ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij zijt een ezel, zie ik. 15

DROMIO VAN EPHESUS. Dat dacht ikzelf ook alreê,

Want ik word uitgescholden en slagen krijg ik mee,

Maar dan zou ik achteruitstaan, en als gij dat bedacht,

Dan naamt ge u voor mijn hoeven en de' ezel in acht.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij zwijgt, heer Balthazar, ik hoop nu maar,

dat het maal

Beantwoordt aan mijnen wensch, dan vindt gij een goed onthaal.

BALTHAZAR. Hoog schat ik uwe vriendlijkheid, al waar' ook 't eten

schraal.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Een schraal onthaal is vriendlijkheid; veel

liever zie ik den disch,

Heer Balthazar, beladen met keur van vleesch en visch.

BALTHAZAR. Goed eten tel ik minder, dat schaft soms een lomperd ook.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ik meer dan hoff'lijke woorden; een woord

vervliegt als rook.

BALTHAZAR. Zij de spijs ook gering, bij een vriendlijken waard ga ik

gaarne te gast.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Voorwaar, dan zijt gij een gast, die een

vrekkigen gastheer past.

Maar is een eenvoudig maal u goed, neem dan voor lief, wat ik bied;

Vindt gij elders ook lekkerder schotels, een vriend'lijker welkomst

niet.--

Doch zie, mijn deur gesloten! knaap, roep eens, en klop aan! 30

DROMIO VAN EPHESUS. Hé, Trui, Brigit, Marianne, Kaat, Rika, Martha,

Jaan!

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Bloed, domoor, ezel, schaapskop,

lompe beer!

Pak u weg van de deur of zet op de stoep u neer!

Wat roept gij hier deernen op, en dat zoo bij 't dozijn,

Als één reeds een te veel is? Van hier, loop rond, verdwijn!

DROMIO VAN EPHESUS. Wat lomperd werd portier hier?--Doe open, mijn

meester wacht.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Hij ga van waar hij kwam, en neem

voor de koû zich in acht.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wie maakt daar praatjes? vlug wat! laat

ons door.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Ja heer, 'k zeg u wanneer, als

gij mij zegt, waarvoor.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Waarvoor? ik kom eten, ik at vandaag nog niet.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). De deur is dicht van daag; wacht

tot gij ze open ziet.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wie houdt mijn deur mij dicht en beschimpt

mij daar zoo?

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Wel, die vandaag portier is,

en mijn naam is Dromio.

DROMIO VAN EPHESUS. Staalt gij mijn dienst en naam, gij zult het,

o schurk! u beklagen;

De een bracht mij nooit crediet en de ander dikwijls slagen.

Hadt gij den heelen dag maar voor Dromio gespeeld,

Dan waren u mijne namen en klappen toebedeeld.

LUCIE (van binnen). Welk een leven! wie is 't, die voor de deur

hier staat?

DROMIO VAN EPHESUS. Laat, Luus! wat vlug mijn heer in.

LUCIE (van binnen). Wat heer? hij

komt te laat.

Vertel dat uw meester. 50

DROMIO VAN EPHESUS. Mijn god, het is te gek.

Kom ik binnen, geloof me, dan pak ik je bij den nek.

LUCIE (van binnen). Des te beter, dat gij daar moet blijven,

gij bloed!

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Is Luus uw naam? wel Luus dan,

dat antwoord was wel goed.

ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoor, meisje, wat is dat? gij laat ons toch

in, naar ik meen?

LUCIE (van binnen). Gij hebt reeds het antwoord.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). En dat was neen.

DROMIO VAN EPHESUS. Wel zeker, ja, help haar; zij kan 't niet alleen!

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Kom, kreng, laat mij binnen.

LUCIE (van binnen). Waarvoor? vraag

ik maar.

DROMIO VAN EPHESUS. Heer, bons op de deur.

LUCIE (van binnen). Ja, bons ze uit elkaâr.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. En trap ik haar in, feeks, dan krijgt gij

uw loon.

LUCIE (van binnen). Beproef het, dan krijgt gij het tuchthuis

ter woon.

ADRIANA (van binnen). Wie maakt aan de deur toch dat heidensch

gedruisch?

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Op mijn eer, in uw stad is

onrustig gespuis.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Zijt gij daar eind'lijk, vrouw, voorwaar,

gij komt vrij laat.

ADRIANA (van binnen). Uw vrouw, schavuit? pak u weg, en vlug, is

mijn raad.

DROMIO VAN EPHESUS. Dat "schavuit", heer, wis blijft het u bij,

waar ge ook gaat.

ANGELO. Hier wacht noch maal noch welkomst ons, en beiden trokken

ons aan.

BALTHAZAR. Wat beter was, bleef onbeslist; nu zullen zij beide ons

ontgaan.

DROMIO VAN EPHESUS. Uw gasten zijn er, meester; laat hen niet buiten

staan.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Wij komen niet in de haven; de wind is ons

hier tegen.

DROMIO VAN EPHESUS. Gelukkig is er wind, want anders stondt ge in

den regen.

Uw maal daarbinnen is warm en gij staat hier in de koû, 71

Verraden en verkocht; wie, die niet dol worden zou?

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Een koevoet! die deur moet omver; wat helpt

ons geklop?

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Breek in, als gij durft, en ik

breek u uw schurkenkop.

DROMIO VAN EPHESUS. Nu wacht maar, wij zullen dat schelden en razen

wel stuiten,

En spoedig genoeg u een ander deuntje doen fluiten.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Eer breekt ge uw woord dan de deur;

gij gaat u in woorden te buiten.

DROMIO VAN EPHESUS. En gij zijt buiten westen. Voor 't laatst nog,

laat ons binnen.

DROMIO VAN SYRACUSE (van binnen). Als vogels zonder veêren zijn,

en visschen zonder vinnen.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Nu dan, niet langer praatjes. Ga, haal een

koevoet hier.

DROMIO VAN EPHESUS. Een koevoet zonder koe, niet waar? Doch sterker

dan een stier.

Spreekt hij van visschen zonder vin en vogels zonder veêren,

Die enk'le voet zal aan dien knaap zijn dolheid wel verleeren.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Genoeg, haal mij een koevoet hier; komaan!

BALTHAZAR. Bedwing u, heer, niets overijld gedaan!

Zoo deedt ge uw eigen goeden naam te kort,

En bracht de vlekk'looze eer van uwe vrouw

Licht in 't bereik van achterdocht en laster.

In 't kort: gij kent haar lang; haar schrand're geest,

Deugd, leeftijd, zedigheid, staan alle borg,

Dat er een grond is voor haar doen, hoe vreemd;

En zij verantwoordt, twijfel niet, volkomen,

Dat thans de deur voor u gesloten blijft.

Neem raad van mij aan; ga nu rustig heen,

En laat ons in den Tijger saam gaan eten;

En tegen de' avond gaat ge alleen naar huis,

En hoort, wat tot dit buitensluiten dreef.

Want tracht gij met geweld hier in te breken,

Juist op dit uur van druk verkeer, dan loopen

Er daad'lijk dwaze praatjes door de stad,

En vinden ingang bij 't gemeene volk;

En zoo wordt op uw vlekkeloozen naam

Een booze smet geworpen, die blijft kleven,

En na uw dood uw graf onteeren zou;

Want laster, eens gezaaid, is schielijk groot,

En blijft aan 't groeien, waar zij wortel schoot.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Gij hebt mij overtuigd. Ik wil dus gaan, 107

En, vroolijkheid ten trots, nu vroolijk zijn.

Een deerne weet ik, aardig, onderhoudend,

Vol geest, gevat,--ja vrij, maar toch ook zacht;

Daar zullen we eten; 't is een meisje, waar

Mijn vrouw,--doch ik bezweer u, zonder reden

Zich vaak jaloersch om heeft getoond. Bij haar

Gebruiken wij het maal.--Ga gij naar huis,

En haal den ketting;--die is nu wel klaar;--

En breng hem, bid ik, met u in den Egel;

Want dat is 't huis; dien ketting schenk ik nu,--

Al waar' het enkel om mijn vrouw te plagen,--

Aan onze gastvrouw; beste heer, maak spoed.

'k Werd in mijn eigen huis niet opgenomen,

En klop nu elders aan om onderkomen.

ANGELO. Gij ziet mij ras daar bij u, binnen 't uur.

ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Ja doe dat, goed.--Die grap wordt wel wat duur.

(Allen af.)

De Klucht der Vergissingen · 第 12 / 30 题