DERDE TOONEEL.

Een open plein.

Antipholus van Syracuse komt op.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik kom geen sterv'ling tegen of hij groet mij,

Als ware ik hun een welbekende vriend;

Daarbij, een ieder noemt mij bij mijn naam;

Die biedt mij geld; een ander noodt mij bij zich;

Die dankt mij voor bewezen vriendlijkheid;

Die biedt mij iets bijzonder fraais te koop;

Daar even riep een snijder me in zijn winkel,

En liet mij zijde zien, voor mij ontboden,

En nam meteen mij ongevraagd de maat.

Geen twijfel, 't moeten droomgezichten zijn,

En Laplands heksenmeesters huizen hier.

(Dromio van Syracuse komt op.)

DROMIO VAN SYRACUSE. Heer, daar is het goud, waar gij mij om hebt

uitgestuurd.--Maar waar hebt gij dat evenbeeld van den ouden Adam in

zijn nieuw gewaad gelaten?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe! wat voor goud en welken Adam meent gij?

DROMIO VAN SYRACUSE. Niet Adam, den paradijsbewaarder, maar Adam,

den gevangenbewaarder; die wandelt in het vel van het kalf, dat

voor den Verloren zoon geslacht werd; die achter u aansloop, heer,

als een booze geest, en u beval uwe vrijheid te verzaken.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Mensch, ik versta u niet.

DROMIO VAN SYRACUSE. Niet? het geval is toch zeer eenvoudig: ik meen

den man, die rondliep, als een bas-viool, in een lederen foedraal;

den man, die, als de lieden moe zijn, hen oppakt en laat zitten;

den man, heer, die menschen in verval met een sterken arm ophelpt

en in zekerheid brengt; den man, die niet rust, voor hij met zijn

ambtsstaf meer exploten gedaan heeft, dan een Moor met zijn piek.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ah zoo! meent gij een gerechtsdienaar?

DROMIO VAN SYRACUSE. Ja, heer, den oppersten van de bende; die zijn

banden klaar heeft voor ieder, die een verbintenis wil verbreken;

een, die altijd iemand rust gunt, en zegt: "Blijf maar zitten!"

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Nu man, genoeg; gun aan uw grappen rust. Zeilt

er van avond ook nog een schip uit? Kunnen wij vertrekken?

DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, heer, ik heb het u voor een uur al gemeld,

dat de brik "Voorwaarts" van avond zee kiest; maar toen werdt gij

door een rakker genoopt te blijven op de kogge "Rustuit". Hier zijn

de Engelen, die ik halen moest om u te bevrijden. 41

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. De kerel is verbijsterd, maar ik ook;

Van de eene dwaling komen wij in de and're;

Een goede geest help' veilig ons van hier!

(Een Courtisane komt op.)

COURTISANE. Getroffen, heer Antipholus, getroffen!

Ik zie, gij hebt den goudsmid nu ontmoet;

Is dat de keten, heden mij beloofd?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wijk, Satan, wijk; beproef uw kunsten niet.

DROMIO VAN SYRACUSE. Meester, is dit mejuffer Satan?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Het is de duivel.

DROMIO VAN SYRACUSE. Neen, erger dan dat, zij is des duivels moêr,

die in de gedaante van een lichte deerne rondwandelt; van daar, dat,

als de deernen zeggen: "De Duivel hale mij", dit zooveel wil zeggen

als: "Ik zou een lichte deerne willen zijn". Daar staat geschreven,

dat zij aan mannen zich voordoen als licht; licht is een uitwerksel

van vuur, en vuur verzengt en steekt aan; dus, lichte deernen steken

aan. Kom haar niet te na.

COURTISANE. U beider boert, heer, tuigt van jolig bloed.

Gaat gij weer mee? Ook 't avondmaal is goed.

DROMIO VAN SYRACUSE. Meester, als gij dat doet, reken dan op lepelkost

en zorg voor een langen lepel.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom, Dromio?

DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, die met den duivel wil eten, moet een langen

lepel hebben.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Weg, booze! welk een praat, welk maal? gij

zijt,

Zooals gij allen zijt, een tooverkol;

Ga, ik bezweer u, ga, verlaat mij, voort!

COURTISANE. Geef dan den ring, dien ik aan 't maal u gaf,

Of wel de keten, die gij hebt beloofd;

Dan ga ik, heer, en val u niet meer lastig.

DROMIO VAN SYRACUSE. Meest vragen heksen naar een nagelsnippel,

Een haar, een drupje bloed, een speld, een niets,

Een noot, een kersepit,

Die daar wat meer, een gouden keten, ja!

Voorzichtig, heer; als gij ze geeft, dan rammelt

De duivel ons er schrik mee op het lijf.

COURTISANE. Ik bid u, heer, den ring of wel de keten;

'k Hoop, zóó bedriegt gij mij toch niet, niet zóó.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Weg, heks! verdwijn! Kom, volg mij, Dromio.

DROMIO VAN SYRACUSE. "Nooit ijdel", zei de pauw; die les is niet van

stroo. 81

(Antipholus en Dromio van Syracuse af.)

COURTISANE. Nu, buiten kijf, Antipholus is gek;

Want anders stelde hij zich zoo niet aan.

Wat! voor mijn ring, veertig dukaten waard,

Heeft hij een gouden keten mij beloofd,

En nu ontkent hij mij èn 't een èn 't ander.

Ja, dat hij gek is, blijkt mij niet alleen

Door dit bewijs van dolle drift, maar ook

Door 't dwaas verhaal, dat hij aan tafel deed,

Hoe hem zijn vrouw zijn deur gesloten hield.

Gewis zijn haar zijn vlagen welbekend

En hield zij daarom 't huis voor hem gesloten.

Het best is, dat ik naar zijn huis mij spoed,

En daar zijn vrouw vertel, dat hij als dol

Mijn woning binnendrong en met geweld

Den ring me ontnam. Ja, die manier is goed;

Veertig dukaten waar' te groot bankroet.

(De Courtisane af.)

De Klucht der Vergissingen · 第 20 / 30 题