VIERDE TOONEEL.

Op dezelfde plaats.

Antipholus van Ephesus en de Gerechtsdienaar komen op.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wees niet beducht, man, ik ontloop u niet;

Maar geef u, eer ik van u ga, de som,

Waarvoor gij mij in hecht'nis hebt genomen.

Mijn vrouw is heden wonderlijk geluimd,

En schenkt misschien mijn bode geen geloof.

Dat ik in Ephesus gegijzeld werd,

Geloof mij, 't zal haar schril in de ooren klinken.

(Dromio van Ephesus komt op, met een eind touw.)

Daar komt mijn dienaar, denk'lijk met het geld.--

Nu, man, gij hebt toch wat gij halen moest?

DROMIO VAN EPHESUS. Zie maar, genoeg om allen te betalen.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Maar waar is 't geld?

DROMIO VAN EPHESUS. Wel, heer 'k heb met het geld het touw betaald.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Vijfhonderd stuks dukaten voor een touw?

DROMIO VAN EPHESUS. Neen, heer, dan bracht ik wel vijfhonderd touwen.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Nu, tot wat einde stuurde ik u naar huis?

De Klucht der Vergissingen · 第 21 / 30 题