LUCIANA. Wat ik voor u hem vroeg, vroeg hij van mij.
ADRIANA. En hoe bood hij zijn valsche liefde u aan?
LUCIANA. Káns had een eerlijk aanbod, zoo gedaan.
Ik was zoo schoon, mijn taal zoo zacht, zoo zoet,--
ADRIANA. Spraakt gij zoo lief?
LUCIANA. O stil toch! welk een gloed!
ADRIANA. Ik kan niet, wil niet, houd mij niet meer in;
Nu hebb', zoo niet mijn hart, mijn tong haar zin!
Hij is verdraaid, krombeenig, rimp'lig, oud,
Van top tot teen een monster, hartloos, koud,
Onvriendlijk, boos en slecht, een nar, een beer,
Misvormd naar 't lijf, maar naar den geest nog meer.
LUCIANA. En plaagt u ijverzucht om zulk een man?
Wie klaagt, die zulk een kwaad ontloopen kan?
ADRIANA. O, maar ik acht hem beter dan ik zeg;
Als and'rer oog hem maar zoo haatlijk vond!
De kievit schreeuwt, is hij van 't nest ver weg;
Mijn harte bidt voor hem, al vloekt mijn mond.
(Dromio van Syracuse komt op.)
DROMIO VAN SYRACUSE. Hier, neem! de beurs! de kist! Vlug, sluit
haar open!
LUCIANA. Waarom zoo buiten adem?
DROMIO VAN SYRACUSE. Is dat loopen!
ADRIANA. Waar is uw meester, Dromio? Is 't hem wel?
DROMIO VAN SYRACUSE. Hij is in 't voorportaal, neen, in de hel!
Hem heeft een duivel beet, in eeuw'gen dos,
Een man, wiens hart met staal benageld is;
Een wreede booze geest, een wolf, neen, meer,
Een kerel, gansch gehuld in buffelleêr,
Zoo'n ruggevriend met grijpers, die loert en spiedt en gluipt; 37
En zich in bochten wringt, door poortjes en gangen sluipt;
Een hond op 't valsche spoor, maar die zijn wild toch speurt,
En arme zielen, vóór 't gericht, ter helle sleurt.
ADRIANA. Spreek, man, 'k begrijp u niet.
DROMIO VAN SYRACUSE. En ik begrijp alleen, dat hem een rakker greep.
ADRIANA. Gegrepen? spreek! wie heeft hem dan verklaagd?
DROMIO VAN SYRACUSE. 'k Weet niet, op welke klacht hij in hecht'nis
is gebracht,
Maar die het deed, was in een buffelleêren dracht.
Wilt gij het losgeld sturen, de goudbeurs uit zijn kist?
ADRIANA. Ga 't halen, zuster. (Luciana af.)--'k Sta verwonderd, dat
Mijn man zoo iets als stille schulden had.--
Waarom werd hij gegijzeld? om een schuldbrief?
DROMIO VAN SYRACUSE. Niet om papier, maar om een sterker ding;
Een keten, keten was 't! Wat hoor ik, kling ling ling!
ADRIANA. Hoort gij de keten daar?
DROMIO VAN SYRACUSE. Neen, neen, de klok. Het is mijn tijd van gaan;
't Was twee, toen 'k hem verliet, en 'k hoor het één daar slaan.
ADRIANA. Een uur zou weer teruggaan, wees niet dom!
DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, als het uur een rakker treft, dan schrikt
het en keert om.
ADRIANA. Als of de tijd in schulden stak! hoe dol! wie hoorde 't ooit?
DROMIO VAN SYRACUSE. Tijd is bankroet; beloven doet hij, ja, op
't uur betalen nooit.
En dief, dat is hij ook, ja, geef maar acht,
Hoe steelsch hij komt en gaat, bij dag en nacht!
Is Tijd bankroet en dief, en ziet hij een rakker, die wacht,
Is dan een uur teruggaan niet goed van hem bedacht?
(Luciana komt terug, met een beurs.)
ADRIANA. Hier, Dromio, breng hem 't geld, en vlug! met spoed!
En kom terstond toch met uw meester thuis.--
Ach, zuster, 'k weet niet, wat ik denken moet;
Nu geeft mij 't denken troost, dan is 't mijn kruis.
(Allen af.)