ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ho, Dromio! ho! waar ijlt gij zoo naar toe? 72

DROMIO VAN SYRACUSE. Kent gij mij, heer? ben ik Dromio? ben ik uw

slaaf? ben ik mijzelf?

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gij zijt Dromio; gij zijt mijn slaaf; gij

zijt uzelf.

DROMIO VAN SYRACUSE. Ik ben een ezel; ik ben de slaaf van een vrouw;

ik ben niet mijzelf.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Van welke vrouw de slaaf en waarom uzelf niet?

DROMIO VAN SYRACUSE. Bij mijn ziel, heer, mijzelf niet; ik behoor

aan een vrouw toe, die aanspraak op mij maakt, mij vervolgt, mij

wil hebben.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Welke aanspraak maakt zij op u?

DROMIO VAN SYRACUSE. Wel heer, zulk een aanspraak, als gij op uw

paard maakt; en zij zou mij willen hebben als een beest; niet dat

zij mij wil hebben, omdat ik een beest ben; maar zij, die een zeer

beestachtig schepsel is, maakt aanspraak op mij.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat is zij voor een schepsel?

DROMIO VAN SYRACUSE. Een zeer ontzagwekkend schepsel; ja een,

waarvan een man niet spreken mag zonder er bij te voegen: "met verlof

gezegd." Ik vind dit huwelijk maar een mager fortuintje, en toch is

zij een verwonderlijk vette partij.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe zoo een vette partij?

DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, heer, zij is het keukenmensch, en een en

al reuzel; en ik zou niet weten, wat ik met haar zou moeten doen,

dan een lamp van haar maken, en van haar wegloopen bij haar eigen

licht. Ik verzeker u, haar plunje en het vet er in branden wel een

Laplandschen winter lang; en als zij leeft tot den oordeelsdag,

brandt zij een week langer dan de heele wereld.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe ziet zij er uit?

DROMIO VAN SYRACUSE. Zwartachtig als mijn schoenen, maar haar gezicht

wordt op lange na zoo schoon niet gehouden, want zij zweet, heer, zij

zweet; men zou tot over de schoenen in die zwartigheid kunnen waden.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dat is een gebrek, dat met water te

verbeteren is.

DROMIO VAN SYRACUSE. Volstrekt niet, heer, zij is in de wol geverfd;

geen zondvloed zou het kunnen doen. 109

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe is haar naam?

DROMIO VAN SYRACUSE. Nel, heer, maar haar naam en drie verrel, dat is:

'n el en drie verrel meet haar nog niet van heup tot heup.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dus, zij is nog al breed?

DROMIO VAN SYRACUSE. Zij is niet hooger, dan zij breed is; zij is

een kogel, een globe; ik kon landen op haar vinden.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Op welk deel van haar lichaam ligt Ierland?

DROMIO VAN SYRACUSE. Op haar achterdeel, heer; ik herkende het aan

de moerassen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Schotland?

DROMIO VAN SYRACUSE. Dat herkende ik aan de onvruchtbaarheid, midden

in de holte van haar hand.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Frankrijk?

DROMIO VAN SYRACUSE. Op haar voorhoofd, dat afvallig is en in opstand

tegen zijn hoofd.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Engeland?

DROMIO VAN SYRACUSE. Ik zocht naar de krijtbergen, maar kon niets

wits vinden; doch ik gis, dat het op haar kin lag, van wege den zilten

stroom tusschen haar kin en Frankrijk.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Spanje?

DROMIO VAN SYRACUSE. Op mijn eer, dat zag ik niet, maar ik voelde de

hitte er van in haar adem.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar Amerika en de beide Indiën?

DROMIO VAN SYRACUSE. O heer, op haar neus, die over en over met

robijnen, karbonkels en saffieren bezet is en zijn rijke pracht naar

den heeten adem van Spanje laat hellen, dat geheele vloten uitzond,

om aan haar neus lading in te nemen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waar liggen België en de Nederlanden?

DROMIO VAN SYRACUSE. O heer, zoo laag heb ik niet gezocht. In het

kort, deze schommel of heks maakte aanspraak op mij,--noemde mij

Dromio,--bezwoer mij, dat ik met haar getrouwd was,--vertelde mij,

welke verborgen teekens ik aan mijn lijf had, zooals de vlek op

mijn schouder, het moedermaal in mijn nek, de groote wrat op mijn

linkerarm, zoodat ik, vol ontzetting, voor haar op den loop ging als

voor een heks.

En ware ik niet een en al geloof, en mijn hart niet van staal, zoo

weet dit:

Zij had mij verhekst tot een keukenhond en ik draaide nu zeker het

spit. 151

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Begeef u oogenblikk'lijk naar de haven,

Want waait er een'ge wind van land naar zee,

Dan blijf ik in deez' stad geen nacht meer over;--

Steekt eenig schip in zee, zoek me op de markt;

Ik loop daar op en neer, totdat gij komt.

Kent ieder ons, wij niemand, dan, voorwaar!

Is vluchten best en blijven vol gevaar.

DROMIO VAN SYRACUSE. Snel, als een wand'laar, voor een beer beducht,

Neem ik, voor die mijn vrouw wil zijn, de vlucht.

(Dromio van Syracuse af.)

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. In deze plaats zijn enkel heksen thuis;

En daarom is 't hoog tijd van hier te gaan.

Denk ik, die mij gemaal noemt, als mijn vrouw,

Dan rilt mijn ziele; doch haar schoone zuster,

Onwederstaanbaar door bevalligheid,

Betoov'rend door haar wezen en gesprek,

Deed mij schier ontrouw plegen aan mijzelf.

Dus, eer ik me in mijn eigen strikken vang,

Sluit ik mijn oor voor haar Sirenenzang.

(Angelo komt op.)

ANGELO. Antipholus!

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ja, ja, dat is mijn naam.

ANGELO. Dat weet ik best, heer, Zie, hier is de ketting.

Ik had hem u in de' Egel wel gebracht,

Maar hij is pas zoo even klaar gekomen.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. En wat moet ik met dezen ketting doen?

De Klucht der Vergissingen · 第 14 / 30 题