HERTOG. Treed dan ter zijde; ik weet niet, wien ik zie. 364

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ja, ik, doorluchte vorst, kwam van Corinthe.

DROMIO VAN EPHESUS. En ik met hem.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Hierheen gebracht door hertog Menaphron,

Den hoogberoemden krijgsheld, uwen oom.

ADRIANA. Wie van u beiden at vandaag bij mij?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik, eed'le vrouw.

ADRIANA. En gij zijt niet mijn man?

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Neen, neen, zeg ik daarop.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dat zeg ik ook; toch noemde zij mij zoo;

En deze schoone jonkvrouw, hare zuster,

Sprak steeds van zwager.--(Tot Luciana.) Wat ik toen u zeide,

Dit worde, wensch ik vurig, dra vervuld,

Zoo niet al wat ik zie en hoor, een droom is.

ANGELO. Dat is de keten, heer, die ik u gaf.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En mij, heer, deedt gij voor die keten

gijz'len.

ANGELO. Ik meen het ook, heer; ik ontken het niet.

ADRIANA. Ik zond u, heer, voor uwen borgtocht geld,

Door Dromio; maar 't schijnt, hij bracht het niet.

DROMIO VAN EPHESUS. Neen, niet door mij.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. De buidel met dukaten kwam tot mij;

En Dromio, mijn dienaar, bracht mij dien.

Zoo trof staâg de een den dienaar van den ander;

Ik werd voor hem gehouden, hij voor mij,

En zoo ontstonden die vergissingen.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Dat goud zij nu de losprijs van mijn vader.

HERTOG. Behoud het vrij; ik schonk hem 't leven reeds.

COURTISANE. Heer, geef mijn diamant mij nu terug.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Hier is hij, met mijn' dank voor 't goed

onthaal.

ABDIS. Doorluchte hertog, sta de gunst mij toe

Van met ons in de abdij te gaan, en hoor

Uitvoerig, wat ons ieder is weervaren;

En allen, die hier nu verzameld zijt,

En meegeleden hebt door al de dwaling

Van éénen dag, treedt binnen; allen zullen

Ten volle, zoo ik hoop, bevredigd zijn.--399

Sinds vijf en twintig jaar, mijn zonen, was ik

In arbeid over u en eerst dit uur

Werd ik van mijnen zwaren last bevrijd.--

Mijn vorst, mijn echtgenoot en tweetal zoons,

En gij, kalenders van hun levenstijd,

Gaat op ten doopfeest; weest met mij verblijd;

Wat dag, na lange smart aan vreugd gewijd!

HERTOG. Ja! gaarne zal ik peter zijn op 't feest.

(De Hertog, de Abdis, Ægeon, de Courtisane, de Koopman, Angelo

en het Gevolg af.)

DROMIO VAN SYRACUSE. Zal ik uw goed, heer, nu van boord gaan halen?

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wat hebt gij, Dromio, van mij ingescheept?

DROMIO VAN SYRACUSE. Heer, wat van u in den Centaurus lag.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hij spreekt tot mij. Ik ben uw meester,

Dromio;

Ga thans maar mee; dat alles komt te recht.

Omarm uw broeder, wees met hem verheugd.

(Antipholus van Syracuse, Antipholus van Ephesus, Adriana en

Luciana af.)

DROMIO VAN SYRACUSE. Dat dikke lief van u, ginds in uw huis,

Die mij voor u tot keukenman wou maken,

Zal nu mijn zuster wezen, niet mijn vrouw.

DROMIO VAN EPHESUS. Mij dunkt, gij zijt mijn spiegel, niet mijn

broeder;

Ik zie aan u, ik ben een knap jongmensch.

Komaan, naar binnen, om bij 't feest te zijn.

DROMIO VAN SYRACUSE. Ga voor, man; gij zijt de oudste.

DROMIO VAN EPHESUS. Dat is de vraag, hoe zullen wij 't beslissen?

DROMIO VAN SYRACUSE. Wij zullen om 't langste strootje trekken voor

de eerstgeboorte; ga tot zoo lang voor.

DROMIO VAN EPHESUS. Neen, dan zij 't zoo:

Wij sprongen samen de wereld in, als broeders, met elkander;

Zoo gaan wij nu samen hand aan hand, en de een niet na den ander.

(Beiden af.)

De Klucht der Vergissingen · 第 27 / 30 题