Binnenplein in het huis van Antipholus van Ephesus.
Luciana en Antipholus van Syracuse komen op.
LUCIANA. Antipholus, is 't moog'lijk? Gij verzaakt
Uw plicht van echtgenoot? wat worm ontstal
Uw jonge liefdebloem het hart? hoe raakt
Uw jong geluk, bij de' opbouw, in verval?
Naamt gij mijn zuster om den wil van 't geld,
Behandel om den wil van 't geld haar goed;
Mint gij thans elders, háár zij 't niet gemeld,
Verberg uw valschheid diep in uw gemoed;
Dat nooit mijn zuster in uw oog het leez',
Uw tong uw eigen schande nooit verkonde;
Blik zacht, spreek vleiend, huichel, ban haar vrees,
Hul in het vlekk'loos kleed der deugd uw zonde;
Schijn trouw, hoewel uw hart zijn trouw vergeet;
Leer de ondeugd, hoe zij voor een heil'ge speelt;
Wees heimlijk valsch; wat nut, dat zij het weet?
Een domme dief, die pocht terwijl hij steelt!
't Is boos, afkeerig van haar kus te zijn,
Maar dubbel, dat gij 't aan den disch verraadt;
Door fraaie taal redt schande vaak den schijn,
Maar booze taal is dubbel-booze daad.
O, veins slechts liefde en--ach! zoo is de vrouw!--
Wij achten 't waar; gij hebt onze' angst gestild;
Geeft gij aan and'ren de' arm, en ons de mouw,
Toch voert ge ons om en rond, zooals ge wilt.
Keer tot haar, zwager; deernis hebt gij toch!
Troost, kus haar, noem uzelf haar trouwe man;
Een weinig huich'lens is een vroom bedrog.
Als zoete vleitaal twist bedwingen kan.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Volschoone!--wat uw naam is, weet ik niet,
Noch door wat wonder gij den mijnen weet;--
Doch grooter wonder boeit mijn oog; het ziet
Een hemelgeest, met lieflijkheid omkleed.
Zeg, dierb're, hoe ik denken, spreken moet;
Onthul voor mijn verstand, dat aardsch en zwak,
Vol dwaling, bot en loom is, niets bevroedt,
Den duist'ren zin van wat uw mond daar sprak.
Gij doet mij twijf'len, of ik niet verschil
Van wat ik was, voert me in een tooverland;
Zijt ge een godin, die mij vervormen wil?
Vervorm mij dan! ik geef mij in uw hand.
Ben ik nog ik, dan weet ik dit voorwaar: 41
Uw zuster, die daar weent, is niet mijn vrouw;
Geen eed, geen echt verbond mij ooit aan haar,
Veeleer, veeleer verpand ik u mijn trouw.
Lok niet in uwer zuster tranenmeer
Mij, schoone meer-elf, met verdervend lied;
Zing voor uzelf, Sirene, min mij weer,
En spreid uw haargoud op den zilv'ren vliet;
Dan kies ik dat voor leger, waar ik rust,
En stel met trots mij voor, dat, als ik zink,
De dood aldus gewin is, weelde en lust;--
Ja, is de liefde wuft, dat zij verdrink'!
LUCIANA. Wat! zijt gij dwaas? niet wetend wat gij zegt?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Verbaasd, misschien verdwaasd; ik weet
niet recht.
LUCIANA. Zwak moet uw oog zijn, dat u zoo doet dwalen.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wijl 't, schoone zon! gestaard heeft in
uw stralen.
LUCIANA. Blik waar 't behoort, en 't oog herwint zijn kracht.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zou 'k turen, mijn geliefde, in sombre nacht?
LUCIANA. Geliefde, zegt gij? noem mijn zuster zoo.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Uw zusters zuster!
LUCIANA. Mijne zuster!
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. O!
Gij zijt het zelf, gij, leven van mijn leven,
Oog van mijn oog, mijns harten hart, mijn streven,
Mijn hoop, mijn heul, mijn heil, mijn een'ge have,
Mijn aardsche hemel, een'ge hemelgave!
LUCIANA. Dat alles is mijn zuster, moest het zijn.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wees zelf uw zuster, lieve, en word dan mijn.
U wijd ik mij, u zweer ik eeuw'ge trouw;
Gij hebt nog geen gemaal en ik geen vrouw;
Reik mij uw hand!
LUCIANA. O zwijg, heer, houd u stil!
Ik haal mijn zuster hier, of zij dit wil.
(Luciana af.)
(Dromio van Syracuse komt haastig aangeloopen.)