat hij in de war moest zijn.
KOOPMAN. Nu is 't mij leed, dat ik den degen trok.
ABDIS. Hoe lang is 't, dat uw man waanzinnig werd?
ADRIANA. Hij was, de gansche week, zwaarmoedig, stil,
Ontstemd, een ander man dan ooit te voren,
Doch niet dan dezen middag heeft zijn stemming
Zich in een vlaag van razernij geuit.
ABDIS. Is hem een kostlijk schip op zee vergaan?
Een dierb're vriend gestorven? Heeft zijn oog
Misschien zijn hart verleid tot laakb're min?
Die zonde is vaak een zwak van jonge mannen,
Die al te vrij hun oogen zwerven doen.
Wat van dit alles was het, dat hem trof?
ADRIANA. Niets van dit alles, of misschien het laatste:
Een liefje, dat hem aftrok van zijn huis.
ABDIS. Hadt dan daarover ernstig hem berispt!
ADRIANA. Dit deed ik wel.
ABDIS. Misschien niet streng genoeg.
ADRIANA. Zoo streng als mij de zedigheid maar toeliet.
ABDIS. Als gij alleen waart?
ADRIANA. Ook wel in gezelschap.
ABDIS. Maar moog'lijk niet genoeg.
ADRIANA. O, wel genoeg; nooit sprak ik van iets anders;
In bed, geen slaap ooit, want ik wees er op;
Alleen met hem, was dit mijn onderwerp;
En waren we onder menschen, 'k doelde er op;
"'t Was laag en slecht", ziedaar mijn gansch gesprek.
ABDIS. En daardoor werd de man ten laatste gek;
't Venijnig razen van jaloersche vrouwen
Doodt wisser dan de beet eens dollen honds;
Door uw gekijf werd hij belet te slapen,
En daardoor werd hij eindlijk zwak in 't hoofd;
Met uw verwijten werd zijn maal gesausd;
Onrustig eten stoort de spijsvertering; 74
Zoo werd het woedend vuur der koorts gewekt;
En wat is koorts, zoo niet een vlaag van waanzin?
Gij zegt, uw kijven stoorde zijn vermaken;
Maar roof eens ied're vroolijkheid,--wat volgt?
Wat, dan droefgeestigheid, dof, zwart, de zuster
Van radelooze, onstuimige vertwijf'ling
Met haren langen stoet, verderf verspreidend,
Van bleeke kwalen, vijanden van 't leven?
Wie in zijn maal, vermaak en slaap aldoor
Gestoord wordt, mensch of dier, bezwijkt er voor,
Wordt suf of dol. Dus: voor uw ijverzucht
Nam wis uws mans verstand in 't eind de vlucht.
LUCIANA. Wat ze ooit verweet, zij deed het zacht, ja schuw;
Al was ook zijn gedrag wild, woest en ruw.--
Wat hoort gij haar verwijten, en zegt niets?
ADRIANA. Zij heeft mij bitter zelfverwijt gewekt.--
Naar binnen, vrienden! haalt mijn man nu hier!
ABDIS. Neen, neen; geen schepsel treedt mijn woning binnen.
ADRIANA. Geeft dan uw dienaars last mijn man te brengen.
ABDIS. Ook dit niet; in een vrijplaats borg hij zich;
En die zal hem beschermen voor uw hand,
Tot ik hem zijn verstand hergeven heb,
Of al mijn moeite en zorgen ijdel blijken.
ADRIANA. Neen, ik ben pleegster van mijn man; ik wil
Zijn krankheid heelen, dit is mijne taak;
En hierbij trede niemand in mijn plaats;
Sta dus hem af, dat ik hem met mij neem'.
ABDIS. Bedaar; hij zal niet gaan, eer ik mijn schat
Van welgestaafde midd'len heb beproefd,
Mijn kruiden, dranken, heilige gebeden,
Om hem een man als vroeger te doen zijn.
Dit is van de gelofte, die ik deed,
Een deel, een heil'ge liefdeplicht der orde;
Daarom, ga heen en laat hem hier bij mij.
ADRIANA. Ik gaan, met achterlating van mijn man?
Voorwaar, het is geen heilig doen, als gij
De vrouw wilt scheiden van haar echtgenoot.
ABDIS. Bedaar, ga heen; ik lever hem niet uit.
(Abdis af.)
LUCIANA. Klaag over deze krenking bij den hertog.
ADRIANA. Kom mede, ik wil een voetval voor hem doen,
En rijs niet, eer mijn tranen en gebeden
Van hem verwerven, dat hij herwaarts koom',
En aan de abdis mijn man door kracht ontrukk'.
KOOPMAN. De zonnewijzer, meen ik, wijst op vijf;
Zoo daad'lijk komt de hertog zelf hier langs
Op zijnen weg naar 't somber dal des doods,
De plaatse, waar het halsrecht wordt gehouden;
Zij ligt aan de overzij der kloostergracht.