Een plein.
Antipholus van Syracuse komt op.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Het goud, dat ik aan Dromio gaf, ligt veilig
En wel in den Centaur; de trouwe borst
Is uitgegaan, bezorgd, om mij te zoeken.
Naar wat ik reken en de waard mij zeide,
Kon ik hem nog niet spreken, sinds ik 't eerst
Hem van de markt naar huis zond. Zie, daar komt hij.
(Dromio van Syracuse komt op.)
Zoo, man, is thans uw joligheid wat uit?
Scherts weder zoo, als gij in slagen lust hebt,
Gij weet van geen Centaurus? van geen goud?
Mijn vrouw doet mij door u voor 't eten roepen?
De Fenix heet mijn huis? Wat dolheid was 't,
Zoo dol bescheid te geven op mijn vragen?
DROMIO VAN SYRACUSE. Heer, welk bescheid? en wanneer zeide ik dat?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo pas, en hier, geen half uur nog geleden.
DROMIO VAN SYRACUSE. Ik heb u niet gezien, sinds gij mij 't goud
Van hier naar den Centaurus brengen liet.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Wat, schurk! gij hebt de ontvangst van
't goud geloochend,
Van een meest'res en van een maal gesproken,
Maar weet nu, hoop ik, dat die grap niet smaakt.
DROMIO VAN SYRACUSE. 't Verheugt mij, dat ge in scherts behagen hebt.
Maar wat bedoelt gij, heer? wil 't mij verklaren.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, waagt gij 't weer, den draak met mij
te steken?
Acht gij dat scherts? Hier, neem dan dit, en dat!
(Hij slaat hem.)
DROMIO VAN SYRACUSE. Om gods wil, heer! houd op, uw jok wordt ernst.
Wat jokte ik dan, dat gij mij zoo betaalt?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Omdat ik soms gemeenzaam scherts en keuvel,
Als met een nar, misbruikt ge in overmoed
Mijn vriendlijkheid en neemt mijn ernstige uren,
Alsof ze u toebehoorden, in beslag.
Maar dans' de mug ook in den zonneschijn,
Zij kruipt in reten, als de lucht betrekt;
Begluur, als gij wilt schertsen, mijn gelaat,
En richt uw doen naar mijnen blik, of ik
Leer op uw bol u beter maat te houën. 34
DROMIO VAN SYRACUSE. Op mijn bol, heer, zegt gij? als gij het slaan
wildet laten, zou ik het liever voor een hoofd houden, maar als gij met
dat ranselen voortgaat, moet ik een bolwerk voor mijn hoofd dienen te
krijgen en het goed dekken, of mijn beetje verstand in mijn schouders
zoeken te bergen. Maar ik bid u, heer, waarom word ik geslagen?
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Weet gij 't nog niet?
DROMIO VAN SYRACUSE. Ik weet alleen, dat ik geslagen ben.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Moet ik dus zeggen, waarom?
DROMIO VAN SYRACUSE. Ja, heer, gaarne, want ieder waarom heeft zijn
daarom, zegt het spreekwoord.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom?--vooreerst, gij dreeft den spot
met mij.
Waarom nog eens?--gij dorst het tweemaal doen.
DROMIO VAN SYRACUSE. Liep ergens ooit een man zoo ongerijmd als ik
er in?
In geen van deze twee daaroms is rijm noch slot noch zin.
Toch, heer, dank ik u.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, dankt ge mij? waarvoor?
DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, meester, voor dat iets, dat gij mij gaaft
voor niets.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik zal het de volgende maal weer goed maken
en u eens niets voor iets geven. Maar zeg, man, is het etenstijd?
DROMIO VAN SYRACUSE. Neen, heer, ik geloof, dat aan het vleesch nog
iets ontbreekt, dat ik heb.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Een mooi ding, en wat?
DROMIO VAN SYRACUSE. Het geklopt zijn.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, man, dan zal het niet malsch zijn.
DROMIO VAN SYRACUSE. Als het zoo is, heer, dan bid ik u, eet er
niets van.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom niet?
DROMIO VAN SYRACUSE. Het mocht u de gal doen overloopen en mij een
tweede klopping bezorgen.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Nu, man, leer dan op zijn tijd te schertsen;
er is een tijd voor alles. 66
DROMIO VAN SYRACUSE. Voordat gij zooveel overloop van gal hadt,
zou ik dit hebben durven ontkennen.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Op welken grond, man?
DROMIO VAN SYRACUSE. Wel, heer, op een grond zoo glad als de gladde
kale kop van Vader Tijd zelf.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Laat hooren.
DROMIO VAN SYRACUSE. Voor niemand is er een tijd, dat hij zijn haar
terugkrijgt, als de natuur hem eens kaal gemaakt heeft.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Is geld niet bij machte het hem terug te
bezorgen?
DROMIO VAN SYRACUSE. O ja, als hij een pruik koopt en daardoor zijn
verloren haar herkrijgt van een ander man.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Waarom is de Tijd zoo schriel met haar,
terwijl het toch zulk een welige uitbotting is?
DROMIO VAN SYRACUSE. Omdat het een zegen is, waar hij beesten mee
beschenkt; en wat hij den mensch in haar heeft te kort gedaan, dat
heeft hij in verstand vergoed.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, maar er zijn menschen genoeg, die meer
haar hebben dan verstand.
DROMIO VAN SYRACUSE. Maar ook van die heeft elk nog verstand genoeg
om zijn haar te verliezen.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zoo, gij hebt daar harige lieden voor
onnoozele halzen zonder verstand verklaard.
DROMIO VAN SYRACUSE. Hoe onnoozeler iemand is, des te eer zorgt hij
het kwijt te raken; maar hij verliest het met een soort van genot.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Om welke reden?
DROMIO VAN SYRACUSE. Om twee redenen, en wel zeer gezonde.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Neen, gezonde juist niet.
DROMIO VAN SYRACUSE. Nu, zekere redenen dan.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Zekere? in een zoo bedrieglijke wereld,
neen. 95
DROMIO VAN SYRACUSE. Bepaalde redenen dan.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Noem ze maar op.
DROMIO VAN SYRACUSE. De een is, dat hij het geld voor friseeren
uithaalt, de andere, dat zij hem aan tafel niet in zijn soep kunnen
vallen.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gij hadt mij nu al dezen tijd moeten bewijzen,
dat er niet voor alles een tijd is.
DROMIO VAN SYRACUSE. Zeker, heer, en dat heb ik gedaan; namelijk dat
er geen tijd is om haar, van nature verloren, terug te krijgen.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Maar uw reden gaf den grond niet aan, waarom
er geen tijd is om het terug te krijgen.
DROMIO VAN SYRACUSE. Dan wil ik het zoo versterken: de Tijd zelf is
kaal en zal dus tot het eind der wereld kale volgelingen hebben.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Ik dacht al wel, dat het op een kaal besluit
zou uitloopen. Maar stil! wie wenkt ons daar?
(Adriana en Luciana komen op.)
ADRIANA. Antipholus, ja blik maar vreemd en koud;
Een ander liefje ziet gij teeder aan;
Ik ben niet Adriana, niet uw vrouw.
Er was een tijd, dat ge ongevergd mij zwoert:
Geen enkel woord was in uw oor muziek,
Geen enk'le blik welsprekend voor uw oog,
Geen enk'le handdruk lieflijk voor uw hand,
Geen enk'le spijs welsmakend voor uw tong,
Dan woord of blik of druk of spijs van mij.
Van waar thans, o mijn gade, o spreek, van waar,
Dat gij thans zoo vervreemd zijt van uzelf?
Uzelf, zeg ik, daar gij van mij vervreemd zijt,
Van mij, die met u een, ondeelbaar, beter
Dan 't beet're deel ben van uw dierbaar ik.
O scheur niet, mijn geliefde, u van mij los,
Want ja, geloof mij, in de woeste branding
Laat ge even licht een waterdroppel vallen
En schept dien onvermengd er weder uit,
Verminderd noch vermeêrd, dan dat ge uzelf
Aan mij ontneemt, en niet mijzelf er bij.
Hoe trof 't u niet in 't diepste van uw ziel,
Zoo gij slechts hoordet, dat ik trouwloos was,
Dat dit mijn lichaam, heilig u gewijd,
Bevlekt zou zijn met booze', onkuischen lust!
Zoudt gij niet op mij spuwen, mij vertrappen,
Uw naam van gâ mij sling'ren in 't gezicht,
De huid mij scheuren van 't boeleerend voorhoofd,
Den trouwring snijden van mijn valsche hand,
Dien breken met een vloek van eeuw'ge scheiding?
Ik weet, dit kunt gij doen; zoo doe het nu.
Ik ben geschandvlekt met het merk van echtbreuk;
Mij woelt een overspeel'ge lust in 't bloed;
Want zijn wij tweeën één en zijt gij valsch,
Dan stroomt het gif van uw bloed in het mijn',
En door uw smetstof word ik tot boelin.
Dies, heilig zij u steeds het huwlijksbed,
Dan leeft gij ononteerd, ik onbesmet. 148
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Geldt mij dit, schoone vrouw? Ik ken u niet.
Twee uren pas ben ik in Ephesus,
En vreemder dan de stad is mij uw taal;
Want, hoe ik napluis, wat ik heb gehoord,
'k Begrijp van alles, wat gij zegt, geen woord.
LUCIANA. Foei, zwager, zijt ge een ander dan voorheen?
Wanneer hebt ge ooit mijn zuster zoo bejegend?
Zij liet door Dromio voor het maal u roepen.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Door Dromio?
DROMIO VAN SYRACUSE. Door mij?
ADRIANA. Door u, en met dit antwoord kwaamt gij thuis:
Hij had u afgeranseld en, bij 't slaan,
Mijn huis als 't zijn, mij als zijn vrouw geloochend.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Dus hebt ge met deze edelvrouw gesproken?
Van waar die afspraak? en wat wilt ge ermee?
DROMIO VAN SYRACUSE. Ik, heer? ik heb haar nooit gezien voor nu.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Gelogen, knaap! want juist, wat gij daar zegt,
Was uwe boodschap aan mij op de markt.
DROMIO VAN SYRACUSE. Ik heb haar van mijn leven nooit gesproken.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Hoe komt het dan, dat ze ons bij name noemt?
Of is dit door een geest haar ingefluisterd?
ADRIANA. Hoe kwalijk strookt het met uw waardigheid,
Dit guichelspel te spelen met uw slaaf,
Hem aan te zetten, dat hij dus mij terg'!
Lijd ik het onrecht, dat gij mij verlaat,
Hoop niet op onrecht onrecht door uw smaad.
Laat toe, dat ik om u mijn armen sla;
Ik ben een wingerd, gij een olm, mijn gâ;
Mijn zwakheid, om uw forschen stam gerankt,
Gevoelt, erkent, dat ze alle kracht u dankt:
Wat tusschen ons zich dringe en u omvaam',
't Is onbeschaamd klimop of mos of braam;
Het snoeimes kappe 't weg; 't zou u verderven,
Uw groei verstikken, leven van uw sterven.
ANTIPHOLUS VAN SYRACUSE. Het is tot mij, dat zij die reed'nen houdt!
Wat! ben ik in den droom met haar getrouwd?
Of slaap ik nu en meen ik, dat ik hoor?
Wat vreemde waan verdwaast mijn oog en oor?
Maar kom, tot mij dit raadsel wordt verklaard,
Zij de opgedrongen dwaling thans aanvaard.