ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zot, met dat eind is hier uw welkomst dan.
(Hij slaat hem.)
GERECHTSDIENAAR. Geduld, mijn waarde heer, geduld.
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, het is aan mij, geduld te hebben; ik ben
de lijdende partij.
GERECHTSDIENAAR. Kom aan, hou je mond.
DROMIO VAN EPHESUS. Neen, beduid hem liever, zijn handen thuis
te houden.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij, vervloekte, zinnelooze vlegel!
DROMIO VAN EPHESUS. Ik wou, heer, dat het waar was, dat ik mijn vijf
zinnen niet had; dan voelde ik uw slagen niet.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij hebt voor niets gevoel dan voor slagen,
precies als een ezel.
DROMIO VAN EPHESUS. Ja, ik ben een ezel, inderdaad; 't is aan mijn
ooren te zien, die lang zijn door uw trekken.--Ik heb hem gediend
van het uur van mijn geboorte tot dit oogenblik toe, en krijg voor
mijn diensten niets uit zijn handen dan slagen. Als ik koud ben,
maakt hij mij warm door slaan, als ik warm ben, koud door slaan;
ik word er mee gewekt, als ik slaap; opgejaagd, als ik zit, uit de
deur gedreven, als ik uitga, er mee verwelkomd, als ik thuis kom;
ja, ik draag het op mijn schouders, net als een bedelaarster haar
kind meedraagt; en ik vrees, als hij mij kreupel geslagen heeft,
zal ik er mee moeten bedelen van deur tot deur.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Kom, ga nu mee; ik zie mijn vrouw daar komen.
(Adriana, Luciana, de Courtisane en Knijp komen op.)
DROMIO VAN EPHESUS. Meesteres, "Respice finem", denk aan uw einde,
of liever aan de voorspelling van den papegaai: "Pas op voor het
eindje touw!"
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Maakt gij nog praatjes?
(Hij slaat hem.)
COURTISANE. Wat zegt gij nu wel? is uw man niet dol?
ADRIANA. Zijn woestheid stelt het buiten allen twijfel.
Gij zijt een duivelbanner, dokter Knijp;
Geef, beste heer, hem zijn verstand terug,
En wat gij vordert, zal ik u betalen.