LUCIANA. Och, och! wat ziet hij wild en grimmig rond! 53

COURTISANE. Ziet, hoe hij trilt en beeft van razernij!

KNIJP. Geef mij uw hand en laat me uw pols eens voelen.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Hier is mijn hand en dat uw oor die voel'!

(Hij geeft hem een oorveeg.)

KNIJP. Gij satan, die in dezen mensche huist,

Ik zeg u, wijk voor mijn volheilig bidden,

En spoed u heen naar 't rijk der duisternis;

Bij alle heil'gen, geef gehoor, ik ban u!

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zwijg, suffe toov'naar, zwijg, ik ben niet dol.

ADRIANA. Ach, waar' dit zoo, gij zwaar beproefde ziel!

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ei, ei, mijn schat, zijn dit uw gasten? spreek!

Deed die snaak daar met dat saffraangezicht

Vandaag in mijne woning zich te goed,

Terwijl de deur u helersdiensten deed

En mij den toegang tot mijn huis ontzeide?

ADRIANA. O man, God weet, gij hebt te huis gegeten;

O, hadt gij daar tot nu met mij getoefd,

Dan hadt ge u deze schande en smaad bespaard!

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Te huis gegeten!--Vlegel, wat zegt gij?

DROMIO VAN EPHESUS. Te huis gegeten!--heer, neen, waarlijk niet.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En bleef de deur niet dicht, ik uitgesloten?

DROMIO VAN EPHESUS. Ja wis, uw deur bleef dicht, gij uitgesloten.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En heeft zijzelf daar, zij, mij niet beschimpt?

DROMIO VAN EPHESUS. In waarheid, heer, zijzelf heeft u beschimpt.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En heeft haar keukenmeid mij niet bespot?

DROMIO VAN EPHESUS. Voorwaar, de keukenmaagd heeft u bespot.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En ging ik niet in dolle woede weg?

DROMIO VAN EPHESUS. Ja waarlijk, heer, mijn rug kan het getuigen;

Die heeft uw dolle woede wel gevoeld. 81

ADRIANA. Is dat wel goed, zijn waanzin zoo te voeden?

KNIJP. Het is niet kwaad; de knaap verkent zijn stemming,

Gaat met hem mee, en maakt hem goedgeluimd.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij dreeft den goudsmid aan om mij te gijz'len!

ADRIANA. Helaas, ik zond u geld voor uw bevrijding,

Door Dromio hier, die 't ijlings hebben moest.

DROMIO VAN EPHESUS. Wat! geld door mij? Misschien wel goeden wil,

Maar zeker, meester, geld! geen rooden duit.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zijt gij bij haar geen beurs met goud gaan

halen?

ADRIANA. Hij kwam er om, en ik, ik gaf het hem.

LUCIANA. Ik kan getuigen, dat zij 't goud hem gaf.

DROMIO VAN EPHESUS. God en de touwverkooper zijn getuigen:

Niets anders moest ik halen dan een touw.

KNIJP. Zij beiden zijn bezeten, heer en dienaar;

Zij zijn doodsbleek, en ziet eens, welke blikken!

Men boeie en breng' hen in een donk're cel.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS (tot Adriana). Spreek, waarom sloot gij

heden mij de deur?

(Tot Dromio.) En waarom loochent gij de beurs met goud?

ADRIANA. Maar, beste man, ik sloot de deur u niet.

DROMIO VAN EPHESUS. En, beste heer, ik heb geen goud ontvangen;

Doch ik erken, de deur bleef voor ons dicht.

ADRIANA. Gij valsche schurk, gij spreekt in beide onwaar.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij valsche sloor, gij liegt, zijt valsch

in alles;

En zijt het met vervloekte schoeljes eens,

Om hoon en smaad te staap'len op mijn hoofd;

Maar 'k rijt u met mijn nagels de oogen uit,

Wier lust het is, mij zoo beschimpt te zien.

ADRIANA. O bindt hem, bindt hem, houdt hem van mij af!

KNIJP. Meer hulp! de Booze is sterk, die in hem huist.

LUCIANA. Ach arme man, wat ziet hij bleek, ontdaan!

(Drie of vier Helpers komen op, om Antipholus

van Ephesus te binden, die tegenstand biedt.)

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wat! legt gij 't op mijn leven toe? Gij rakker,

'k Ben uw gevang'ne; duldt gij, dat zij mij

Aan u ontrukken? 114

GERECHTSDIENAAR. Mannen, laat hem los;

't Is mijn gevang'ne; gij blijft van hem af.

KNIJP. Bindt ook den knecht, want hij is ook bezeten.

(Zij trachten ook Dromio van Ephesus te binden.)

ADRIANA. Gij domme rakker, waar bemoeit ge u mee?

Is 't u een lust, als een ellendig man

Zichzelven kwaad en leed en schande doet?

GERECHTSDIENAAR. 't Is mijn gevang'ne; ontsnapt hij mij, dan wordt,

Wat hij betalen moet, op mij verhaald.

ADRIANA. Daarvan onthef ik u, aleer ik ga.

Breng mij tot hem, die 't geld te vord'ren heeft!

Als ik de schuld eens weet, is ze ook betaald.

En, goede dokter, breng hem ongedeerd

Bij mij aan huis!--O diep onzaal'ge dag!

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. O diep onzaal'ge sloor!

DROMIO VAN EPHESUS. Nu bindt eerst, heer, een hechte band ons saam!

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ter helle, schurk! waarom maakt gij mij dol?

DROMIO VAN EPHESUS. Wilt gij voor niets gebonden zijn? Neen, meester,

Wees dol! schreeuw: "Duivel! Hel!"

LUCIANA. God helpe u, armen! ach wat ijd'le taal!

ADRIANA. Gaat, voert hem weg!--Kom, zuster, ga met ons.

(Knijp en zijn Helpers af, met Antipholus

van Ephesus en Dromio van Ephesus.)

Zeg thans, op wiens beklag hij werd gegijzeld.

GERECHTSDIENAAR. Van Angelo, den goudsmid. Kent gij dien?

ADRIANA. Ik ken hem wel. En hoeveel is hij schuldig?

GERECHTSDIENAAR. Twee honderd stuks dukaten.

ADRIANA. En waarvoor?

GERECHTSDIENAAR. 't Is voor een ketting, aan uw man geleverd.

ADRIANA. Hij heeft er een besteld, doch niet ontvangen.

COURTISANE. Zeer kort, nadat vandaag uw man als dol

Bij mij in huis drong en mijn ring me ontnam,--

Dien ik daareven aan zijn vinger zag,--

Kwam ik hem tegen met een gouden keten.

ADRIANA. Het kan zoo zijn, maar ik zag nooit die keten.--

(Tot den Gerechtsdienaar.) Kom, breng mij naar den goudsmid;

ik verlang

Te weten, wat er van dat alles is.

(Antipholus van Syracuse komt op, met getrokken degen, gevolgd door

Dromio van Syracuse.)

LUCIANA. God sta ons bij, daar zijn zij weder los!

ADRIANA. En 't zwaard ontbloot! komt, hulp gehaald om hem

Op nieuw te binden!

GERECHTSDIENAAR. Voort! het geldt ons leven!

(Adriana, Luciana en de Gerechtsdienaar af.)

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik zie, die heksen zijn voor zwaarden bang.

DROMIO VAN SYRACUSE. Die zich als vrouw u opdrong, liep nu weg.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Naar den Centaurus nu! haal daar ons goed;

O, waren wij reeds goed en wel aan boord!

DROMIO VAN SYRACUSE. Inderdaad, blijf hier van nacht nog; men zal

ons zeker geen kwaad doen; gij hebt gezien, hoe vriendelijk men ons

toespreekt en ons goud geeft. Een recht beleefd volk hier, dat moet

gezegd zijn;--en was hier die dolle vleeschmassa niet, die mijn vrouw

wil heeten, dan kon ik wel over mijn hart krijgen hier nog te blijven

en ook heksenmeester te worden.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik blijf om heel de stad van nacht niet hier;

Dus voort, en alles nu aan boord gebracht!

(Beiden af.)

De Klucht der Vergissingen · 第 23 / 30 题