Voor het huis van Antipholus van Ephesus.
Antipholus van Ephesus, Dromio van Ephesus,
Angelo en Balthazar komen op.
ANTIPHOLUS VAN EPHESUS. Vriend Angelo, maak gij het voor ons goed;
Als ik niet op mijn tijd pas, kijft mijn vrouw.
Zeg, dat ik met u in de werkplaats was,
En naar het maken van haar halssnoer keek,
En dat gij 't morgen thuis bezorgen zult.
Maar denk eens, deze schelm houdt stokstijf staande,
Dat ik hem op de markt ontmoette, sloeg,
En duizend mark in goud van hem begeerde,
En ook mijn vrouw verloochende en mijn huis.--
Spreek op, gij drinkebroêr, wat meent ge er mee?
DROMIO VAN EPHESUS. Zeg wat gij wilt, heer, maar ik weet, wat ik weet,
Dat uw groete bestond in het slaan, dat gij deedt;
Waar' mijn vel perkament en waren uwe slagen inkt,
'k Had een schrift'lijk bewijs, dat gij zoo mij ontvingt.